‘Mijlen en mijlen verwijderd van beschaving’: de eerste groepsreizen naar Noorwegen

Vanuit de haven van IJmuiden vertrok op 19 juli 1929 het schip Monte Cervantes voor een tocht langs de Noorse kust. Aan boord van dit luxe cruiseschip bevonden zich meer dan zeshonderd Nederlanders. Een van hen deed in een lokale krant verslag van deze reis. Dit en andere reisverslagen uit die tijd geven een onthullend inkijkje in de wijze waarop Nederlandse vakantiegangers, die voor het eerst in grote groepen naar Noorwegen gingen, het land ervoeren.

De eerste cruises

De Nederlandsche Reisvereeniging organiseerde in de jaren twintig haar eerste grote groepsreizen naar Noorwegen en bracht dit land daarmee binnen het bereik van grotere groepen in de samenleving. Een reis kostte tussen 115 en 201 gulden en wie dat betalen kon, kon zich, voorzien van alle gemakken op luxe boten, naar het Noorden laten varen. Noorwegen kon al rekenen op belangstellenden van koninklijke bloede. Het land was al decennia eerder een favoriet reisdoel van de Duitse keizer Wilhelm II. En ook de Nederlandse koningin Wilhelmina koesterde een voorliefde voor het indrukwekkende Noorse landschap. Haar eerste reis naar Noorwegen maakte ze in augustus 1921 en daarna zou ze het land nog vele malen bezoeken. Altijd gewapend met haar tekendoos, want ze vond er veel inspiratie voor haar tekeningen en schilderijen.

keizer wilhelm ii in noors landschap, foto toegeschreven aan Paul Güssfeldt, ca. 1889, Rijksmuseum_1

De Duitse keizer Wilhelm II in een Noors landschap, omstreeks 1889. (Rijksmuseum, foto toegeschreven aan Paul Güssfeldt)

In het voetspoor van de koninklijke reizigers zetten in de jaren twintig ook anderen koers naar het Hoge Noorden. In 1927 kreeg de Noorse stad Bergen drieduizend Nederlandse toeristen te verwerken. De winkels gingen er speciaal op zondagmiddag voor open. De stroom was voorlopig niet te stuiten. Meer dan zeshonderd Nederlanders scheepten samen met ruim duizend Duitsers in juli 1929 in op het luxe schip Monte Cervantes. Onder hen bevond zich reiziger P.J.W., wiens verslagen van deze reis in de Vlissingsche Courant werden afgedrukt.

De reis bracht de opvarenden eerst naar Bergen. Van daaruit ging het via Molde, Ålesund en Harstad (Lofoten) naar de Noordkaap. Zelfs Spitsbergen werd aangedaan en vervolgens keerde het schip via Hammerfest langs de Noorse westkust terug. Onderweg was er af en toe gelegenheid om van boord te gaan en kennis te maken met het Noorse landschap, de steden en de bevolking. P.J.W. beschrijft hoe bij aankomst in Bergen 40 tot 45 auto’s klaar staan om de gasten de bergen in te rijden en hoe op een later moment de toeristen zich in een colonne van bijna 200 boerenwagentjes met paardjes ervoor (stolkjære) naar het hoog in de bergen gelegen hotel Stalheim laten vervoeren. De Noren waren erop ingericht om gasten te ontvangen. Daarvan getuigen ook de vele gelegenheden om souvenirs te kopen. In de winkels in Bergen waren grote aantallen houten en zilveren Vikingscheepjes voorradig. En bij de Noordkaap stonden ‘Lappen’ die de toeristen snuisterijen verkochten.

Monte Cervantes, Bundearchiv, cc by sa 3.0 de

De Monte Cervantes was een voor die tijd modern schip. Klassen ontbraken aan boord, zodat iedereen kon gaan en staan waar hij wilde. Het schip was in 1928 in de vaart genomen en zou in 1930 voor de kust van Zuid-Amerika vergaan nadat het tegen een rots was gevaren.

Vervoering

De reizigers van toen vielen voor dezelfde elementen in het Noorse landschap die ook menige huidige toerist in vervoering brengen: de fjorden, de tienduizenden grote en kleine eilanden voor de kust, de steile rotswanden, de watervallen en de gletsjers en sneeuwvelden in de bergen. P.J.W. geniet van de autotocht in de omgeving van Bergen. Als “moderne Vikingen aan het stuur” weten de Noorse chauffeurs moeiteloos de hoge hellingen en scherpe bochten te nemen om dan weer met vliegende vaart de diepe valleien in te duiken. Eenzelfde bewondering valt overigens ook de kapitein ten deel die de Monte Cervantes behoedzaam langs de rotsige eilanden loodst. Het vervoer in het ruige landschap hield ook andere reizigers in Noorwegen bezig. Koningin Wilhelmina beschrijft hoe zij over een weg “die maar een bescheiden plaats was toegemeten” een autorit maakte naar de staafkerk in Borgund. “Bij de bochten vroegen wij ons soms af of onze auto niet knel zou raken!”

Stavkirke Borgund, 2008, foto Orse, cc-by-sa-2.0

De staafkerk in Borgund in 2008. (Foto Orse, CC-BY-SA-2.0)

Betuwe in de bergen

De akkertjes en weilanden tegenaan de berghellingen, die in Noorwegen overigens maar dun gezaaid zijn, doen P.J.W. aan de Alpen denken. De groene weiden met grazende koeien en boomgaarden langs het Geirangerfjord associeert hij zelfs met de Betuwe, “maar dan met een stoffage van bergen, watervallen en hoge rotsen”. In het Noorse landschap liggen de kleine huisjes vaak ver van elkaar verspreid, “alsof een kind den inhoud van zijn bouwdoos hier en daar had weggesmeten”. Koningin Wilhelmina is eveneens onder de indruk van het landschap. In een brief aan haar moeder schrijft ze: “Er is veel poëzie in het landschap, weinig koroliet, een blauw waas overdekt hemel en bergen. De onnoemelijke stille wateren der fjorden, bewaakt en in toom gehouden door reuzen van graniet zal ik licht niet vergeten.” Wilhelmina raakte tijdens bergwandelingen soms zo overweldigd door het natuurschoon dat ze de rest van het gezelschap vooruit liet gaan en zelf achterbleef om de omgeving in alle eenzaamheid in zich op te nemen.

foto auteur

“… een blauw waas overdekt hemel en bergen…” (Foto auteur, 2014)

Journalist en auteur J.B. Schuil, die in 1927 op het cruiseschip Monte Olivia naar Noorwegen reisde, beschrijft in het Haarlem’s Dagblad hoe hij met een groep wandelaars de Kjenndal gletsjer bereikte. “Het is het meest woeste berglandschap dat men zich denken kan. […] Torenhoog liggen de ijsmassa’s hier opgestapeld, in de meest grilligen vorm, gekarteld, getand, massief, als witte granietblokken met spleten en scheuren van opaal-blauwe kleur. O, die wonder-blauwe kleur van het gletscher ijs! Nooit zag ik ze zoo intens, zoo diep, zoo sprookjesachtig mooi […]”.

Kjenndalsbreen, foto Karalan, cc by 2.0

Kjenndalsbreen in 2008. (Foto Karalan, CC-BY-2.0)

Middernachtzon

Eenzelfde ontzagwekkende ervaring hadden de reizigers op de Monte Cervantes toen zij op 24 juli 1929 bij de Lofoten de middernachtzon aanschouwden. Van nacht kan men hier niet spreken, had P.J.W. al eens genoteerd, want het blijft maar steeds licht en helder. Tegen elf uur die avond was van de ondergaande zon nog steeds een goudrode streep zichtbaar achter een lage bergketen. Drie kwartier later steeg plotseling achter de bergen langzaam en statig de middernachtzon omhoog. De zon zette het lage deel van het uitspansel “in een ontzaggelijken vuurgloed die helle stralen uitzond naar omhoog, alsof duizenden brandende vuurgele fakkels het hemelgewelf wilden verlichten.” De passagiers keken een uur lang met ingehouden adem naar het tafereel. “Niemand sprak een woord, en een ieder was diep getroffen door die oneindige goudroode uitgestrektheid aan de kim, welke steeds maar grooter en grooter werd, en zich als een reusachtige groote waaier verspreidde aan het diepblauwe uitspansel.”

Onbedorven en gelukkig

Het landschap imponeerde, maar wat vonden de Nederlandse toeristen van de inwoners van dit land? Het Noorse volk is kalm en ingetogen, noteert P.J.W. De schaarse bewoners van de eilanden voor de kust zwaaien hen toe met hoeden, petten, vlaggetjes en zakdoeken. Ze ontlokken P.J.W. een mijmering over wie nu het gelukkigst is. Zijzelf op de grote oceaanstomer, die gewend zijn in weelde te leven, of de Noorse vissers en schaapherders die nagenoeg van de bewoonde wereld zijn afgesneden. “Hoe of de menschen daar kunnen blijven bestaan en leven is voor mij een raadsel, mijlen en mijlen verwijderd van beschaving en communicatie-middelen…”.

Brislingfiske_Jelsa_A.B. Wilse, 1912

Vissers bij Jelsa in 1912. (Norsk Folkemuseum, foto Anders Beer Wilse)

P.J.W. is ervan overtuigd dat de gezichten van de Noren nog trekken vertonen van de Vikingen, hun “oeroude voorvaderen, die woeste en moedige trotseerders der zeeën”. Geheel in de geest van zijn tijd, waarin veel belangstelling was voor de ‘volksaard’ van de bewoners van een land, geeft P.J.W. het karakter van de Noren weer. Ze zijn volgens hem ruw, onbeschaafd bijna, maar “met een hart in het lijf”. De Noren hebben een heldere blik en hij ontwaart in de blauwe ogen van met name kinderen een bovennatuurlijke glans. Daarin zou te zien zijn dat ze nog niet bedorven zijn door de moderne samenleving. Alles aan de Noren is waarheid, aldus onze verslaggever. Hun gelaatsuitdrukking, manieren en handbeweging zeggen alles: kortaf, maar recht en ferm.

Subliem landschap

De reizigers ervaren het natuurschoon als overweldigend en de Noren als eenvoudig van geest en oprecht van gemoed. De nieuwe generatie toeristen is daarmee erfgenaam van de onderzoekende Europeanen die vanaf de achttiende eeuw de wereld verkenden en in nieuwe kaders plaatsten. Het beeld van de Alpen was al gekanteld. De bergen waren niet langer afschrikwekkend, maar juist aantrekkelijk. Ook Noorwegen was om die reden een reisdoel op zich geworden. In de citaten uit de reisverslagen herkennen we romantische principes van onpeilbaarheid, onregelmatigheid, verrassing en spanning en de angst die dit alles tegelijkertijd oproept. P.J.W. noemt Noorwegen “zeer zeker” romantisch en vindt het dan ook niet verwonderlijk dat Noorse dichters er hun sagen dichtten, dat Grieg er zijn Noorse composities schreef en dat de mystieke literatuur van Ibsen er het levenslicht zag.

Molde, foto Karsten Köhler 2, 2008, CC-BY-ND-2.0

De kust bij Molde in 2008. (Foto Karsten Köhler, CC-BY-ND-2.0)

Voor sommigen, onder wie koningin Wilhelmina, had het sublieme landschap een religieuze dimensie. Alle elementen in het Noorse landschap vertellen volgens haar “het verhaal van een machtige schepping, waarbij de mens zich zo nietig gaat voelen en stil wordt. […] Hoe dicht nadert de mens zijn Schepper in die omgeving.” P.J.W. en zijn medepassagiers ervaren bij de middernachtzon iets soortgelijks. Hij beschrijft hoe ze na het fenomeen een uur lang te hebben gadegeslagen stil naar hun hutten gaan, alsof ze een kathedraal verlaten waar ze door een hogere macht herinnerd zijn aan de nietigheid van de mens. Juist in een tijd waarin men door techniek en wetenschap de wereld steeds meer leek te begrijpen, ging er van dergelijke ervaringen in de natuur een grote aantrekkingskracht uit. Terwijl het dagelijks leven gelijkvormiger werd, was er ook een verlangen naar een leven dat betekenis kreeg door een diepere ervaring. P.J.W. spiegelt zichzelf en zijn passagiers aan de eenvoudige vissers die vanaf de eilanden naar hen zwaaien. Hij ziet hen als “eenvoudigen van geest, die door hun allersoberste levenswijze zich hebben aangepast en verzoend met het lot dat hun voor jaren en jaren is beschoren” en meent dat zij zich een stuk gelukkiger zullen voelen dan een deel van zijn reisgenoten, die zich verveeld bewegen in hun wereld van weelde.

Met zijn ongerepte natuur en bewoners leek Noorwegen zo’n honderd jaar geleden de ultieme romantische reisbestemming. Was er dan helemaal niets mis met het land? Eén minpuntje noteerde P.J.W. nog wel. In de havensteden stonk het vreselijk. Met een aflandige wind verspreidden de stokvispakhuizen en traankokerijen hier een uiterst onaangename visgeur. Landschap en bewoners mochten dan zo hun aanlokkelijkheden hebben, het parfum was in Noorwegen niet uitgevonden.

Bronnen:
Koninklijke kunstenaars; Wilhelmina, schilderen en tekenen, op website www.hethuisvanoranje.nl.
J.B. Schuil, Met de reisvereeniging naar Noorwegen, in: Haarlem’s Dagblad 17-8-1927 (geraadpleegd via Krantenviewer Noord-Hollands Archief).
Joachim von der Thüsen, Het verlangen naar huivering; over het sublieme, het wrede en het unheimliche, Amsterdam 1997.
P.J.W., Reisbrieven van een oud-Vlissinger I-VIII, in: Vlissingsche Courant 27-7-1929, 29-7-1929, 1-8-1929, 6-8-1929, 7-8-1929, 9-8-1929, 10-8-1929, 12-8-1929 (geraadpleegd via Krantenbank Zeeland, ZB| Planbureau en Bibliotheek van Zeeland).
Wilhelmina prinses der Nederlanden, Eenzaam maar niet alleen, Amsterdam 1959.

Advertenties

Een Nederlandse toevluchtshaven voor de Noorse aartsbisschop

Het was een grote vloot die in de zomer van 1536 op de rede van Veere voor anker lag. Op de kades van de Zeeuwse stad was het een en al bedrijvigheid. Bemanningsleden werden gemonsterd en voorraden eten, drinken en munitie aan boord gebracht. De schepen werden in gereedheid gebracht om uit te varen naar het Noorden. Maar toen wijzigden plotseling de plannen. Twee schepen werden afgezonderd en gesommeerd naar Noorwegen te varen om daar de Noorse aartsbisschop in veiligheid te brengen.

Strijd tussen de Deense koning en de Noorse aartsbisschop

Wat was er aan de hand? In 1523 was de Unie van Kalmar, waarin Denemarken, Noorwegen en Zweden sinds 1397 verenigd waren, uiteengevallen. Zweden was een onafhankelijke staat geworden en Denemarken en Noorwegen waren als één koninkrijk verdergegaan. De koning van Denemarken, Christiaan II, was al eerder in het nauw geraakt en vluchtte naar de Nederlanden. De Deense troon werd met succes opgeëist door Frederik, hertog van Holstein, die veel sympathie koesterde voor de theologische opvattingen van Luther. Het lukte hem al snel om vrijwel alle edellieden in het zuiden van Noorwegen aan zijn zijde te krijgen. Daarop begon hij in Noorwegen met het onteigenen van bezittingen van de katholieke kerk en plaatste hij loyale Denen op strategische posities.

Aan het hoofd van de katholieke kerk in Noorwegen stond aartsbisschop Olav Engelbrektsson. Hij was tevens voorzitter van de Riksråd (Rijksraad), die samen met de koning het Noorse rijk bestuurde. Engelbrektsson zag de positie van de katholieke kerk en de autonomie van Noorwegen bedreigd door de machtsaspiraties van de protestantse Deense koning. Hij voorzag zich van soldaten en oorlogsschepen, liet een fort (Steinvikholm) bouwen in de Trondheimfjord en zocht steun bij de naar de Nederlanden gevluchte Christiaan II, die zich op zijn beurt had gewend tot de Habsburgse keizer Karel V. Het mocht niet baten. De Deense troepen bereikten in 1532 Trondheim, waar ze het aartsbisschoppelijk paleis platbrandden. Daarna restte de Noorse aartsbisschop weinig meer dan trouw te zweren aan de Deense koning Frederik I.

steinvikholmen, foto Frode Inge Helland, cc by 3.0

Steinvikholm, de versterking voor de kust bij Trondheim die Olav Engelbrektsson liet bouwen. (Foto Frode Inge Helland, CC BY 3.0)

Na de dood van Frederik in 1533 ontstond onenigheid over zijn opvolging. In Denemarken brak een burgeroorlog uit. Frederiks zoon, die eveneens luthers was, wierp zich op als koning Christiaan III. Een belangrijk deel van de Noorse Riksråd en zelfs verscheidene Noorse bisschoppen stelden zich aan de zijde van de nieuwe Deense vorst. Tot groot ongenoegen van Engelbrektsson, die zijn hoop nu richtte op Frederik van de Palts, die door Karel V naar voren was geschoven als gegadigde voor de Deense troon. Inmiddels kalfde de steun voor Engelbrektsson onder de Noorse adel af, vooral nadat hij een edelman zonder deugdelijk proces op de brandstapel had laten brengen. In de laatste dagen van 1535 waren de vertegenwoordiger van de Deense koning in Noorwegen, Vincens Lunge, twee Deense commandanten en de Noorse bisschoppen in Trondheim gearriveerd voor een ontmoeting met Engelbrektsson. Deze had het vuurtje onder zijn aanhangers flink opgestookt en dat bleef niet zonder resultaat. Op 3 januari vermoordden zij Lunge, de belangrijkste Deense bestuurder in Noorwegen. Ook de twee Deense commandanten waren niet veilig. Zij werden in opdracht van Engelbrektsson gearresteerd, evenals de Deensgezinde bisschop van Oslo. Een poging van Engelbrektsson om een aantal strategische forten te bezetten en zijn staatsgreep zo af te maken, mislukte.

Christian_III_of_Denmark

Portret van koning Christiaan III van Denemarken.

Engelbrektsson bood daarop aan de nieuwe Deense vorst te erkennen. Natuurlijk hoopte hij zo het vege lijf te redden, maar vermoedelijk wist hij ook dat op dat moment in de Nederlanden een vloot werd uitgerust om Kopenhagen te veroveren en zo de weg vrij te maken voor Frederik van de Palts als koning van Denemarken en Noorwegen. Dit was de vloot die in de zomer van 1536 bij Veere in gereedheid werd gebracht. Maar nog voordat de schepen hun ankers hadden gelicht, viel Kopenhagen en werd Christiaan III de onbetwiste heerser over Denemarken. Hij voerde meteen het lutherse geloof in en beschouwde Noorwegen niet langer als een zelfstandig koninkrijk, maar als een provincie van het koninkrijk Denemarken.

West-Friese schepen naar Trondheim

Onder de protestantse koning was de positie van de Noorse aartsbisschop onhoudbaar. Engelbrektsson zond twee vertrouwelingen naar de Nederlanden om Maria van Hongarije, de zuster van Karel V en landvoogdes over de Nederlanden, te vragen hem te ontzetten. Zij beval om twee schepen uit de vloot bij Veere, die bedoeld was geweest om Kopenhagen te bevrijden, in gereedheid te brengen. De schippers Clais Jacobszoon Blauhulck en Pieter Symonszoon Maeckschoon, beiden afkomstig uit Enkhuizen, werden aangewezen om de reis te maken. Met de winter op komst was dit een veel gevaarlijkere reis dan de tocht naar Denemarken die hun in het vooruitzicht was gesteld. Na enig onderhandelen over het bedrag dat ze zouden ontvangen, vertrokken de schepen dan toch richting Trondheim. De Blauhulck en de Christoffel van Enkhuizen – vermoedelijk twee driemasters – hadden elk 83 man aan boord. Een kleiner schip, de Boeier van Enkhuizen, met 6 man voegde zich bij hen. Dit schip zou vooropgaan om de gevaarlijke Noorse kustwateren te verkennen. De Noorse edelman Christopher Trondsson – een van de twee vertrouwelingen die Engelbrektsson naar de Nederlanden had gezonden – voerde het bevel over de kleine vloot.

driemaster voor anker bij een stad, gravure, prent Frans Huys, 1561-1565, coll. Rijksmuseum, RP-P-1889-A-14427_1

Driemaster voor anker bij een stad. Gravure, ca. 1561-1565. (Collectie Rijksmuseum)

Engelbrektsson had zich verschanst in zijn fort Steinvikholm. Daar kwamen de schepen begin november 1536 aan. Omdat een groot deel van de reis over open zee ging en deze in de winter te gevaarlijk was om over te steken, was een terugkeer op dat moment niet meer mogelijk. Er zou tot het voorjaar gewacht moeten worden. Engelbrektsson had de grootste moeite om de bemanning al die maanden uit te betalen en van voedsel te voorzien. Mogelijk was het lange oponthoud de reden voor een muiterij die eind 1536 uitbrak. Deze werd neergeslagen en de aanstichters werden gestraft. Op 1 april 1537 – Paaszondag – vertrokken de drie schepen eindelijk uit de haven van Trondheim. Aan boord Olav Engelbrektsson, in gezelschap van de aartsbisschoppelijke archieven en de kerkschatten die hij uit de Nidarosdomkerk in Trondheim en andere kerken had laten ophalen. Daaronder bevonden zich gouden en zilveren kelken en borden, dure liturgische kleding en twee kronen. Ook bracht hij belangrijke relieken in veiligheid: de bijl, drinkbeker en kam van Sint Olav, de tot het christendom bekeerde en in 1164 heilig verklaarde Vikingkoning Olav II. De schrijnen met de stoffelijke resten van Sint Olav bleven achter. Misschien was de aartsbisschop ervan overtuigd dat hij zou terugkeren?

trondheims domkerk, ca. 1850, houtsnede, gemeentearchief trondheim

Nidarosdomkerk van Trondheim omstreeks 1850. Houtsnede. (Collectie Gemeentearchief Trondheim, CC BY 2.0)

Toevlucht in Lier

De schepen kwamen begin mei 1537 in Enkhuizen aan. De kerkschatten en andere goederen werden naar Deventer gebracht. Engelbrektsson zou er zijn schulden mee hebben willen aflossen bij kooplieden aldaar. Zelf vertrok de verdreven aartsbisschop naar Lier, in de Zuidelijke Nederlanden, waar ook Christiaan II zijn toevlucht had gezocht. Het lijkt erop dat Engelbrektsson daar voorbereidingen trof voor een terugkeer naar Trondheim. Zover kwam het echter niet. Olav Engelbrektsson overleed op 6 februari 1538. Hij werd begraven onder het hoogkoor van de Sint-Gummaruskerk in Lier. De Noorse kerkschatten kwamen in handen van Frederik van de Palts, die ze zeer waarschijnlijk liet omsmelten om met het edelmetaal zijn troepen te financieren. De aartsbisschoppelijke archieven zijn wel gered. Ze werden begin negentiende eeuw teruggevonden in München en overgebracht naar bewaarplaatsen in Noorwegen, Denemarken en Zweden. Ze vormen nu de belangrijkste bronnen voor de middeleeuwse geschiedenis van Noorwegen.

Een held

Vijfhonderd jaar na zijn vlucht werd ook Engelbrektsson zelf gered van de vergetelheid. Al in 1814 had Noorwegen zich losgemaakt van Denemarken en toen in 1905 een einde kwam aan de unie met Zweden, werd Noorwegen een autonome staat. Zo’n jonge natie had helden nodig om het identiteitsbesef te schragen. En dus werd de herinnering aan de middeleeuwse aartsbisschop afgestoft. Was het immers niet Engelbrektsson geweest die de zelfstandigheid van Noorwegen tot op het laatst had verdedigd? Terwijl iedereen om hem heen zich al achter de Deense koning had geschaard, had Engelbrektsson fier standgehouden.

Interior_of_the_church_of_Saint_Gummarus,_Lier,_Belgium, foto Eddy Van 3000, cc by 2.0

Interieur van de Sint-Gummaruskerk in Lier. (Foto Eddy van 3000, CC BY 2.0)

Tijdens een officieel bezoek aan België in 2003 onthulde de Noorse koningin Sonja in de Sint-Gummaruskerk in Lier een gedenkplaat voor de laatste Noorse aartsbisschop. Ook werd een opera aan hem gewijd. Om het jaar wordt dit muziekstuk op lange zomeravonden uitgevoerd bij fort Steinvikholm. Terwijl het koor Karel V aanroept en om hulp vraagt, vertrekt Engelbrektsson dan in de slotscène naar de Nederlanden.

Bronnen:
Louis Sicking, New light on the flight of the archbishop Olav Engelbrektsson: a watershed in Norwegian history, in: Louis Sicking e.a. (red.), Dutch light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 13-41.
P.C.M., Procedure over goederen van den aartsbisschop van Drontheim, in: Overijsselsche almanak voor oudheid en letteren 1850, 15 (Deventer 1849), 1-29.
Noors nationale schat verdween naar Deventer, op website Universiteit Leiden.

Bunad: streekdracht tussen historische precisie en rijke fantasie

Veel Noren hebben het kostuum in hun kast hangen: de bunad. Het verbindt hen met hun familie, de streek waar hun familie vandaan komt en met hun land. De trotse bezitters trekken hun bunad aan op hoogtijdagen van de familie en op 17 mei, de nationale feestdag van Noorwegen. De bunad is een kostbaar kostuum met een grote historische betekenis, maar veel minder oud dan je misschien zou denken.

17 mai in Trondheim, bunad Trøndelag, 2008, foto Sigmund, cc by 2.0

Vrouwen in de bunad van Trøndelag tijdens de 17 mei viering in Trondheim. (Foto Sigmund, CC BY 2.0)

Nationale romantiek

Het model van de kledingstukken, de stoffen en het kleurgebruik van de bunads doen denken aan de traditionele streekdrachten die op het Noorse platteland werden gedragen. In sommige gebieden verdween deze traditionele kleding pas in de loop van de twintigste eeuw. In andere regio’s was dit proces al vóór het midden van de negentiende eeuw volop gaande. Juist in die tijd gingen stedelingen anders kijken naar het platteland – een ontwikkeling die zich elders in Europa ook voordeed. De snelle maatschappelijke veranderingen als gevolg van de opkomst van de industrie en nieuwe communicatiemiddelen bracht met name onder de stedelijke burgerij een behoefte teweeg aan stabiliteit en continuïteit. Die vond men in de oude boerensamenleving die al eeuwen onveranderd leek. Elementen daaruit werden salonfähig gemaakt. Kunstenaars wierpen zich in hun ateliers op de ruige natuur, de vaak grove vertellingen uit de volkscultuur gingen door een literair filter en volksmuziek werd omgezet in verfijndere muziekstukken. Ook de belangstelling voor streekdrachten groeide. In toneel- en dansvoorstellingen traden mensen in gereconstrueerde oude kostuums op en tentoonstellingen presenteerden de traditionele kleding als museumstukken. Ook kunstschilders die werkten in de stijl van de nationale romantiek – een nieuwe kunststroming in die tijd – beeldden mensen in traditionele plattelandskledij af.

Adolph_Tidemand_-_Portrait_of_Gunild_Olsdatter_from_Tinn_-1848_Google_Art_Project_1

Geschilderd portret van Gunild Olsdatter door Adolph Tidemand, 1848.

Hardanger levert de nationale dracht

Vrouwen uit de burgerij gingen als eerste bij feestelijke gelegenheden een streekdrachtkostuum dragen. Dat waren geen oude kledingstukken, maar een nieuw ontworpen kostuum. Dit was geënt op de streekdracht uit Hardanger, de regio die ook in de nationaal-romantische kunststroming veruit favoriet was. Zo’n nieuw kostuum werd een ‘bunad’ genoemd. Een belangrijke rol bij de verspreiding van de bunad speelden de vrijzinnige volkshogescholen, die juist in die tijd werden opgericht. Leerlingen leerden op school een eigen bunad te naaien. De Hardangerbunad werd in die jaren omgevormd tot de nationale dracht van Noorwegen.

A Hardanger girl Hardanger Fjord Norway

Portretfoto van jonge vrouw in Hardanger kostuum. (CC BY 2.0)

Een bunad was Noors genoeg als hij bestond uit een zwarte rok met een rood lijfje en een geborduurde beuk daarin. De hemden met lange mouwen die daaronder werden gedragen, varieerden van modeblouses en nachthemden tot geborduurde hemden zoals vrouwen in Hardanger die droegen. Het borduurwerk was soms identiek aan het borduurwerk van het Hardanger kostuum, maar kon ook zijn gemaakt naar patronen die op dat moment in de burgermode populair waren. De toeristenindustrie gaf een impuls aan het succes van de (Hardanger)bunad, onder meer doordat er veel postkaarten verschenen waarop meisjes in dit kostuum waren afgebeeld. De bunad raakte ook in zwang als kleding voor serveersters in cafés.

17 mei 1914, coll. Nasjonalbiblioteket

17 mei optocht in 1914 met meisjes in Hardangerbunad. (Collectie Nasjonalbiblioteket Oslo)

Politieke betekenis

In de late jaren 1880 kreeg de bunad ook politieke betekenis. Hij werd het symbool van het streven naar een autonome Noorse staat. Sinds 1814 was Noorwegen in een unie verenigd met Zweden en vóór die tijd had het land meer dan vierhonderd jaar onder Deense heerschappij gestaan. In de laatste decennia van de negentiende eeuw groeide het verzet tegen de unie. De Noorse nationalistische beweging voerde een felle campagne voor een onafhankelijke Noorse staat, die er in 1905 ook daadwerkelijk kwam, en voor alles wat specifiek Noors heette te zijn. Daaronder de bunad. Voorstanders van de unie met Zweden beschouwden het dragen van een bunad als een opstandige daad. De reacties waren heftig; meisjes in bunad werden zelfs bespuugd. In de Tweede Wereldoorlog werd de bunad als nationaal symbool ook omarmd door Noren die het nazisme waren toegedaan. Maar de populariteit van de bunad leed er niet onder en na de oorlog was hij opnieuw een krachtig symbool van de Noorse nationale identiteit. Voor het laatst werd hij als politiek (ex)pressiemiddel gebruikt bij de referenda over het lidmaatschap van de Europese Economische Gemeenschap (1972) en de Europese Unie (1994), waartegen een meerderheid van de Noren in beide gevallen nee zei.

Noors alternatief voor de Europese mode

Een actieve propagandiste voor de bunad was de Noorse schrijfster Hulda Garborg (1862-1934). Zij maakte zich in het algemeen sterk voor het Noorse cultuurgoed en was onder meer actief op het terrein van theater en volksdans. Gebaseerd op een traditioneel kostuum uit Valdres ontwierp Garborg in 1914 een compleet nieuw kostuum. Ze veranderde de snit en nam het borduurwerk van een oude fluwelen hoed als uitgangspunt voor de versiering. Mede dankzij dit populaire kostuum raakten steeds meer stedelingen geïnteresseerd in kostuums die op traditionele kleding waren gebaseerd. Garborg wilde een alternatief neerzetten voor de modejaponnen uit Parijs en Rome, die gemeengoed waren geworden. Haar op traditie gebaseerde kleding moest met de hand zijn gemaakt van wollen stoffen die in Noorwegen waren geweven en gekleurd met verfstoffen van in Noorwegen voorkomende planten. Garborg wilde wel dat de traditie zich zou vernieuwen. De nieuwe kostuums moesten geen overblijfsel zijn van een oude volkscultuur, maar innovatief en modern. Een andere voorvechtster van de bunad was Klara Semb (1884-1970), die actief was in de jeugdbeweging en er daardoor mede voor zorgde dat de bunad in brede kringen werd verspreid.

no-nb_sml_ 1830

Hulda Garborg. (Collectie Nasjonalbiblioteket Oslo)

In de jaren 1920 kwamen de bunads geleidelijk meer in gebruik en werden er in veel gebieden ook nieuwe gecreëerd, zo mogelijk met elementen uit de oude drachten. Lokaal wierpen zich experts op, die aan de basis stonden van de nieuwe bunads, en het leren naaien van een eigen bunad ging op meer scholen deel uitmaken van het (meisjes)onderwijs. Begin jaren veertig ontstond ook een daagse bunad, een kostuum dat elke dag gedragen kon worden, en ook een dergelijk kostuum zou in grote delen van het land in gebruik raken.

Nieuwe inspiratie

Na de Tweede Wereldoorlog raakten Garborgs opvattingen op de achtergrond. Het werd nu belangrijk gevonden dat de kostuums historisch verantwoord waren en verbonden met lokale tradities. Musea en volkskundigen deden al langer onderzoek naar de kleedgewoonten in de verschillende regio’s. Het Norsk Institutt for Bunad og Folkedrakt verzamelt de documentatie en zet zich in voor de ontsluiting ervan. Systematisch onderzoek naar de oude streekdrachten leverde veel nieuwe kennis op en die werd het startpunt voor nieuwe bunads. Rosemaling (een schildertechniek), borduurwerk en ander traditioneel handwerk leverden bovendien nieuwe inspiratie.

bunad, mogelijk telemark, cc by 2.0, foto Bosc d'Anjou

De meeste bunads zijn rijk aan kleur en versiering. (Foto Bosc d’Anjou, CC BY 2.0)

De meeste gebieden hebben nu hun eigen bunad, zelfs als van de traditionele kleding weinig of niets meer bekend was. Soms waren van de oude streekdracht nog onderdelen overgeleverd, bijvoorbeeld in museumcollecties, of bestond er nog informatie over. De bunad kon dan gereconstrueerd worden. Was door gebrek aan informatie niet het hele kostuum te reconstrueren, dan ontwierp men nieuwe elementen die goed bij de andere kledingstukken pasten. Sommige bunads zijn zelfs helemaal nieuw ontworpen. Was er niets meer bekend over de lokale traditionele kleding dan konden andere zaken een inspiratiebron zijn voor het nieuwe kostuum: een oud geborduurd beursje bijvoorbeeld of zelfs planten en dieren uit de omgeving.

Young_girls_in_bunad, Akershus, foto Elin, cc by 2.0

Jonge vrouwen in diverse bunads, Akershus, (Foto Elin, CC BY 2.0)

Kostbaar kostuum

Vandaag de dag telt Noorwegen 400 tot 500 verschillende bunads. Een flink aantal mensen maakt de bunad of die voor familieleden zelf. Sommige kostuumonderdelen worden van generatie op generatie doorgegeven. Ook zijn er ateliers waar iemand een bunad op maat kan laten maken. Daarmee zijn weken, zo niet maanden werk gemoeid. Zo’n handgemaakt kostuum kost omgerekend enkele duizenden euro’s.

Haugesund_1

Interieur van winkel en naaiatelier in Haugesund, waar de lokale bunad kan worden aangeschaft.

Zo’n 60 tot 70 procent van de Noorse vrouwen en ook een groot aantal mannen bezit nu een bunad. Ze trekken het kostuum aan op bijzondere dagen die in familiesfeer worden gevierd, bijvoorbeeld bij doop- en huwelijksfeesten, als jongeren belijdenis in de kerk doen en bij het kerstfeest. Ook op 17 mei, de nationale feestdag van Noorwegen, komt het kostuum uit de kast. Dan trekken feestelijke optochten met muziek, vlagvertoon en mensen in bunad door de straten om te herdenken dat Noorwegen op die dag in 1814 een eigen grondwet kreeg. Voor alle trotse bezitters is de bunad niet weg te denken uit hun leven. Hij bevestigt hun identiteit en verbindt hen met hun familie, streek van herkomst en hun land. Hulda Garborg, die een Noors antwoord wilde geven op de Europese confectiemode, kan tevreden zijn.

Bronnen:
Bjørn Sverre Hol Haugen (red.), Bunad; Norsk Bunadleksikon, alle bunader og Samiske folkedrakter, Oslo 2013.
Kari-Anne Pedersen, Folkedrakt blir bunad, Oslo 2013.
Siw Ellen Jakobsen, When rebels dressed in national costumes, op de website www.sciencenordic.com.
The Norwegian Institute of bunad and folk costume (Norsk institutt for bunad og folkedrakt), op de website www.bunadogfolkedrakt.no.

Kijk voor afbeeldingen van bunads en oude Noorse streekdrachten ook eens op het pinterestbord Streekdracht en bunad van Bryggen. Aan dit bord worden regelmatig nieuwe afbeeldingen toegevoegd.

Noorse kersttradities

Of het nu kleurige papieren kerstmandjes zijn, de kerstboom die twee dagen voor kerst zingend wordt binnengehaald of de overvloedige hoeveelheid eten die op de kersttafel prijkt, ze dragen allemaal bij aan het welslagen van de juletid (kersttijd) in Noorwegen. Ook Nederlanders weten gewoonlijk goed kerst te vieren, maar Noorwegen lijkt nog rijker aan kersttradities. Hoe ziet een traditioneel Noors kerstfeest eruit? En wat zegt dat over de cultuur en mentaliteit van de Noren? Waarbij we overigens meteen aantekenen dat er ongetwijfeld heel wat Noren zijn die niet aan alle tradities meer gehoor geven.

Het grote aftellen

De aanloop naar kerst begint ergens in november. Op veel plaatsen in Noorwegen ligt dan al sneeuw en in het noorden zijn de dagen kort. In deze tijd organiseren bedrijven, kerken, scholen en verenigingen de eerste feestelijke kerstbijeenkomsten. Aan het eind van november wordt in de steden de kerstverlichting ontstoken, hetgeen veelal met het nodige ceremonieel gepaard gaat.

Kerst in de Storgata in Drøbak, 2012. (Foto Frogn Kommune, CC BY SA 2.0)

Kerst in de Storgata in Drøbak, 2012. (Foto Frogn Kommune, CC BY SA 2.0)

Als dan vier zondagen voor kerst de Adventstijd aanvangt, begint het grote aftellen met Adventkalenders en de vier Adventkaarsen, waarvan er elke zondag één meer wordt aangestoken. Vaak worden op eerste Advent de lichtjes ontstoken in de grote kerstboom op de centrale pleinen in de steden. In sommige steden verzamelen de bewoners zich dan op het plein, dansen ze hand in hand in een wijde kring om de boom en zingen ze daarbij liedjes. Een tafereel dat wij ons in Nederland niet kunnen voorstellen. Het is een uiting van een gevoel deel uit te maken van een gemeenschap. Deze tijd is ook de tijd van de kerstconcerten en de viering van Luciadagen (Sint-Luciadag) op 13 december.

Nissefest

Voor de jonge kinderen is er in deze weken op scholen het nissefest, een feest met een hoofdrol voor de kabouter die in de Noorse volkscultuur een belangrijke plaats inneemt. De kinderen gaan gekleed in rood met witte pakjes, dansen rond de kerstboom en zingen liedjes om de julenisse (letterlijk: kerstkabouter) te vragen binnen te komen. En die heeft natuurlijk een zak met traktaties bij zich: chocolade, mandarijntjes, noten of kleine cadeautjes.

Julenisse op een kerstmarkt in Øvrebyen (Kongsvinger), 2009. (Foto Kongsvinger kommune)

Julenisse op een kerstmarkt in Øvrebyen (Kongsvinger), 2009. (Foto Kongsvinger kommune)

Zelfgemaakte decoraties

In de weken voorafgaand aan kerst zoeken familieleden, buurt- en dorpsbewoners elkaar op om kerstdecoraties te maken. Zelden ontbreken daarbij de julekurver (kerstmandjes), kleine mandjes in de vorm van een hartje gemaakt van ingenieus geweven strookjes papier. Maar ook zelfgemaakte slingers, kaarten, beschilderde dennenappels, boomdecoraties, kremmerhus (tot hoorntjes gevouwen papier om snoep in te doen) en van wol en vilt gemaakte julenissen zijn niet weg te denken uit Noorse huizen in kerstsfeer. Het in gezins- of buurtverband maken van kerstdecoraties bevestigt opnieuw de gemeenschappelijke band en met alle tijd en moeite die ermee gepaard gaan, laat het ook zien hoeveel betekenis aan het vieren van kerst wordt gehecht. Het zijn de kleine dingen die ’t ‘m doen: de kaarsjes op tafel, de lichtjes bij de voordeur, de zelfgemaakte decoraties.

Kerstversiering hoort in Noorwegen eigenlijk met de hand gemaakt te zijn. Wie daarvoor geen tijd heeft, kan terecht in de winkels, waar een overvloed aan fabrieksmatig vervaardigde decoraties wordt verkocht met een homemade look. Waren rood en wit vroeger de kerstkleuren bij uitstek, die voorkeur is aan het verschuiven naar meer natuurlijke tinten bruin en grijs, onder invloed van de aan populariteit winnende landelijke interieurstijl. Ook is er een voorkeur voor natuurlijke materialen zoals stro, vilt, berkentakken en -bast. Rendieren, engelen en harten zijn de favoriete af te beelden figuren, naast traditionele borduur- en breimotieven. De rustieke patronen en ruige, natuurlijke materialen worden gecombineerd met het fijnste linnen tafellaken, delicate kristallen glazen en het allermooiste porseleinen tafelservies. Een Noorse kerst is er een van discrete luxe, zoals een in Noorwegen wonende Australische waarneemt.

Julebukk, een van de oudste Scandinavische kersttradities. Hij was aanvankelijk de geest van de winternachten die kwam inspecteren of alle voorbereidingen voor de kerst goed getroffen waren. In de negentiende eeuw ontwikkelde hij zich tot de brenger van cadeautjes, de voorloper van Santa Claus. (Foto Nenyaki, CC BY ND 2.0)

Julebukk, een van de oudste Scandinavische kersttradities. Hij was aanvankelijk de geest van de winternachten die kwam inspecteren of alle voorbereidingen voor de kerst goed getroffen waren. In de negentiende eeuw ontwikkelde hij zich tot de brenger van cadeautjes, de voorloper van Santa Claus. Nu is hij voornamelijk nog als kerstdecoratie te zien. (Foto Nenyaki, CC BY ND 2.0)

Kerstavonden

De avond van 23 december is lille julaften (kleine kerstavond). Dit is traditioneel de avond waarop de kerstboom wordt binnengehaald en versierd. De slingers, ballen, klokjes en de zelfgemaakte decoraties krijgen een plekje, evenals de verlichting. En in veel Noorse kerstbomen ontbreken Noorse vlaggetjes niet. De feestelijkheden gaan gepaard met het drinken van chocolademelk en het eten van speciaal gebakken kerstkoekjes.

Noorse vlaggetjes in de kerstboom. (Foto How I See Life, CC BY 2.0)

Noorse vlaggetjes in de kerstboom. (Foto How I See Life, CC BY ND 2.0)

Een dag later, op 24 december, begint het echte kerstfeest. Om vier uur ’s middags luiden de kerkklokken voor de eerste kerstdiensten. En daarna begint thuis voor de meeste Noren julaften (kerstavond). Eerst wordt een kerstmaaltijd genuttigd, daarna volgt een feest vergelijkbaar met de Nederlandse pakjesavond, waarbij liedjes worden gezongen en de julenisse volgens traditie cadeautjes brengt. Die stelt de onvermijdelijke vraag of er in het huis brave kinderen wonen. De overeenkomst met ons sinterklaasfeest is frappant. Beide zijn feesten van huiselijke gezelligheid.

Kerstdagen

Dat geldt ook voor eerste kerstdag, een dag die – met in het begin desgewenst een kerkdienst – veelal in gezelschap van familie en vrienden wordt doorgebracht en waarop spijzen en dranken rijkelijk vloeien. Tweede kerstdag wordt in gezinsverband besteed. Op beide kerstdagen gaat overigens overal de Noorse vlag in top.

Na tweede kerstdag gaat romjul in, de rustige periode tussen kerst en oud en nieuw. Voor veel Noren is dat een vakantieperiode die ze zo mogelijk in de buitenlucht doorbrengen met skiën en sleeën en barbecueën in de sneeuw. In de kersttijd gaan verklede kinderen – en soms ook volwassenen – huizen langs om bij de voordeur kerstliedjes te zingen en cadeautjes te geven en te krijgen.

Kerstboom met cadeautjes. (Foto Merete Velan, CC BY SA 2.0)

Kerstboom met cadeautjes. (Foto Merete Velan, CC BY SA 2.0)

De Noren doen er veel langer over dan de Nederlanders om de kerstsfeer achter zich te laten. Is het in Nederland een goed gebruik om de kerstboom uiterlijk met Driekoningen (6 januari) de deur uit te doen, in Noorwegen staat de boom tot twintig dagen na eerste kerst, dus tot 13 januari. Dan wordt de kerstversiering weggehaald en de boom van zijn decoraties ontdaan, in mootjes gehakt en in het haardvuur opgebrand.

Thuis en samen

In de manier waarop de Noren traditioneel het kerstfeest vieren, zien we hoe belangrijk het huiselijke aspect en het samenzijn met buurt- of dorpsgenoten in de Noorse cultuur is. Noren beseffen tot een gemeenschap te behoren en hebben tradities om dat besef te schragen. Ook met kerst. De verbondenheid met de familie en buurt- of dorpsgemeenschap komt tot uitdrukking in de gezamenlijke voorbereidingen, de publieke festiviteiten rond het ontsteken van de lichtjes en het zingend langs de deuren gaan. Het feest zelf vieren de Noren in de beslotenheid van hun familie. Het huis wordt met veel omhaal in kerstsfeer gebracht.  En er wordt veel tijd en aandacht besteed aan het bereiden van eten en drinken. Daarover volgende week in een nieuwe blog.

In het Noors zeggen we alvast: God jul!

Bronnen
Arnhild Knight, Heritage of home: traditions and recipes of a Norwegian Christmas, 2012.
http://www.mylittlenorway.com besteedt veel aandacht aan Noorse kersttradities.

 

Noorse kerstbomen voor vrede en vriendschap

In Gouda prijkt hij straks weer in al zijn pracht op de Markt. De kerstboom uit het Noorse Kongsberg. Ook andere steden in Nederland en Europa ontvangen elk jaar een kerstboom uit Noorwegen. Waar komt die traditie vandaan? En wat willen de Noren ermee zeggen?

Oorlog

Noorwegen begon na de Tweede Wereldoorlog met het schenken van kerstbomen aan andere landen waarmee het vriendschappelijke betrekkingen onderhield. Het land was toen nog een jonge natie. Als autonome staat bestond het pas sinds 1905. Dankzij een neutraliteitspolitiek was het buiten de Eerste Wereldoorlog gebleven en datzelfde streefden de Noren na toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Tevergeefs, de Duitsers bezetten het land. De koninklijke familie en regering weken uit naar Engeland. Ook de Noorse vloot werd in Engelse havens ondergebracht. Na de oorlog leken de Noren aanvankelijk weer voor een neutraliteitspolitiek te kiezen. Enigszins aarzelend aanvaardden ze de Marshallhulp. Maar weldra zette Noorwegen de eerste stappen naar de vorming van een militair bondgenootschap. Met de Scandinavische landen mislukte dat, maar Noorwegen was in 1949 een van de eerste landen die toetraden tot de NAVO. En de Noor Trygve Lie was sinds 1945 de eerste secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

Voorbereidingen in de bossen bij Oslo voor het omzagen van de boom die als geschenk naar Londen zal afreizen. (Foto Oslo kommune/Sturlason)

Voorbereidingen in de bossen bij Oslo voor het omzagen van de boom die als geschenk naar Londen zal afreizen. (Foto Oslo kommune/Sturlason)

Symbool van hoop

In deze jaren stuurde Noorwegen de eerste kerstbomen naar buitenlandse steden. In 1947 ging voor het eerst een Noorse fijnspar naar Londen, als dank voor de hulp tijdens de oorlog. Rotterdam viel in 1951 de eer te beurt. Oslo schonk Rotterdam een grote spar om hoop en steun te geven bij de wederopbouw van de stad, die in de oorlog zwaar getroffen was. Ook andere steden in Europa en de Verenigde Staten ontvingen eenzelfde geschenk. Een gebaar van hoop en vriendschap naar andere landen die – net na de Tweede Wereldoorlog – de betekenis van vrede, vrijheid en internationale solidariteit opnieuw aan het definiëren waren. En Noorwegen zelf benadrukte daarmee zijn nieuwe rol op het wereldtoneel.

Allengs raakte het verband met de oorlog op de achtergrond. Het uitdelen van de kerstbomen werd meer in het algemeen een uiting van vriendschap met andere landen en steden. Dat paste bij het kerstfeest dat zich in de twintigste eeuw in de westerse wereld ontwikkelde tot een feest van vrede en solidariteit.

trafalgar tree oslo, 19-11-2014, foto Oslo kommune, Sturlason

De boom voor Londen is door de burgemeesters van Oslo en Westminster omgezaagd en wordt onder het toeziend oog van schoolkinderen op een vrachtauto geladen. (Foto Oslo kommune/Sturlason)

Iele bomen uit Trondheim

Jarenlang ontving ook Amsterdam een kerstboom uit Noorwegen. De boom werd geplaatst voor het Paleis op de Dam. De stad Trondheim bood de boom voor het eerst in 1963 aan, als dank voor de vriendelijke wijze waarop Amsterdam het jeugdorkest Bispenhaugen uit Trondheim had ontvangen. Zo’n honderd jongens en meisjes waren eerder dat jaar voor een optreden naar Amsterdam gereisd, maar er was verzuimd onderdak voor hen te regelen. Alle hotels zaten vol, maar de gemeente regelde in allerijl toch slaapplaatsen. Jaar na jaar kwam er vanuit Trondheim een spar richting Amsterdam. Maar gaandeweg leek het wel of de gulle gevers wat minder nauw keken bij het uitzoeken van de boom. Die werd naar de mening van de Amsterdammers steeds lelijker. En toegegeven, uit foto’s blijkt dat ze niet helemaal ongelijk hadden. Het exemplaar van 1992 had zulke iele takken dat er geen lampjes in konden en dat uit 1999 leverde alleen in gezelschap van zes andere bomen nog een beetje volle aanblik. In het jaar 2000, toen de Dam toch al op de schop ging, gaf het Amsterdamse gemeentebestuur aan Trondheim te kennen geen nieuwe boom meer te willen ontvangen. Tegenwoordig komt de kerstboom op de Dam uit de Ardennen.

Vriendschapsbanden

De teleurstellende ervaring van de Amsterdammers daargelaten bezegelden de Noorse kerstbomen de vriendschapsbanden met andere landen en steden. Dat deden ook de jumelages (stedenbanden), die na de Tweede Wereldoorlog werden aangegaan. Ze waren gebaseerd op het idee dat toenadering en samenwerking tussen landen noodzakelijk zijn om de vrede te bewaren. Geen wonder dus dat de twee Nederlandse gemeenten die een jumelage met een Noorse stad hebben elk jaar een kerstboom uit Noorwegen ontvangen.

Gouda, 2007, foto Raymond Bosma, CC BY-ND 2.0

De kerstboom uit Kongsberg voor het stadhuis op de Markt in Gouda. (Foto Raymond Bosma, CC BY-ND 2.0)

Gouda en Kongsberg zijn sinds 1956 zustersteden en de Noorse stad levert sinds dat jaar de grote kerstboom die in Gouda op de Markt voor het stadhuis staat. De banden waren een aantal jaren eerder al gesmeed toen het Byorkester uit Kongsberg – alweer een orkest! – deelnam aan een muziekconcours in Gouda. Naar verluidt vroeg Gouda enkele jaren later zelf om een boom – een verzoek dat de Noren inwilligden. Sinds die tijd wordt de boom, die 18 tot 24 meter hoog is, medio november in de bossen bij Kongsberg omgezaagd, op een vrachtwagen geladen en vanuit de haven van Brevik per boot via een Engelse haven naar Rotterdam vervoerd om van daaruit op een dieplader naar Gouda te worden gereden. Op Kaarsjesavond, die in Gouda sinds 1958 wordt gevierd, worden de lichtjes in de boom ontstoken. Als dank gaf Gouda in 2005, toen ze voor de vijftigste keer een boom had ontvangen, een kerstboom van glazen pegels aan Kongsberg.

Ook Emmeloord pronkt in de kersttijd met een spar uit Noorwegen. De boom van ongeveer 10 meter hoog komt uit Ringerike, sinds 1970 partnergemeente van de gemeente Noordoostpolder. Ringerike ontvangt elk jaar tulpenbollen uit de Noordoostpolder. Ook schonk de Nederlandse gemeente een historisch anker aan de Noorse gemeente en omgekeerd zijn de zwerfkeien voor het museum in Schokland weer een geschenk uit Noorwegen.

Ceremonieel

Rond het omhakken van de boom en het ontsteken van de lichtjes groeiden verscheidene ceremonies, waarin de vriendschapsbanden tussen Noorwegen en Nederland telkens werden bezegeld. Vanuit sommige gemeenten reisde midden november de burgemeester of een andere afgevaardigde van het gemeentebestuur naar Noorwegen om er het omhakken van de boom bij te wonen. De ceremonie werd veelal opgeluisterd door zingende Noorse schoolkinderen. Omgekeerd kwamen delegaties uit Noorwegen naar Nederland om het ontsteken van de lichtjes bij te wonen.

zingende schoolkinderen oslo, trafalgar tree 2014, foto Oslo kommune, Sturlason

Zingende schoolkinderen bij het omhakken van de boom voor Trafalgar Square in de bossen bij Oslo, 2014. (Foto Oslo kommune/Sturlason)

De traditie is behalve in Amsterdam ook in Rotterdam gestopt. In 2013 kwam er voor het laatst een boom uit de bossen bij Oslo naar Rotterdam. De Noren, die behalve het omzagen ook het transport van de boom betaalden, gaven te kennen het jaarlijkse cadeau te duur te vinden en te belastend voor het milieu. In Gouda en Emmeloord arriveert de boom nog wel elk jaar.

Bronnen:
Dank voor kerstboom, door Monique Snoeijen, in NRC 11 december 2000.
Noorse kerstboom verlicht hart van Emmeloord, 19 december 2013, op www.flevopost.nl.
Over Gouda bij Kaarslicht – ‘de traditie‘ en ‘over de kerstboom‘ op website goudabijkaarslicht.nl. 
Kerstmis, op www.jefdejager.nl.
Diverse landelijke kranten.

De kerstboom die voor Londen is bedoeld, is momenteel op zijn reis vanuit Oslo te volgen via zijn eigen Twitteraccount: @trafalgartree.

Ole Bull en de Noorse klank

Als er een Noorse klank bestaat, dan moet dat die van Ole Bull zijn. Met zijn virtuoze spel veroverde de Noorse violist de wereld. Ragnhild en Eldbjørg Hemsing, twee jonge, getalenteerde violistes uit Noorwegen, ondernamen een zoektocht naar het geheim van zijn succes. Die werd geregistreerd in een wonderschone documentaire.

Romantische muziek

Ole Bull (1810-1880) wordt beschouwd als een van de grootste violisten van de negentiende eeuw. Van een miskend muzikant die in grote armoede leefde, werd hij een rijk man die grote triomfen vierde. Zijn romantische maar ook grillige muziek bracht hij op veel plaatsen in Europa en de Verenigde Staten ten gehore.

De stad Bergen eert haar beroemde zoon met een standbeeld. (Foto Percita, CC BY SA 2.0)

De stad Bergen eert haar beroemde zoon met een standbeeld. (Foto Percita, CC BY SA 2.0)

Al tijdens zijn leven ontstonden er mythes rond zijn persoon. De meeste gaan over zijn betrokkenheid bij mensen in nood. In Pennsylvania (VS) stichtte hij in 1852 een kolonie voor geëmigreerde Noren: Oleana of New Norway. Het experiment draaide op een mislukking uit. Bull sloot zich ook aan bij de onafhankelijkheidsbeweging in zijn eigen land. Na eeuwen onder Deense heerschappij te hebben gestaan, was Noorwegen in 1814 in een unie met Zweden opgegaan. De eigen grondwet die de Noren er toen hadden uitgesleept, ging de onafhankelijkheidsstrijders niet ver genoeg. Noorse kunstenaars engageerden zich in de beweging en er ontwikkelde zich een kunststroming die uitdrukking gaf aan een nationale Noorse identiteit: de nationale romantiek. Ook Bulls beroemde leerling Edvard Grieg behoorde hiertoe.

Portrettekening van Ole Bull op jonge leeftijd. (CC BY 2.0)

Portrettekening van Ole Bull op jonge leeftijd. (CC BY 2.0)

Bull was een man van extremen. Zo beklom hij eens de Snøhetta, die toen als de hoogste berg van Noorwegen gold, om op de top ervan viool te spelen. Op het eiland Lysøen bij Bergen liet hij een excentriek buitenhuis bouwen. Sommigen menen dat hij een bipolaire stoornis had. Hoe het ook zij, hij kon fabelachtig goed viool spelen.

Bulls excentrieke buitenhuis op het eiland Lysøen bij Bergen. (Foto Bosc d'Anjou, CC BY 2.0)

Bulls excentrieke buitenhuis op het eiland Lysøen bij Bergen. (Foto Bosc d’Anjou, CC BY 2.0)

Vocht en kou in Nederland

Op zijn vele concertreizen deed Bull tussen 1839 en 1877 minstens zesmaal Nederland aan. Kranten melden optredens in Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Arnhem en Breda. Het verblijf in Nederland kon Bull niet altijd bekoren. In een brief van 26 oktober 1848 aan zijn echtgenote Felicie moppert hij dat de Hollanders de onhebbelijke gewoonte hebben om hun huizen pas na 1 november te verwarmen, ongeacht de buitentemperatuur, en dat hij daarom veel te stellen heeft met het vochtige en koude klimaat in Nederland. De Noorse virtuoos betrad in ons land de grote concert- en theaterzalen, maar hij speelde ook op soirées bij particulieren. Op het programma stonden steevast door hem gecomponeerde werken als Cantabile dolorosa et Rondo giocoso, Polacca guerriera en Adagio religioso. In het theater in Utrecht bracht hij in 1842 zijn Variations de bravoure sur une thème de Bellini ten gehore. Bellini en de Italiaanse opera waren grote inspiratiebronnen voor hem.

Grenzend aan toverij

Hij was een verschijning als hij opkwam, “de lange, magere, fantastische Noorweger, met zijne levensgezellin, de viool, in den arm”, aldus de Arnhemsche Courant in 1839. Na Bulls optreden viel hem overal aanhoudend, oorverdovend applaus ten deel. Hij werd vier, vijf, soms wel zes keer teruggeroepen door het publiek. De Nederlandse kranten waren overwegend vol lof. Bull werd in een adem genoemd met de grote namen Niccolò Paganini en Franz Liszt. Na een optreden in de Franse Schouwburg in Amsterdam op 20 april 1842 schreef het Algemeen Handelsblad: “zulk een verbazingwekkende kracht, zulk een diep gevoel, zulk delicate staccatos, zulke liefelijke flageolettoonen, zulke verrassende passages, zulk eene aan tooverij grenzende vaardigheid, bij zulk eene kristalheldere zuiverheid.”

Portretfoto van Ole Bull omstreeks 1864 (CC BY 2.0)

Portretfoto van Ole Bull omstreeks 1864 (CC BY 2.0)

Op andere momenten klonken ook kritische geluiden en vonden criticasters bijvoorbeeld zijn spel niet meeslepend genoeg. Maar voor de moeilijkheidsgraad van zijn spel oogstte Bull alom bewondering. Hij bespeelde vier snaren tegelijk en daarmee stak hij de ‘duivelsviolist’ Paganini naar de kroon, die er drie tegelijk kon bespelen. Het Algemeen Handelsblad was onder de indruk van Bulls geniale spel: “Ongelooflijk scheen het, dat, toen de Heer Ole Bull een quartet zonder accompagnement geheel alleen voordroeg, die volstemmige harmonie uit ééne viool voortkwam, zoo duidelijk en uitdrukkingvol vergezelden de bas en de middelstemmen de bovenklinkende melodie”.

De Noorse rotsen

Op de vraag van koning Frederik VI van Denemarken van wie hij de kunst geleerd had, schijnt Bull ooit geantwoord te hebben: “Van de Noorweegsche rotsen, Uwe Majesteit”. De klank van Ole Bull is een Noorse klank, zegt de Israëlische vioolbouwer Amnon Weinstein in de documentaire. Diep, donker en zwaar. Want, zo stelt Weinstein zich voor, dat was de klank die Bull in zijn oren had. Die moet hij thuis in de natuur hebben gehoord als de echo van zijn stem door de fjorden rolde. Bull zette alles op alles om die klank uit zijn viool te halen. In 1848 vervoegde hij zich bij de gerenommeerde muziekinstrumentenmaker Jean-Baptiste Vuillaume in Parijs. In diens werkplaats leerde hij zijn eigen viool maken. Naar verluidt uit Noors hout dat meer dan tweehonderd jaar oud was. Bull bespeelde ook een 450 jaar oude Gasparo. Voor een Stradivarius voelde hij veel minder, die klank vond hij te helder, teveel ‘soprano’. De instrumenten van de Italiaanse vioolbouwer Gasparo da Salò daarentegen stonden bekend om hun ‘donkere’ klank. En die sprak hem aan.

De Gasparo viool van Ole Bull, geëxposeerd in Bergen in 2010. (Foto Anne Worner, CC BY 2.0)

De Gasparo viool van Ole Bull, geëxposeerd in Bergen in 2010. (Foto Anne Worner, CC BY 2.0)

Bull zocht een volmaakte klank. De klank die hij in zijn oren had. Niet alleen het Noorse landschap, maar ook de hardingfele (Hardangerviool) uit de Noorse volksmuziek waarmee Bull werd grootgebracht, blijken in zijn spel een beslissende rol te hebben gespeeld. Stap voor stap ontrafelen de zussen Hemsing Bulls geheim. Tot ook zij de klank van Noorwegen perfect kunnen vertolken.

Beluister en bekijk de Ole Bull Documentary op Youtube.

En wie de compositie Nattergalen wil horen – een compositie die Bull ooit begon en die voor deze gelegenheid werd afgemaakt door de Noorse componist Lasse Thoresen – kan ook op Youtube terecht. Ragnhild en Eldbjørg Hemsing en pianist Leif Ove Andsnes spelen het stuk Nattergalen og Stjernene in Villa Valestrandsfossen in Osterøy, waar Bull graag verbleef en die nu in het bezit is van zijn achterachterkleinzoon.

Villa Valestrandsfossen. (Foto Jan's fotoside, CC BY 2.0)

Villa Valestrandsfossen. (Foto Jan’s fotoside, CC BY 2.0)

Bronnen:
Einar Haugen and Camilla Cai, Ole Bull, Norway´s romantic musician and cosmopolitan patriot, Wisconsin 1993.
Algemeen Handelsblad (1842-1877), Arnhemsche Courant (1839), Bredasche Courant (1842), Groninger Courant (1842), Journal de la Haye (1842, 1846), Provinciale Drentsche en Asser Courant (1853) en Utrechtsche Provinciale en Stads-Courant (1842) (via Delpher).
Brief Ole Bull aan zijn echtgenote Felicie Bull, 26 oktober 1848. Collectie Folkebibliotek, Bergen (via Europeana).

Licht in het Noorden

Boven de keukentafel in het huis waar Marie Gulbrandsen opgroeide, hing een olielamp. Zo een met een glazen fles die je moet optillen om de lont aan te steken. In de donkere maanden brandde hij de hele dag. Ook was er een lantaarn om de kinderen bij te lichten als ze de trap zochten om naar bed te gaan. Eén lamp en één lantaarn. In de winter maandenlang het enige licht dat ze zouden zien.

Middernachtzon in Tana (Finnmark). (Foto Lauri Rantala, CC BY 2.0)

Middernachtzon in Tana (Finnmark). (Foto Lauri Rantala, CC BY 2.0)

Licht fascineert me enorm aan Noorwegen. In het noorden van het land vormt de poolcirkel een magische grens. Ten noorden ervan gaat de zon in de zomermaanden enige tijd niet meer onder en in de wintermaanden komt hij een tijdlang niet meer boven de kim. Hoe moet dat geweest zijn wanneer ergens in november de donkerte voor maanden inviel en er in dat uitgestrekte, verlaten berglandschap in de verste verte geen elektriciteit was om een lamp te ontsteken?

Het antwoord kwam ik onlangs op het spoor toen ik de verhalen las van Marie Gulbrandsen (* 1912) en drie anderen – de meesten van hen zijn de honderd jaar al gepasseerd – over het leven in het Hoge Noorden. Ze waren geïnterviewd voor een project van Snøhetta, het architectenbureau uit Oslo, dat zich bezighoudt met meer dan gebouwen en landschapsinrichting alleen. Snøhetta onderzocht hoe het is om te leven boven de poolcirkel, met het licht dat in het ene jaargetijde uitbundig aanwezig is en in het andere jaargetijde dramatisch afwezig.

Licht is onontbeerlijk, niet alleen omdat er zonder licht in de natuur niets groeit, maar ook omdat mensen licht nodig hebben om de natuur te benutten. Zo basaal is het. En reken maar dat in dat harde, rauwe landschap in het noorden, op die kale rotsgronden toch al alle zeilen bijgezet moesten worden om in leven te blijven. Licht was er nodig om de dieren te voeren, de koeien te melken, het varken te slachten, hout te hakken, en om alle dingen binnenshuis te kunnen doen: eten maken, kleding naaien, een boek lezen. Daarom organiseerden de noorderlingen hun leven rond het licht en probeerden ze dat licht zo goed mogelijk te benutten. Leven in harmonie met de natuur en dus ook met licht en donker, was daar een absolute levensvoorwaarde.

Houten huisjes op het Noorse platteland aan het eind van de 19de eeuw. (Collectie Rijksmuseum)

Houten huisjes op het Noorse platteland aan het eind van de 19de eeuw. (Rijksmuseum)

Als het buiten donker bleef, lichtte je je bij met fakkels of een lantaarn. En ook binnenshuis kon je licht maken. Maar olie was duur, dus met licht moest je zuinig omspringen. Bij Olaug Bastholm (* 1914) hadden ze thuis een mooie glazen lamp met een gouden bol. Die werd slechts eenmaal per jaar aangestoken, op kerstavond, als ook de kaarsen brandden. Een lamp, kaarsen, het vuur in de kachel, zulk licht vormde het hart van elk huis. Helny Zingmark (* 1913) herinnert zich hoe fijn het op lange donkere avonden was, als iedereen dichtbij elkaar in een kring rond de brandende kaarsen zat. Maar griezelig was het ook. De hoeken van de kamer waren aardedonker, daar kon het lamplicht niet komen. Op de houten wanden dansten de schaduwen. En achter het inktzwarte deurgat huilde de wind. Binnen zwermden verhalen rond over geesten en vreemde natuurverschijnselen.

Noorderlicht. (Foto Gunnar Hildonen, CC BY 2.0)

Noorderlicht. (Foto Gunnar Hildonen, CC BY 2.0)

In die lange donkere maanden konden er plotseling krullen en lussen van licht aan de hemel verschijnen. Als fladderende gordijnen of tongen van vuur. Het noorderlicht joeg de mensen angst aan. Ooit had een meisje met haar witte hoofddoekje naar het noorderlicht gezwaaid. Dat had teruggezwaaid, haar naar zich toegetrokken, haar uitgenodigd om te dansen. Niemand heeft het meisje nog teruggezien. “Nu zal ze dansen”, zeiden de mensen als het noorderlicht zich weer vertoonde. En ze waarschuwden hun kinderen om er nooit naar te zwaaien. Want het noorderlicht was een verleider die noodlot bracht.

Op de terugkeer van de zon werd een lange winter gewacht. Marie Gulbrandsen vertelt hoe kinderen – als de grote dag naderde – in de vensterbank zaten en naar de plek tuurden waarvan ze wisten: daar komt de zon voor het eerst weer tevoorschijn. Als dan eindelijk de eerste stralen over de bergrug kropen, dankte haar moeder God dat de zon was teruggekomen. En dan zwaaiden ze allemaal naar de zon, want aan de zon kleefde geen gevaar.

Middernachtzon in Kvitnes, in het noorden van Noorwegen. (Foto Johnny Myreng Henriksen, CC BY 2.0)

Middernachtzon in Kvitnes, in het noorden van Noorwegen. (Foto Johnny Myreng Henriksen, CC BY 2.0)

De tijdsspanne van het licht breidde zich daarna in hoog tempo uit. Elke dag meer zon, meer licht, meer warmte. De natuur ontwaakte, planten liepen uit, bloemen ontloken. De mooiste tijd van het jaar is mei, vindt Olaug Bastholm. Dan is de middernachtszon er al, maar ligt er ook nog sneeuw. Al houdt ze ook van de eerste sneeuw in het najaar, want die reflecteert de laatste zonnestralen. Maar dan, ja dan kruipt het duister alweer naar hen toe.

Het boek Living the Nordic Light, met een foto van Marie Gulbrandsen.

Het boek Living the Nordic Light, met een foto van Marie Gulbrandsen. (Foto Zumtobel)

Wie de complete verhalen wil lezen, kan terecht op de website www.livingthenordiclight.com. Een aanrader! De verhalen verschenen vorig jaar ook in een prachtig boek: Living the Nordic Light. Het boek bevat nog meer informatie over licht in het Noorden en is tevens het jaarverslag van Zumtobel, een in Oostenrijk gevestigde bedrijvengroep op het gebied van verlichting. Vormgeving: Kjetil Thorsen, een van de oprichters van Snøhetta. Teksten: Åsne Seierstad en Po Tidholm. Foto’s: Sølve Sundsbø.

Een bouwpakket uit Noorwegen

Als we in de duinen bij Domburg wandelen, wil ik er altijd even gaan kijken. Een beetje verscholen liggen daar enkele huizen die merkwaardig aandoen in het Walcherse dorp. Op die plek waan je je een klein beetje in Noorwegen. Aan de daken steken drakenkoppen uit, een verwijzing – lijkt het – naar de Vikingtijd. Maar zo oud zijn deze huizen bij lange na niet. Het noordelijke herkomstgebied klopt wel. Hoe komt Noorse architectuur in Domburg terecht?

Strandholm, een van de Noorse huizen in de duinen van Domburg.

Strandholm, een van de Noorse huizen in de duinen van Domburg.

Drakenstijl

De huizen in Domburg zijn helemaal van hout en vormgegeven volgens de principes van de drakenstijl, een neoromantische stijl die in Noorwegen tussen ongeveer 1890 en 1920 hoogtij vierde. Deze stijl was een nationale variant van wat in Noorwegen de Sveitserstil werd genoemd en die zijn inspiratie vond in de Zwitserse chalets. De Noren – op zoek naar een culturele onderbouwing van hun nog jonge natiestaat – ontwikkelden een eigen variant.

Noorse platteland

De traditionele plattelandsarchitectuur in Noorwegen vormde het uitgangspunt. Die kenmerkte zich al sinds de middeleeuwen door drie elementen: de loft, stue en stav-kirken. De loft (of stabbur) is de typisch Noorse voorraadschuur op het boerenerf. De stue is het woonhuis van de boerderij, met dikke horizontale wandsystemen (logs). De Noorse huizen in drakenstijl ontleenden er hun bouwvolume en wandsysteem aan. Daaraan werden houten ornamenten met drakenmotieven toegevoegd zoals we die kennen van de stav-kirken. Zo ontstond een typische Noorse drakenstijl.

De staafkerk uit Gol en een loft, naast elkaar, in het Norsk Folkemuseum in Oslo.

De staafkerk uit Gol en een loft, naast elkaar, in het Norsk Folkemuseum in Oslo.

Over de hele wereld

Keizer Wilhelm II, die graag in Noorwegen kwam, liet in het zuiden van Duitsland een groot jachthuis bouwen in deze stijl. Dat vond navolging onder de Europese adel en rijke burgerij en ook elders in de wereld werden gebouwen opgetrokken in de drakenstijl. Woonhuizen in Zuid-Afrika bijvoorbeeld en strandpaviljoens op Haïti. De buitenhuizen en jachthuizen van Nederlanders treffen we vooral aan in gebieden waar de welgestelden rond 1900 graag buiten vertoefden: op de Veluwe en aan de kust.

Uit een catalogus

Een dergelijk buitenhuis kon tegen relatief lage kosten en in sneltreinvaart worden gerealiseerd. De huizen hoefden namelijk niet balk voor balk te worden opgebouwd, maar werden als bouwpakketten geleverd. Belangstellenden konden de ‘complet færdige Huse’ uit een catalogus bestellen. De prefab woningen werden vanaf 1895 seriematig geproduceerd. Dat gebeurde in de Strømmen Trævarefabrik, een houtzagerij en timmerfabriek in Strømmen (tegenwoordig Skedsmo), ten oosten van Oslo. Grote machines in de fabriek zaagden het hout, waarna de huizen in een enorme fabriekshal in elkaar werden gezet om te drogen. Nadat alle onderdelen waren genummerd, werden ze weer uit elkaar gehaald om als bouwpakket verscheept te worden.

Geen spijkers nodig

Voor de aannemer die was belast met het in elkaar zetten van deze grote Lego doos, was het uitzoeken van de verschillende onderdelen nog het meeste werk. Had hij eenmaal alle wandsystemen (logs) op orde, dan stond het casco binnen drie dagen overeind. Zonder een spijker in het hout te slaan, want alles paste met overkepingen, zwaluwstaarten, deuvels en andere houtverbindingen perfect in elkaar. Het geheel werd op een bakstenen fundament geplaatst, dat boven de grond uitstak om houtrot en ander ongerief te voorkomen.

Zeldzaam

Ondanks deze voorzorgsmaatregelen waren de houten woningen kwetsbaar. Voor brand bijvoorbeeld, die in korte tijd desastreus kon zijn. Maar de huizen waren ook vatbaar voor slecht onderhoud en aantasting door ongedierte of zwammen. Vele vielen daaraan ten prooi. Ook oorlogsgeweld aan het eind van de Tweede Wereldoorlog richtte veel schade aan. Inmiddels zijn huizen in drakenstijl dan ook zeldzaam geworden. In heel Nederland staan er nog zo’n 25.

Norsk Hjem

Drie daarvan dus in de duinen bij Domburg: Strandholm, De Bruinvis en Zeebosch. In het begin van de 20ste eeuw waren bij Domburg meer van dergelijke huizen opgetrokken. Zo was er de villa Norsk Hjem (‘Noors thuis’), gebouwd in opdracht van de industrieel Joseph Alexander van Woringen. Norsk Hjem en een aantal andere huizen zijn hoogstwaarschijnlijk verwoest bij de bevrijding van Walcheren aan het eind van de Tweede Wereldoorlog.

Overigens kwam een kleine tien jaar later weer een ander type Noorse prefab woningen in Zeeland terecht. Koning Haakon VII van Noorwegen schonk deze houten huizen aan slachtoffers van de watersnoodramp van 1953.

Bronnen:
Johan Doornenbal, Noorse boederettes in het Nederlandse landschap, in: Heemschut, juni 2000, blz. 31-33.
Berit Sens, Aan zee in Zeeland, in: Monumenten van een nieuwe tijd; architectuur en stedebouw 1850-1940, Jaarboek Monumentenzorg 1994, blz. 120-129.

Amsterdam staat op Noorwegen

‘Amsterdam staaer paa Norge,’ schreef de Deense geleerde Holger Jacobæus in de tweede helft van de 17de eeuw. Tijdens zijn studie in Leiden was hem kennelijk ter ore gekomen hoe in Amsterdam een grote stadsuitbreiding werd gerealiseerd. Aan de grachten werden imposante patriciërshuizen gebouwd. Houten palen uit Noorwegen dienden als fundering. Amsterdam is net een onderaards bos, werd er ook wel gezegd.

Gjermundshavn in Hardanger. Schilderij in romantische stijl door de Noorse landschapsschilder Hans Gude, 1850.

Gjermundshavn in Hardanger. Schilderij in romantische stijl door de Noorse landschapsschilder Hans Gude, 1850.

Voor de vele bouwactiviteiten in de Republiek was vanaf het eind van de 16de eeuw veel hout nodig en Noorwegen werd dé houtleverancier. Het Noorse hout werd in ons land gebruikt bij de bouw van schepen, huizen en boerderijen. Aanvankelijk kwam het hout uit het westen en zuiden van Noorwegen. Dit bleef daar niet zonder gevolgen voor het ecosysteem. Het gebied raakte ontbost en de handel verschoof in de loop van de 17de eeuw naar het dichtbeboste oosten van het land. Vanuit het zuiden en westen bleef hout van kleinere afmetingen geëxporteerd worden. Het moest steeds dieper vanuit het binnenland over rivieren worden aangevoerd.

Houtadel

De Nederlandse kooplieden deden tot begin 17de eeuw rechtstreeks handel met boeren en houtproducenten. Daaronder ook vertegenwoordigers van de zogeheten ‘Plankeadelen’ (houtadel). Dit waren rijke houthandelaren in Agder, Telemark en het gebied ten oosten daarvan. Zij onderhielden contacten met buitenlandse handelaren en bezaten lokaal veel macht.

Houttransport. Illustratie door Johan Fredrik Eckersberg voor het boek Norske Folkelivsbilleder door Adolph Tidemand, 1858. (Nasjonalbiblioteket, Oslo)

Houttransport. Illustratie door Johan Fredrik Eckersberg voor het boek Norske Folkelivsbilleder door Adolph Tidemand, 1858. (Nasjonalbiblioteket, Oslo)

Noorse delen

Het hout onderging ter plekke al een ruwe bewerking. Er werden balken, planken en masten van gezaagd. Ook werden er duigen gemaakt. Langs de kust verrezen houtzaagmolens en het verhaal gaat dat Nederlanders deze noviteit daar introduceerden.

Als ‘Noorse delen’ bereikte het eiken-, grenen- en vurenhout Amsterdam. Daar werd het geveild. Soms was de benaming specifieker en kon uit de naam van het hout worden afgeleid in welke haven het geladen was. Kopers wisten uit welke havens de beste kwaliteit kwam. Hout uit Kopervik stond bekend als het beste hout, omdat het een extra fijne en vaste draad had.

Uit de bewaard gebleven notities van Adriaan Bommenee, die van 1713 tot 1747 stadstimmerman van het Zeeuwse Veere was, kunnen we opmaken welke houtsoorten op de markt waren. Hij noemt onder meer Koperwijkse, Christiaanse, Drontonse en Stavangense delen: geladen in respectievelijk Kopervik aan de zuidwestkust, Christiania (het latere Oslo), Trondheim en Stavanger.

Ook de lijm voor het hout kwam uit Noorwegen. Bommenee schreef dat de lijm daar werd gemaakt van ‘zweymbalgen’ (zwemblazen) van kabeljauw en leng (een vissoort), die een collageen bevatten, of van ‘Noor(t)se lompen’. De laatste lijmsoort hield men voor de beste. Ook met stokvisvellen of gekookte droge vis kon in noodgevallen worden gelijmd.

Monopolie

Rond het midden van de 17de eeuw ontstonden problemen in de houthandel. Christiaan IV, koning van Denemarken en Noorwegen, wilde het beste hout voor zijn eigen vloot bestemmen en trachtte de Noorse houthandel te monopoliseren. Bovendien wilde hij de positie van de stedelijke burgerij in Noorwegen versterken ten opzichte van die van de boeren en landadel. Daarom verleende de koning in 1662 aan de stedelijke burgerij het privilege van de houthandel. Dat maakte een einde aan het recht van vrije handel dat de Nederlanders hier al sinds 1450 hadden.

Tot een confrontatie kwam het in de jaren tachtig, toen de onderhandelingen over een nieuw handelsverdrag tussen Denemarken en de Nederlandse Republiek mislukten. De Deense koning verhoogde de tollen in Noorwegen. De Republiek reageerde met een handelsboycot. De import van Noors hout was met ingang van 28 maart 1687 verboden. Hoewel na meer dan een jaar onderhandelen in juli 1688 een nieuw handelsverdrag tot stand kwam en de boycot werd opgeheven, zou de Noorse houtaanvoer nooit meer de omvang bereiken van daarvoor. Andere productiegebieden, zoals Zweden, waren door de lagere tolgelden interessanter voor Nederland geworden. Wel verliet veel hout nog illegaal de Noorse havens. Maar de neergang was onafwendbaar. Omstreeks 1750 bedroeg de houtimport uit Noorwegen minder dan een derde van wat een eeuw eerder werd aangevoerd.

Bronnen:
Historisch hout in Amsterdamse monumenten, Publicatiereeks Amsterdamse Monumenten 3, uitgave Gemeente Amsterdam 2012.
C. Lesger, Lange-termijn processen en de betekenis van politieke factoren in de Nederlandse houthandel ten tijde van de Republiek, in: Economisch- en sociaal-historisch jaarboek 55, Amsterdam 1992, blz. 105-142.
Sølvi Sogner, Norwegian-Dutch migrant relations in the seventeenth century, in: Louis Sicking e.a. (red.), Dutch light in the ‘Norwegian night’, maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, blz. 43-56.
Het ‘testament’ van Adriaan Bommenee, praktijkervaringen van een Veerse bouw- en waterbouwkundige uit de 18e eeuw, Middelburg 1988.

Dat hebben de kaboutertjes gedaan

In boerenschuren huizen ze en je kunt ze maar beter te vriend houden. De nisse is een figuur uit oude volksverhalen en in Noorwegen nog springlevend. Als julenisse neemt hij zelfs de plaats in van de kerstman.

De fjøsnisse (fjøs = schuur) verschijnt in oude verhalen door heel Scandinavië. In Zweden heet hij tomten, in Finland tonttu en in Denemarken, net als in Noorwegen, nisse. Hij heeft een witte baard en draagt grijze kleren, waaronder een kniebroek, en een rode puntmuts. Zijn lengte varieert van ongeveer 5 tot zo’n 90 centimeter. Vroeger werd hij afgeschilderd als een oude man die alleen leefde. In latere voorstellingen heeft hij gezelschap gekregen van een vrouw en kinderen. Zo ontstonden hele nisse-families, inclusief ooms en tantes.

Fjøsnisse.

Fjøsnisse.

Bordje pap

In de oude verhalen, die van generatie op generatie werden doorverteld, woont de nisse in een huis of schuur op een boerenerf. Men geloofde dat voorouders of de eerste bewoner van de boerderij in hem voortleefden. De traditie wilde dat de boerenfamilie met kerst in de schuur een goede maaltijd neerzette voor de nisse. Hij kon zich daar tegoed doen aan een flinke kom pap (grøt) met een klont boter erin en soms ook aan een kan bier. Naar verluid zijn er nog steeds Noren die een schaaltje pap voor de nisse neerzetten. De restjes op de kersttafel waren trouwens ook voor hem.

Bovennatuurlijke krachten

De nisse beschikt over bovennatuurlijke krachten. Hij kan zichzelf onzichtbaar maken. Niemand heeft dan ook ooit een nisse gezien. Onverklaarbare voorvallen op de boerderij werden aan hem toegeschreven. Hij is beschermheilige en duivel tegelijk. Is hij je goedgezind, dan houdt hij het kwaad van het erf weg. Als een bekwame en sterke helper maakt hij zich verdienstelijk op de boerderij. We herkennen dat nog in onze uitspraak ‘Dat hebben de kaboutertjes gedaan.’

Maar met degene die hem tegen zich in het harnas jaagt, loopt het slecht af. Een nisse houdt van goede manieren. Hij houdt bijvoorbeeld niet van vloeken en evenmin van arbeiders die in de schuur urineren – kennelijk een veel voorkomende plaag in vroeger tijd. En o wee, als je vergeet om een bordje pap voor hem klaar te zetten. Een boze nisse is tot alles in staat. Een flinke oorvijg is nog wel het minste dat je kunt verwachten. Hij gooit ook spullen kapot of bindt de staarten van de koeien in de stal aan elkaar. In zijn woede kan hij zelfs het vee doden of een boerderij compleet ten gronde richten. Het is dus zaak om de nisse gelukkig en weldoorvoed te houden.

Kersttijd

Tegenwoordig speelt de nisse in de kersttijd een prominente rol. Hij is de Noorse kerstman, de gulle gever van cadeautjes die hij zelf op kerstavond komt brengen. Niet door de schoorsteen, zoals Sinterklaas en Santa Claus, maar gewoon aan de deur. Of er nog brave kinderen binnen zijn, luidt steevast zijn vraag. De kinderen zingen liedjes voor hem. Bijvoorbeeld ‘På låven sitter nissen’ (‘In de schuur zit de kabouter’). En ook de julenisse eet graag een bordje pap mee. Geen wonder dat heel wat Noorse kerstserviezen met zijn beeltenis zijn getooid.

God Jul, ontbijtservies van de glas- en porseleinfabriek Magnor.

God Jul, kerstservies van de glas- en porseleinfabriek Magnor.

Illustratoren

De julenisse nam de plaats in van de julbock (een geit), die tot ver in de 19de eeuw de kerstcadeautjes bij de Noorse kinderen bracht. In die tijd kreeg de nisse ook het uiterlijk zoals wij hem kennen. De moderne voorstellingen van de nisse gaan terug op de tekeningen van de Zweedse illustratrice Jenny Nyström, die haar witbebaarde sprookjesfiguur met rode puntmuts voor het eerst in 1881 publiceerde. Op ontelbare kerstkaarten prijkt sinds die tijd zijn beeltenis.

no-nb_blds_01764 001

Kerstkaart met nisse uit 1901. (Nasjonalbiblioteket, Oslo)

Sinds Nyström hebben veel andere tekenaars en ontwerpers zich op de nisse gestort. In Nederland is Rien Poortvliet ongetwijfeld door haar geïnspireerd. Hij was de laatste grote vertolker van deze geheimzinnige wezentjes. In Scandinavië zijn de kabouters met hun tijd meegegaan en blijven zij een bron van inspiratie voor illustratoren en ontwerpers.