Een Hollandse zeeman in het barre Noorden (2) – Verblijf in de hogere kringen van Trondheim

Cornelius de Jong, die in 1794 als bevelhebber een konvooi Oostindiëvaarders naar Nederland begeleidde, moest vanwege oorlogsomstandigheden uitwijken naar het neutrale Noorwegen. Hij verliet dit land pas negen maanden later, na het van west naar oost te hebben doorkruist. Van zijn reis hield De Jong aantekeningen bij. Hij verwerkte die in brieven aan een denkbeeldige vriend, die in 1802 en 1803 werden uitgegeven. Ze geven een boeiend inkijkje in de avonturen van deze zeeman in het ‘barre Noorden’. Alle reden dus om in de Bryggenblogs De Jongs reis te volgen. In de eerste van de reeks bereikte De Jong over zee Trondheim. Deze tweede blog is gewijd aan zijn ruim zeven maanden durende verblijf in de Noorse havenstad.

De Jong bereikte met zijn fregat Scipio in de avond van 6 oktober 1795 de haven van Trondheim. Bij wijze van groet liet hij elf saluutschoten afvuren, die met negen schoten vanaf de vesting Munkholmen werden beantwoord. De Jong verbaasde zich erover dat de Noren de vlag niet hesen en liet navragen wat de reden daarvan was. Moest hij dit als een belediging opvatten? Een foutje, zo bleek, de Noren waren dit eenvoudigweg vergeten.

Trondheim_Munkholmen, foto Clemenz Franz, cc by sa 3.0

Munkholmen voor Trondheim. (Foto Clemenz Franz, CC-BY-SA 3.0)

De dag na zijn nachtelijke aankomst begaf De Jong zich aan wal en vervoegde hij zich bij de belangrijkste bestuurders van de stad. Zijn eerste zorg was de veiligheid van de schepen en hun kostbare lading. De Jong wendde zich tot de burgemeester van Trondheim, die toevallig viceconsul van Holland was geweest. Bij dit gesprek was ook de Noorse generaal Georg Frederik von Krogh aanwezig. Von Krogh meldde dat hij de haven al had voorzien van een militaire versterking. De Jong was nu verzekerd van bescherming door de Noren. Verder zat er weinig anders op dan orders uit Nederland af te wachten. Hij verbleef daarna zelden nog aan boord van de Scipio, maar nam zijn intrek in een burgerwoning in de stad, een adres dat hij kreeg via zijn zojuist gemaakte connecties.

Havenstad zonder herberg

Voor passerende reizigers moet het destijds een hele toer zijn geweest om in Trondheim een slaapplaats te vinden. Er waren geen herbergen. Reizigers waren aangewezen op de gastvrijheid van particulieren. Had je geen relaties in de stad, dan maakte je kans van deur naar deur te worden gestuurd, want niemand was verplicht om een vreemdeling onderdak te verschaffen. Voor een Hollandse bevelhebber die op grond van zijn positie gemakkelijk toegang had tot de hoogste kringen, was dit minder een probleem. De Jong werd meteen geïntroduceerd bij de vrienden van de burgemeester en bij een van hen werd een kamer voor hem vrijgemaakt.

Een Noors vriendenmaal

De Jong was die eerste middag al te gast in het buitenhuis van een van de rijkste kooplieden van Trondheim, ene heer Mencke. Dit zal hoogstwaarschijnlijk Henrik Meincke zijn geweest, op dat moment de belangrijkste koopman en reder in Trondheim en tevens een van de grootste aandeelhouders in de kopermijnen van Røros. Net als andere welgestelde inwoners van Trondheim had Meincke buiten de stad een landgoed, waar hij zich vermaakte met het buitenleven en verdiende aan de opbrengsten van de houtkap en het graan en de groenten die er werden verbouwd. Op zijn landgoed, dat zo’n vijftien tot twintig minuten buiten de stad lag, gaf Meincke die middag een feest ter ere van de verjaardag van generaal Von Krogh. Het was een mannenaangelegenheid, de vrouw en dochters des huizes lieten zich alleen even zien om “en chorus” enige liederen te zingen. Na de maaltijd en thee speelden de heren omber, een kaartspel dat zowel de Noren als de Nederlanders kenden, maar met andere spelregels.

Georg_F_von_Krogh_1732_1818_c_medium

Generaal Georg Frederik von Krogh (1732-1818) versterkte de militaire verdediging van de haven toen De Jong er met zijn schepen beschutting had gezocht.

De Jong voegde zich naar de etiquette van de Noren. Hij leerde hun wijze van begroeten (vrouwen omhelsden elkaar, mannen ook en gaven elkaar daarbij de rechterhand, vrouwen werden door hen begroet met een handkus), en nam hun gewoonte over om een vrouw aan de arm naar de eetzaal te leiden en staande achter de stoel te bidden alvorens aan tafel te gaan. Op het menu stonden vlees- en visschotels, waarbij groente en bessen (multibær en tyttebær) werden geserveerd. Tijdens de maaltijd wandelde de gastvrouw rond – soms ook de gastheer – om waar nodig gesprekken te verlevendigen en in de gaten te houden of iedereen wel voldoende te eten had. De wijn was van abominabele kwaliteit, aldus De Jong, en hij verwonderde zich over de gewoonte om de glazen nooit helemaal leeg te drinken. Bij het uitbrengen van een toost werd “Skål” gezegd, hetgeen volgens De Jong verwees naar ‘schaal’ of ‘schedel’ en afstamde van een oud gebruik toen men “er nog een wellust in stelde om uit de schaal of hersenpan van een overwonnen vijand te mogen drinken”. Na de maaltijd begaf het gezelschap zich naar een andere zaal, waar ze elkaar opnieuw omhelsden, een hand of handkus gaven en de gastvrouw bedankten met een ‘Takk for maten’ (volgens De Jong: “Tak for male”). Nadat er tussen twee uur en half vier was gegeten, werden er nu koffie en vervolgens thee gedronken, daarna kaartspelen gedaan, brandewijn en likeur gedronken, om vervolgens rond negen uur nogmaals aan tafel te gaan. Gewoonlijk duurde zo’n visite tot elf uur ’s avonds.

Het lijkt De Jong weinig moeite te hebben gekost om zich in deze kringen te bewegen. Hun cultuur was ook niet wezensvreemd van de zijne. De meeste van de mensen die hij ontmoette spraken Duits en Frans, sommigen ook Engels. In hun vriendennetwerken deelden ze dezelfde voorkeuren: muziek, dansen en de speeltafel. De kleding van de Noorse upper ten was zoals elders in Europa. Maar vanwege de kou droegen mannen buiten vaak nog een pels van rendiervellen en geen vrouw verliet het huis zonder een bontgevoerde jas.

Leven in Trondheim

Trondheim leefde van de visserij en de handel in hout, vis en koper. Hout kwam uit de bossen rond de stad, waar ook menige zaagmolen stond. Koper werd gewonnen in de mijnen bij Røros. En vissers brachten vanaf de zee en uit de rivier Nidelva, die dwars door Trondheim stroomde, allerlei soorten vis aan land. Zalm bijvoorbeeld, al vreesde De Jong dat zijn schepen met de ankers, touwen en het heen en weer varen van de sloepen dit jaar voor teveel onrust in het water hadden gezorgd en de zalm hadden verjaagd.

bryggerekka nidelva, ca. 1955, dia Johan Alme, GA Trondheim, cc by 2.0

Pakhuizen in Trondheim aan de Nidelva, circa 1955. (Collectie Gemeentearchief Trondheim, foto Johan Alme, CC-BY-2.0)

De Jong lijkt niet erg warm te lopen voor de stad zelf. De straten waren weliswaar ruim en breed, maar ongelijk en slecht bestraat. Ook de straatverlichting liet veel te wensen over en dat was vooral in de winter vervelend als het elke dag maar zo’n vier uur licht was. Behalve de domkerk waren er weinig bezienswaardige openbare gebouwen. Wel had De Jong oog voor enkele sociale voorzieningen die zich op een opmerkelijk hoog peil bevonden. De in 1767 overleden Thomas Angell, afkomstig uit een rijke koopmansfamilie, had een behoorlijke som geld aan de stad nagelaten, waarmee onder meer de aanleg van de waterleiding en -pompen was betaald. De stinkende grachten waren gedempt, omdat men ervan overtuigd was dat het stilstaande water ziekten veroorzaakte. Ook was met het geld uit de nalatenschap van Angell het weeshuis gerestaureerd en een vrouwenklooster gesticht.

Alle huizen in de stad waren van hout en De Jong verbaasde zich erover dat ook de rijke kooplieden van zulke houten huizen luxe verblijven hadden gemaakt. Er stonden imposante houtgestookte kachels en zelfs de slaapkamers werden verwarmd – bepaald geen overbodige luxe in een stad waar het een deel van het jaar “nijpend koud” was. De huizen waren er aangenaam warm, aldus De Jong, niet benauwd. Bij het slapen echter broeide het hem teveel onder de aldaar gangbare zachte donzen dekbedden. Twee dekens vond hij verkieslijker.

Domkerk, steendruk Carl Johan Fahlcrantz, 1821, GA Trondheim, cc by 2.0

Domkerk van Trondheim in 1821. Steendruk van Johan Carl Fahlcrantz. (Collectie Gemeentearchief Trondheim, CC-BY-2.0)

Een exotisch geschenk

Tijdens zijn verblijf bracht De Jong een bezoek aan de bibliotheek van het Koninklijk Noors Genootschap van Wetenschappen en Letterkunde (Det Kongelige Norske Videnskabers Selskab), dat in 1760 in Trondheim was opgericht. De bibliotheek imponeerde hem niet, al waren er toch wel enige goede werken op de planken terechtgekomen. Ieder lid was verplicht om bij toetreding een boek te schenken. Ook had het Genootschap een klein kabinet van naturalia, waarvoor de verzameling van een van de oprichters, bisschop Johan Ernst Gunnerus, de grondslag had gelegd. Het kabinet bevatte onder meer vissen, schelpen en insecten en ook noteerde De Jong “eenige aardige Noordsche koralen”. Tot de verzamelingen behoorden voorts een herbarium en een collectie mineralen, die voornamelijk afkomstig waren uit de kopermijnen van Røros en Meldal en uit de zilvermijn van Kongsberg.

J.C. Schønheyder, 1742-1803, GA Trondheim cc by 2.0

Bisschop Johan Christian Schønheyder (1742-1803), tevens vicepresident van het Noorse wetenschappelijk genootschap. (Foto collectie Gemeentearchief Trondheim, CC-BY-2.0)

De Jong had op zijn reis naar Kaap de Goede Hoop enige exotica verworven. Vermoedelijk had hij deze bij de Kaap gekocht, aangezien hij niet in de Oost was geweest. Bij het zien van de verzameling in Trondheim besloot hij zijn collectie aan te bieden aan het Noorse genootschap. De vicepresident, bisschop Johan Christian Schønheyder accepteerde de schenking “met greetig genoegen”. Zo werd de Noorse verzameling dankzij een Nederlander in één klap uitgebreid met huiden van hyena’s, luipaarden, leeuwen en andere dieren, alsmede zo’n twintig vogels van Kaap de Goede Hoop, insecten uit Indië en China, vissen op sterk water (brandewijn!) en gedroogde zeegewassen. De leden van het genootschap kwamen enkele dagen later in een buitengewone vergadering bijeen om de aanwinsten te bekijken. Daags erna stond de bisschop weer voor De Jong om hem namens alle leden te bedanken voor de vele ‘zeldzaamheden’ en hem het lidmaatschap van het genootschap aan te bieden. De Jong stemde dankbaar toe met dit “vleijend en verpligtend aanbod”.

astragalus alpinus, van Tromsø, 1767, Gunnerus herbarium, NTNU Vitenskapsmuseet, cc by 2.0

Astragalus alpinus, uit het herbarium van Gunnerus. (Collectie NTNU Wetenschapsmuseum)

In de volgende blog tart De Jong de elementen als hij – ingepakt in berenvellen – op een slede naar Røros afreist om er de kopermijnen te gaan bekijken.

Bronnen:
Jaap R. Bruijn, Naval captain Cornelius de Jong’s unforeseen stay in Norway (1795-1796), in: Louis Sicking, Harry de Bles, Erlend des Bouvrie (eds.), Duth light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 93-112.
Norsk Biografisk Leksikon (Henrik Meincke
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ‘s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 2, Haarlem 1802 (ook online).

Advertenties

Een Hollandse zeeman in het barre Noorden (1) – De reis langs de Noorse westkust

Hij was de oudste zoon uit een gegoede Hollandse familie en had een glansrijke carrière opgebouwd als marineofficier. Cornelius de Jong (1762-1838) was in 1794 met het fregat Scipio naar Kaapstad gevaren om een konvooi van VOC-schepen naar Nederland te begeleiden. Hij belandde uiteindelijk in Noorwegen en verliet het land pas negen maanden later, na het van west naar oost te hebben doorkruist. Van zijn reis hield De Jong aantekeningen bij, die hij later verwerkte in brieven aan een denkbeeldige vriend. Deze brieven, die in 1802 en 1803 werden uitgegeven, geven een boeiend inkijkje in de avonturen van deze zeeman in het ‘barre Noorden’. De komende Bryggenblogs zijn gewijd aan De Jongs reis. De eerste blog verhaalt over zijn tocht langs de westkust naar Trondheim.

C. de Jong, Rijksmuseum

Portret van Cornelius de Jong. Ets door L.G. Portman. (Collectie Rijksmuseum)

In mei 1795 hadden de negen Oostindiëvaarders en twee fregatten bij Kaap de Goede Hoop de ankers gelicht, maar weldra bereikte hen het bericht dat de Fransen Nederland waren binnengevallen en dat zich in het land een revolutie had voltrokken. Bevelhebber De Jong vreesde dat de schepen op de Noordzee niet veilig zouden zijn nu Engeland een vijandelijke mogendheid was geworden en besloot een omweg te maken via de Shetland eilanden. Hij kon niet voorkomen dat drie schepen, waaronder het andere fregat, in handen vielen van de Engelsen. De Jong besloot daarop om met zijn verzwakte vloot naar een haven in het neutrale Noorwegen te varen en daar nadere orders af te wachten.

Op 17 september bereikten zij de Noorse wateren. Een paar lokale vissers bleken bereid om als loods te fungeren tijdens de moeilijke vaartocht in deze wateren. Geteisterd door dichte mist, dan weer door een harde aflandige wind en het ontbreken van goede ankerplaatsen gingen de schepen op 19 september voor anker bij het eiland Valderøya (De Jong schrijft dit als ‘Walderhow’). De schepen trokken veel bekijks, voor zover daarvan op de schaars bewoonde eilandjes sprake kon zijn. Ze werden rijkelijk voorzien van verse groenten en vis en de belangrijkste bestuurder van het gebied, de ‘hupsche heer’ Andreas Norlow, bracht De Jong een beleefdheidsbezoek. Norlow was in gezelschap van enkele heren en dames, waarvan De Jong vermoedde dat het ‘alle de fatzoenlijke lieden van den geheelen omtrek’ betrof.

1024px-Tueneset_Valderøya_foto Rolf Ganger, cc-by-sa 3.0

Valderøya in 2010. (Foto Rolf Ganger, CC-BY-SA 3.0)

Een onsmakelijke gewoonte

Twee dagen later volgde het tegenbezoek van De Jong en een aantal officieren. Per sloep voeren zij tussen de vele eilandjes door naar het huis van Norlow, waar hun een uitgebreide ontvangst ten deel viel. De heren dronken brandewijn, madeira en koffie, rookten een pijpje en daarna volgde nog thee met gebak. Op aandringen van de gastheer nuttigde het gezelschap ook de avondmaaltijd bij hem thuis. Op het menu stond een flink stuk gebraden rendiervlees. De Jong was zeer te spreken over de gastvrijheid, maar ergerde zich aan één ding: de gewoonte van Noorse mannen om op de grond te spuwen. Hoewel de houten vloeren bestrooid waren met zand en dennennaalden liet deze gewoonte zichtbare sporen na in de onderste randen van de lange rokken die de vrouwen droegen, iets waarvan De Jonge vermoedde dat zij er een ‘wezenlijk ongemak door leden’.

Vervolg van de reis naar het noorden

Omdat hij had vernomen dat Engelse en Russische schepen het op de Oostindiëvaarders hadden voorzien, zette De Jong zijn tocht voort richting Trondheim. De vaarweg stond als uiterst moeilijk bekend en De Jong had het niet hoog op met zijn loodsen. Hij vond hen ‘onkundige, bange menschen’ en ‘volstrekt niet gewoon met schepen te werken’. Op het eiland Harøya sneden zijn bemanningsleden wilde zuring, een effectief middel tegen de scheurbuik waaraan een aantal van hen leed. Na nieuwe tijdingen over de politieke en militaire omstandigheden te hebben ingewacht, liet De Jong op 28 september de ankers lichten en zeilde hij verder naar het noorden. In regen en wind ging het gevaarlijk dicht langs de klippen, maar om vier uur bereikten de schepen veilig het eiland Edøya. De plaatselijke geestelijke had bij zijn huis de vlag gehesen, een groet die De Jong liet beantwoorden. Aan de oostzijde van het eiland gingen de schepen die nacht voor anker.

1024px-Edoey_gl_krk_ne, foto Olve Utne, cc by sa 2.5

De oude kerk van Edøya zoals die er tegenwoordig bij staat. (Foto Olve Utne, CC-BY-SA 2.5)

De volgende dag werd de reis voortgezet langs ‘klippig land en oogschijnelijke dorre rotzen’. De Jong verbaasde zich erover dat hier toch graan verbouwd kon worden en liet zich imponeren door de talrijke watervallen. Onderweg moest een afgezant van een koopman uit Trondheim afgewimpeld worden, die zich aan boord had gemeld met het verzoek als commissionair te mogen optreden en een vervalste brief uit Holland bij zich had. Die avond ging De Jong voor anker bij Ørland, gelegen op een schiereiland recht tegenover de ingang van de Trondheimsfjord.

Ørland

Vlakbij de kerk van Ørland woonde de geestelijke die deze uitgebreide parochie bediende. De Jong ontmoette hem na een jachtpartij. Hij bleek een belezen man die Hoogduits sprak. Zijn gemeente bestond uit ruim 2200 lidmaten, die verspreid over de eilanden woonden. Deze eilanden lagen niet ver van elkaar, maar om ’s zondags naar de eredienst te komen moesten de gelovigen per boot toch een flinke afstand afleggen. Omgekeerd was het voor de prediker ook een hele toer om zijn parochianen te bezoeken. Vooral in de winter, wanneer kou en harde wind voor veel ongemak zorgden en sneeuwval het zicht ontnam. Kinderen in deze verspreide gemeente kregen les van een van de vier rondreizende onderwijzers, die vaak door de geestelijke zelf waren onderricht. Zo’n onderwijzer woonde een tijdlang in bij een boer, waar de kinderen uit de buurt zich dan verzamelden om les te krijgen.

1024px-Bruholmen_rusaset_austrattlunden, Ørland, 2005, GA Ørland

Ørland. (Collectie Gemeentearchief Ørland)

De mensen die op deze eilanden woonden, waren boer of dagloner en tevens visser. Haring vond veel aftrek onder arme mensen. Ze maakten er soep van en aten de vis bovendien bij de pap die ze kookten van havermeel. Haver werd in deze omgeving veel verbouwd en van het havermeel werd flatbrød gebakken, grote ronde dunne koeken die werden bestrooid met roggemeel. Rijke mensen bakten het flatbrød dunner en van haverbloem, dus zonder zemelen. Daarnaast werd in deze contreien zwart roggebrood gegeten, waarin komijnzaad was verwerkt om de smaak en geur een oppepper te geven.

Doodskisten op een landgoed

Tijdens zijn verblijf bij Ørland gaf De Jong gehoor aan een uitnodiging van Eiler Hagerup Holtermann, eigenaar van het landgoed Austrått (in de brieven geschreven als Osterraad). De Jong legde een grote belangstelling aan de dag voor de geschiedenis van het huis en zijn bewoners. Rond het midden van de zeventiende eeuw waren de gebouwen in opdracht van de toenmalige eigenaar Ove Bjelke nieuw opgetrokken. Maar de eerste vermeldingen van Austrått dateren reeds uit de tiende eeuw (De Jong meende de twaalfde eeuw). De Jong betrad het gebouw door de gewelfde poort, die versierd is met wapens en familienamen, bekeek de galerijen met aan weerszijden houten beelden en ging de – naar zijn zeggen – twintig trappen op om het huis binnen te gaan. Hij waande zich in de tijd van de oude kastelen: smalle lage deuren, kleine vensters, nauwe gangen en weinig licht.

Austrattborgen entree, foto Karin Størseth, cc by 2.5

De poort van het landgoed Austrått. (Foto Karin Størseth, CC-BY 2.5)

Vervolgens daalde hij af in de kleine kapel, waar hij een aantal schilderijen bewonderde, die er door ouderdom of achterstallig onderhoud overigens niet al te best bij hingen. In een vertrek achter het altaar stonden vijf doodskisten. Daarin rustten bouwheer Ove Bjelke en diens vader Jens Bjelke, evenals Oves drie vrouwen. Van Helena Lindenow, Bjelkes in 1675 gestorven, laatste echtgenote, was de kist geopend en kon De Jong het opmerkelijk gaaf gebleven lijk aanschouwen, alsmede haar eveneens opmerkelijk gaaf gebleven linnen hemden en de bekleding van de kist. De Jong schreef de uitstekende conditie toe aan de zeer droge lucht in de kapel, waar de deuren bijna altijd openstonden.

Na de kapel bezocht De Jong nog een kleine gevangenis in het complex. Hij besteedde voorts aandacht aan de stenen piramide bij het huis, die ter ere van de vader van Ove Bjelke was opgericht. Een woordspeling op de plaquette ontging hem niet. De Jong meende dat de piramide in opdracht van Bjelke zelf was gebouwd, maar inmiddels wordt aangenomen dat alleen de gedenksteen uit diens tijd stamt en dat de piramide kort vóór 1774 moet zijn gebouwd, slechts enkele decennia voor het bezoek van onze zeeman dus. Het bezoek werd afgesloten met een maaltijd, waarbij een overvloed aan vlees en vis werd geserveerd en weinig groente en fruit, al liet De Jong zich de kersen, die in de omgeving waren geplukt, goed smaken.

Austrattborgen in 2005, cc by 2.5

Landgoed Austrått in 2005. (CC-BY 2.5)

Op 6 oktober was er eindelijk een gunstige wind en kon de reis naar Trondheim worden voortgezet. Om tien uur die avond bereikte De Jong de havenstad, waar ook vijf van de Oostindiëvaarders op de rede lagen. Zou De Jong toen al hebben bevroed dat hij nog de hele winter en het voorjaar in Noorwegen zou moeten blijven?

In de volgende blog lezen we hoe het De Jong en zijn mannen in Trondheim verging en welke indrukken hij opdeed van het dagelijks leven in deze stad.

Bronnen:
Carla van Baalen en Dick de Mildt (red.), ‘Weest wel met alle menschen’; de Kaapse brieven van Cornelius de Jong van Rodenburgh, Hilversum 2012.
Jaap R. Bruijn, Naval captain Cornelius de Jong’s unforeseen stay in Norway (1795-1796), in: Louis Sicking, Harry de Bles, Erlend des Bouvrie (eds.), Duth light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 93-112.
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ’s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 2, Haarlem 1802 (ook online).

Noors design steelt de harten in Milaan

Toen afgelopen zondag de deuren aan de Via Ventura 6 in Milaan sloten, kon Noorwegen terugkijken op een uitstekende performance tijdens de prestigieuze Salone del Mobile. Hét design evenement waar de hele wereld naar kijkt, vond dit jaar plaats van 12 tot 17 april. Noorwegen was er present met 26 ontwerpers. Omdat de mogelijkheden om hun ontwerpen in productie te krijgen in eigen land beperkt zijn, hoopten zij in Milaan onder meer de aandacht te trekken van producenten uit het buitenland.

Ook vorig jaar presenteerde Noors design zich in Milaan, toen onder de noemer Norwegian Presence. Dit jaar was Structure het overkoepelende thema. Verscheidene organisaties sloegen voor deze expositie de handen ineen: Klubben (Noorse designers), Norwegian Crafts (hedendaagse kunstnijverheid) en de verffabrikant Jotun, die de kleurstelling ontwikkelde. De styling en inrichting van de ruimte was in handen van het duo Kråkvik & D’Orazio en van Hanna Nova Beatrice, chef-redacteur van het Zweedse designmagazine Residence.

De ontwerpen in Milaan waren van meest jonge Noorse designers. Inspiratie haalden zij van over de hele wereld, soms ook heel dichtbij huis. Vera & Kyte, de designstudio van Vera Kleppe and Åshild Kyte uit Bergen, liet zich inspireren door de vormen en kleuren van de steden Los Angeles, Tokyo en Rome. Ze maakten sets van grafische tegels die kunnen dienen als onderzetter, pannenonderzetter of dienblad.

Tiles VITRA.indd

Navigate. Ontwerp Vera & Kyte. (Foto Siren Lauvdal)

In de archieven van de gerenommeerde Noorse zilversmid Theodor Olsen trof Lars Beller Fjetland een oud ontwerp voor een bestek aan. Het dateert uit de jaren 1950, maar het bestek werd nooit in productie genomen. Fjetland bewerkte het design. De hartvormige bladen en de lange stelen van de monstera (gatenplant) inspireerden hem tot het ontwerp van de asymmetrische bestekonderdelen: een weerspiegeling van de gatenplant, die in staat is om twee soorten bladeren te laten groeien: dichte en vingervormige.

salone_norwegian_004-1050x700, foto Siren Lauvdal_1

Monstera. Ontwerp Lars Beller Fjetland. (Foto Siren Lauvdal)

Het is geen sofa en evenmin een armstoel. Sara Polmar ontwierp Between, een zitmeubel dat uitnodigt tot het ontdekken van nieuwe vormen van ‘zitten’, alleen of met anderen. Noorse meubeldesigners gooiden vanaf de jaren zestig al hoge ogen met het zoeken naar nieuw zitcomfort. Sara Polmar ging opnieuw op zoek. De zitting, rug en armleuning van haar meubel zijn uitgevoerd in Noorse wol en hebben verschillende kleuren en structuren.

Structure-produkt-21_1

Between. Ontwerp Sara Polmar. (Foto Siren Lauvdal)

Noorwegen zou Noorwegen niet zijn als op deze designtentoonstelling de experimenten met materialen en technieken niet zouden overheersen. Anja Borgersrud ontwierp Shake: drie strooivaten voor zout, peper en suiker. Ze lijken op kiezelstenen en degene die het vat vasthoudt, zou er een moment van meditatieve kalmte door ervaren.

Structure-produkt-3_1

Shake. Ontwerp Anja Borgersrud. (Foto Siren Lauvdal)

Een boeiende uitdaging ging Anette Krogstad aan. Zij slaagde erin steengoed te creëren met een oppervlakte die lijkt op korstmossen. Ze vormde de borden met de hand en glazuurde ze in drie tot vier lagen om het bedoelde effect te krijgen.

Structure-produkt-2_1

Steinlav. Ontwerp Anette Krogstad. (Foto Siren Lauvdal)

Opvallend veel ontwerpers vonden hun kracht in de combinatie van materialen. Het designduo gunzler.polmar maakte Pour, een klassieke set bestaande uit een waterkan en bijbehorend bekken. De kan is van porselein, het bekken van ruw steengoed. Aanvulling en contrast in een.

salone_norwegian_002-1050x700, foto Siren Lauvdal

Pour. Ontwerp gunzler.polmar. (Foto Siren Lauvdal)

Kristine Bjaadal combineerde in Sfera twee verschillende materialen: essenhout en het unieke Noorse gesteente larvikite, dat bij de zuidelijke kustplaats Larvik gewonnen wordt. Een soortgelijke combinatie liet ze eerder ook zien in de series Hegne (houten potten met deksels van keramiek) en Hold (glazen potten met houten deksels).

Bjaadal_Sfera_3_WEB, foto Lasse Fløde_1

Sfera. Ontwerp Kristine Bjaadal. (Foto Lasse Fløde)

Een onverwachte combinatie van materialen maakte Barmen & Brekke met Kveik. Kveik – het Noorse woord voor ontbranden – is een serie van drie kaarsenstandaards, die vijf soorten klei en vijf in Noorwegen voorkomende houtsoorten verenigt. Elk object is gemaakt met de techniek van het draaien, een van de oudste methoden om materialen in een vorm te dwingen.

kveik-kirsebc3a6r-alm-ask, foto Barmen & Brekke

Kveik. Ontwerp en foto Barmen & Brekke.

De sporen die ambachtelijke technieken nalaten, geven de producten die ermee zijn gemaakt karakter en levendigheid. Ze ontbreken vaak in producten die met moderne industriële of computergestuurde technieken zijn gemaakt. Sverre Uhnger echter liet de groeven en afdrukken van de CNC-freesmachine intact. Ze zeggen iets over het maakproces en hebben tegelijkertijd een decoratieve functie. Trace is een collectie van houten serveerbladen en planken.

Trace_SverreUhnger_3, foto Siren Lauvdal_1

Trace. Ontwerp Sverre Uhnger. (Foto Siren Lauvdal)

En last but not least springt de bronzen vaas Vigeland in het oog, ontworpen door Andreas Engesvik, een van de grootste namen uit de hedendaagse Noorse designwereld. De vaas is zijn antwoord op het Vigeland Park in Oslo, dat gewijd is aan de imponerende sculpturen van de kunstenaar Gustav Vigeland. Met de vaas onderzoekt Engesvik de relatie tussen het fundamentele en het door mensenhanden gemaakte. De zwaarte en het ogenschijnlijk onveranderlijke van het object plaatst hij als het ware naast het veranderlijke karakter van de inhoud.

Structure-produkt-1_1

Vigeland. Ontwerp Andreas Engesvik. (Foto Siren Lauvdal)

De expositie Structure trok veel aandacht in de internationale designwereld. Toonaangevende media besteedden er aandacht aan: Wallpaper, Dezeen, Disegno en AnOther bijvoorbeeld. Noorwegen heeft opnieuw zijn visitekaartje afgegeven.

Kijk voor alle ontwerpen op www.norwegianstructure.com.

Pasen in Noorwegen: over sneeuw, chocoladekoekjes en misdaadromans

Pasen luidt – net als in Nederland – in Noorwegen het begin van het voorjaar in. De Noren koppelen er een relatief lange vakantie aan. De scholen zijn de week voorafgaand aan Pasen dicht en veel bedrijven sluiten de poorten van Witte Donderdag tot en met Tweede Paasdag. Veel Noren brengen Pasen in familiesfeer door, met activiteiten in de buitenlucht en een spannende misdaadroman voor de avonduren.

Voor veel Noren is Pasen in de eerste plaats een christelijke feestdag. De kerken kunnen rekenen op meer kerkgangers dan op gewone zondagen. In veel kerken wordt bovendien op zaterdagavond al een mis gevierd. In Oslo vindt op Goede Vrijdag een processie plaats, georganiseerd door de KirkensBymisjon, een sociaal-maatschappelijke organisatie van gelovigen. Vooraan in deze processie wordt een groot houten kruis meegedragen. Het kruis zelf wordt overigens op wielen voortbewogen. De dragers komen uit de stoet en wisselen elkaar af. Anderen dragen hun eigen kleine houten kruis. De optocht start bij de Dom van Oslo en stopt op verschillende plaatsen, onder meer bij het parlementsgebouw en het gerechtsgebouw. De processie eindigt bij de St. Olavskirke, waar het kruis met rode bloemen wordt versierd.

daffodils, foto Ole Husby, cc by sa 2.0

Narcissen geven Pasen in Noorwegen kleur, zowel binnen als buiten. (Foto Ole Husby, CC-BY-SA-2.0)

Eieren, kuikentjes en narcissen

Net als in andere landen zijn er in Noorwegen volop wereldlijke elementen aan het kerkelijke feest toegevoegd. Die staan veelal in verband met het ontluikende voorjaar. Vele bevatten symbolen van nieuw leven en groei. Dé paaskleur in Noorwegen is geel, maar ook grasgroen doet het goed. Tijdens de paasdagen prijken er voorjaarsbloemen (narcissen, tulpen en hyacinten) en andere vrolijke decoraties in huis. Kuikentjes en eieren ontbreken niet. De Noren gebruiken berkentwijgen als paastakken, die ze met fleurige decoraties behangen. De paashaas ontbreekt evenmin, al wordt deze beschouwd als iets dat vooral vanuit commerciële overwegingen aan het paasfeest is toegevoegd. Maar niettemin brengt de paashaas ook in Noorwegen eieren, die kinderen op eerste paasdag mogen zoeken.

Culinaire genoegens

Op de vrolijk gedekte Noorse ontbijttafels prijkt een overvloedige hoeveelheid eten, waaronder vers brood en gekookte eieren die net als bij ons soms beschilderd zijn. Traditionele gerechten voor de lunch of het diner zijn rakfisk, gemaakt van verse forel, en gebraden of geroosterd lamsvlees, dat wordt gegeten met gekookte aardappelen en groenten. Wie daar zin in heeft, drinkt er speciaal paasbier bij. En dan zijn er nog speciale paasdesserts, paastaarten en paaskoekjes. Een rondgang langs de recepten doet het water in de mond lopen: sinaasappeltaart, worteltaart met ananas en kokos, chocoladetaart met truffelcrème, kleurig bestrooide vanilletaart en cheesecakebrownies met frambozen. Dat is nog maar een kleine greep uit hetgeen heel Noorwegen in de paastijd bakt. Onder de koekjes vielen me de paasmakronen op, met een vulling van roomkaas, suiker en saffraan. Daarnaast eten de Noren in deze tijd veel sinaasappels en zoetigheid als marsepein en chocolade. Kinderen krijgen vaak op zaterdagavond (paasavond) grote, in kleurig folie gewikkelde paaseieren die met lollies en/of andere zoetigheden zijn gevuld.

harer i disp, foto Thomas Angermann, 2006, cc by sa 2.0

Chocolade paashazen in de winkel. (Foto Thomas Angermann, CC-BY-SA-2.0)

Sverigedag

Tot zover is het Noorse Pasen redelijk vergelijkbaar met dat in Nederland. Maar de Noren hebben ook andere, karakteristieke gewoonten. Neem Sverigedag, de Noorse invasie in Zweden op Witte Donderdag. In de grensstreken staan op deze dag lange files richting Zweden. Veel (jonge) Noren stappen op deze dag in de auto om in het veel goedkopere Zweden, waar de winkels wel open zijn, inkopen te doen. Alcoholische dranken bijvoorbeeld kosten in Zweden lang niet zoveel als in Noorwegen. Bovendien zijn de Noorse Vinmonopolets (drankwinkels) al vanaf woensdagmiddag 15 uur gesloten en gaan ze pas na Pasen weer open. Het reisje naar Zweden is een zeer populair tijdverdrijf. Vorig jaar besteedden zo’n 15.000 Noren op die manier hun Witte Donderdag.

Kvikk Lunsj in de buitenlucht

Naar het schijnt is het minder gebruikelijk aan het worden om de paasdagen door te brengen in de hytte (het buitenhuisje dat een flink aantal Noren bezit). Maar dat wil niet zeggen dat alle Noren met Pasen thuis blijven zitten. Een aanzienlijk deel trekt er in deze dagen in de buitenlucht op uit. Skiën en wandelen in de bergen zijn dan veruit het meest populair. Dat mag nauwelijks een wonder heten in een land waar met Pasen nog zoveel sneeuw ligt.

påske Tynset, Hedmark, 2010, foto Aslak Raanes, cc by 2.0

De sneeuw in bij Tynset (Hedmark), Pasen 2010. (Foto Aslak Raanes, CC-BY-2.0)

Bij de outdooractiviteiten zorgt een Kvikk Lunsj (Snelle Lunch) voor de broodnodige energie. Deze chocoladereep gaat mee in elke rugzak, evenals overigens een paar sinaasappels en een blikje Solo frisdrank. De Noorse chocoladefabrikant Freia lanceerde Kvikk Lunsj in 1937, twee jaar nadat in de Verenigde Staten het enigszins vergelijkbare KitKat op de markt was gekomen. Het Noorse koekje is een dikke knapperige vanillewafel omhuld door een laag melkchocolade en kan in vier repen worden gebroken. Delen is dus het devies. De voedingswaarde zou gelijk staan aan twee boterhammen en een ei, zo beloofde Freia bij de introductie. Voor veel Noren heeft Kvikk Lunsj nostalgische waarde. Het is bepaald niet gewaagd om te veronderstellen dat de iconische chocoladewafel deel uitmaakt van de Noorse nationale identiteit.

kvikk lunsj in the snow, foto color line, cc by 2.0

Kvikk Lunsj in de sneeuw. (Foto Color Line, CC-BY-2.0)

Påskekrim

En wie dan moe maar voldaan van de wandeling of skitocht is teruggekeerd, laat zich ’s avonds onder een deken op de bank meevoeren in een bloedstollende misdaadroman of misdaadserie op tv. Påskekrim is een begrip in Noorwegen. Vrijwel alle televisiekanalen zenden met Pasen een misdaadserie uit. In de supermarkten verschijnen Tine-melkkartons met mysterieuze misdaadverhalen op de verpakking. Kindvriendelijk, dat wel, zodat de hele familie zich tijdens het ontbijt over de raadselachtige misdaad kan buigen. Uitgevers brengen juist in de paastijd nieuwe misdaadromans op de markt. Naar het schijnt is de Påskekrim-traditie begonnen in 1923 met een advertentie op de voorpagina van de Noorse krant Aftenposten voor het boek Bergenstoget plyndret i natt (De Bergentrein werd vannacht geplunderd) van Nordahl Grieg en Nils Lie. Velen zagen de advertentie aan voor een echt nieuwsbericht. Het boek werd een groot succes en dit bracht uitgeverijen op het idee om ook in het volgende jaar hun nieuwe misdaadromans en detectives rond Pasen te lanceren. Zo werd de paastijd het hoogseizoen voor de Noorse krimi.

Pasen voor nerds

De meest recente paastraditie in Noorwegen speelt zich af in Hamar, waar enkele duizenden meest jonge mensen (tussen de 15 en 25 jaar) zich in het Vikingskipet verzamelen voor een mega computer party. ‘The Gathering’ is een paastraditie voor nerds, die van over de hele wereld belangstellenden trekt. Er worden nieuwe vriendschappen gesloten, discutabele eet- en slaapgewoonten gedeeld en er wordt vooral heel veel gegamed. Een zeer eigentijdse loot aan de stam van de Noorse paastradities dus, al lijkt het zeer onwaarschijnlijk dat hij de Kvikk Lunsj in de sneeuw ooit zal verslaan.

The Gathering 2011, foto Andreas Rønningen, cc by 2.0

The Gathering in Hamar, 2011. (Foto Andreas Rønningen, CC-BY-2.0)

Als bronnen voor dit verhaal dienden verhalen op de volgende websites: www.tnp.no, www.mylittlenorway.com, www.thornews.com, www.norwegianarts.org.uk, www.thanksforthefood.com, www.visitnorway.com, www.lifeinnorway.net en www.afroginthefjord.com.

‘Mijlen en mijlen verwijderd van beschaving’: de eerste groepsreizen naar Noorwegen

Vanuit de haven van IJmuiden vertrok op 19 juli 1929 het schip Monte Cervantes voor een tocht langs de Noorse kust. Aan boord van dit luxe cruiseschip bevonden zich meer dan zeshonderd Nederlanders. Een van hen deed in een lokale krant verslag van deze reis. Dit en andere reisverslagen uit die tijd geven een onthullend inkijkje in de wijze waarop Nederlandse vakantiegangers, die voor het eerst in grote groepen naar Noorwegen gingen, het land ervoeren.

De eerste cruises

De Nederlandsche Reisvereeniging organiseerde in de jaren twintig haar eerste grote groepsreizen naar Noorwegen en bracht dit land daarmee binnen het bereik van grotere groepen in de samenleving. Een reis kostte tussen 115 en 201 gulden en wie dat betalen kon, kon zich, voorzien van alle gemakken op luxe boten, naar het Noorden laten varen. Noorwegen kon al rekenen op belangstellenden van koninklijke bloede. Het land was al decennia eerder een favoriet reisdoel van de Duitse keizer Wilhelm II. En ook de Nederlandse koningin Wilhelmina koesterde een voorliefde voor het indrukwekkende Noorse landschap. Haar eerste reis naar Noorwegen maakte ze in augustus 1921 en daarna zou ze het land nog vele malen bezoeken. Altijd gewapend met haar tekendoos, want ze vond er veel inspiratie voor haar tekeningen en schilderijen.

keizer wilhelm ii in noors landschap, foto toegeschreven aan Paul Güssfeldt, ca. 1889, Rijksmuseum_1

De Duitse keizer Wilhelm II in een Noors landschap, omstreeks 1889. (Rijksmuseum, foto toegeschreven aan Paul Güssfeldt)

In het voetspoor van de koninklijke reizigers zetten in de jaren twintig ook anderen koers naar het Hoge Noorden. In 1927 kreeg de Noorse stad Bergen drieduizend Nederlandse toeristen te verwerken. De winkels gingen er speciaal op zondagmiddag voor open. De stroom was voorlopig niet te stuiten. Meer dan zeshonderd Nederlanders scheepten samen met ruim duizend Duitsers in juli 1929 in op het luxe schip Monte Cervantes. Onder hen bevond zich reiziger P.J.W., wiens verslagen van deze reis in de Vlissingsche Courant werden afgedrukt.

De reis bracht de opvarenden eerst naar Bergen. Van daaruit ging het via Molde, Ålesund en Harstad (Lofoten) naar de Noordkaap. Zelfs Spitsbergen werd aangedaan en vervolgens keerde het schip via Hammerfest langs de Noorse westkust terug. Onderweg was er af en toe gelegenheid om van boord te gaan en kennis te maken met het Noorse landschap, de steden en de bevolking. P.J.W. beschrijft hoe bij aankomst in Bergen 40 tot 45 auto’s klaar staan om de gasten de bergen in te rijden en hoe op een later moment de toeristen zich in een colonne van bijna 200 boerenwagentjes met paardjes ervoor (stolkjære) naar het hoog in de bergen gelegen hotel Stalheim laten vervoeren. De Noren waren erop ingericht om gasten te ontvangen. Daarvan getuigen ook de vele gelegenheden om souvenirs te kopen. In de winkels in Bergen waren grote aantallen houten en zilveren Vikingscheepjes voorradig. En bij de Noordkaap stonden ‘Lappen’ die de toeristen snuisterijen verkochten.

Monte Cervantes, Bundearchiv, cc by sa 3.0 de

De Monte Cervantes was een voor die tijd modern schip. Klassen ontbraken aan boord, zodat iedereen kon gaan en staan waar hij wilde. Het schip was in 1928 in de vaart genomen en zou in 1930 voor de kust van Zuid-Amerika vergaan nadat het tegen een rots was gevaren.

Vervoering

De reizigers van toen vielen voor dezelfde elementen in het Noorse landschap die ook menige huidige toerist in vervoering brengen: de fjorden, de tienduizenden grote en kleine eilanden voor de kust, de steile rotswanden, de watervallen en de gletsjers en sneeuwvelden in de bergen. P.J.W. geniet van de autotocht in de omgeving van Bergen. Als “moderne Vikingen aan het stuur” weten de Noorse chauffeurs moeiteloos de hoge hellingen en scherpe bochten te nemen om dan weer met vliegende vaart de diepe valleien in te duiken. Eenzelfde bewondering valt overigens ook de kapitein ten deel die de Monte Cervantes behoedzaam langs de rotsige eilanden loodst. Het vervoer in het ruige landschap hield ook andere reizigers in Noorwegen bezig. Koningin Wilhelmina beschrijft hoe zij over een weg “die maar een bescheiden plaats was toegemeten” een autorit maakte naar de staafkerk in Borgund. “Bij de bochten vroegen wij ons soms af of onze auto niet knel zou raken!”

Stavkirke Borgund, 2008, foto Orse, cc-by-sa-2.0

De staafkerk in Borgund in 2008. (Foto Orse, CC-BY-SA-2.0)

Betuwe in de bergen

De akkertjes en weilanden tegenaan de berghellingen, die in Noorwegen overigens maar dun gezaaid zijn, doen P.J.W. aan de Alpen denken. De groene weiden met grazende koeien en boomgaarden langs het Geirangerfjord associeert hij zelfs met de Betuwe, “maar dan met een stoffage van bergen, watervallen en hoge rotsen”. In het Noorse landschap liggen de kleine huisjes vaak ver van elkaar verspreid, “alsof een kind den inhoud van zijn bouwdoos hier en daar had weggesmeten”. Koningin Wilhelmina is eveneens onder de indruk van het landschap. In een brief aan haar moeder schrijft ze: “Er is veel poëzie in het landschap, weinig koroliet, een blauw waas overdekt hemel en bergen. De onnoemelijke stille wateren der fjorden, bewaakt en in toom gehouden door reuzen van graniet zal ik licht niet vergeten.” Wilhelmina raakte tijdens bergwandelingen soms zo overweldigd door het natuurschoon dat ze de rest van het gezelschap vooruit liet gaan en zelf achterbleef om de omgeving in alle eenzaamheid in zich op te nemen.

foto auteur

“… een blauw waas overdekt hemel en bergen…” (Foto auteur, 2014)

Journalist en auteur J.B. Schuil, die in 1927 op het cruiseschip Monte Olivia naar Noorwegen reisde, beschrijft in het Haarlem’s Dagblad hoe hij met een groep wandelaars de Kjenndal gletsjer bereikte. “Het is het meest woeste berglandschap dat men zich denken kan. […] Torenhoog liggen de ijsmassa’s hier opgestapeld, in de meest grilligen vorm, gekarteld, getand, massief, als witte granietblokken met spleten en scheuren van opaal-blauwe kleur. O, die wonder-blauwe kleur van het gletscher ijs! Nooit zag ik ze zoo intens, zoo diep, zoo sprookjesachtig mooi […]”.

Kjenndalsbreen, foto Karalan, cc by 2.0

Kjenndalsbreen in 2008. (Foto Karalan, CC-BY-2.0)

Middernachtzon

Eenzelfde ontzagwekkende ervaring hadden de reizigers op de Monte Cervantes toen zij op 24 juli 1929 bij de Lofoten de middernachtzon aanschouwden. Van nacht kan men hier niet spreken, had P.J.W. al eens genoteerd, want het blijft maar steeds licht en helder. Tegen elf uur die avond was van de ondergaande zon nog steeds een goudrode streep zichtbaar achter een lage bergketen. Drie kwartier later steeg plotseling achter de bergen langzaam en statig de middernachtzon omhoog. De zon zette het lage deel van het uitspansel “in een ontzaggelijken vuurgloed die helle stralen uitzond naar omhoog, alsof duizenden brandende vuurgele fakkels het hemelgewelf wilden verlichten.” De passagiers keken een uur lang met ingehouden adem naar het tafereel. “Niemand sprak een woord, en een ieder was diep getroffen door die oneindige goudroode uitgestrektheid aan de kim, welke steeds maar grooter en grooter werd, en zich als een reusachtige groote waaier verspreidde aan het diepblauwe uitspansel.”

Onbedorven en gelukkig

Het landschap imponeerde, maar wat vonden de Nederlandse toeristen van de inwoners van dit land? Het Noorse volk is kalm en ingetogen, noteert P.J.W. De schaarse bewoners van de eilanden voor de kust zwaaien hen toe met hoeden, petten, vlaggetjes en zakdoeken. Ze ontlokken P.J.W. een mijmering over wie nu het gelukkigst is. Zijzelf op de grote oceaanstomer, die gewend zijn in weelde te leven, of de Noorse vissers en schaapherders die nagenoeg van de bewoonde wereld zijn afgesneden. “Hoe of de menschen daar kunnen blijven bestaan en leven is voor mij een raadsel, mijlen en mijlen verwijderd van beschaving en communicatie-middelen…”.

Brislingfiske_Jelsa_A.B. Wilse, 1912

Vissers bij Jelsa in 1912. (Norsk Folkemuseum, foto Anders Beer Wilse)

P.J.W. is ervan overtuigd dat de gezichten van de Noren nog trekken vertonen van de Vikingen, hun “oeroude voorvaderen, die woeste en moedige trotseerders der zeeën”. Geheel in de geest van zijn tijd, waarin veel belangstelling was voor de ‘volksaard’ van de bewoners van een land, geeft P.J.W. het karakter van de Noren weer. Ze zijn volgens hem ruw, onbeschaafd bijna, maar “met een hart in het lijf”. De Noren hebben een heldere blik en hij ontwaart in de blauwe ogen van met name kinderen een bovennatuurlijke glans. Daarin zou te zien zijn dat ze nog niet bedorven zijn door de moderne samenleving. Alles aan de Noren is waarheid, aldus onze verslaggever. Hun gelaatsuitdrukking, manieren en handbeweging zeggen alles: kortaf, maar recht en ferm.

Subliem landschap

De reizigers ervaren het natuurschoon als overweldigend en de Noren als eenvoudig van geest en oprecht van gemoed. De nieuwe generatie toeristen is daarmee erfgenaam van de onderzoekende Europeanen die vanaf de achttiende eeuw de wereld verkenden en in nieuwe kaders plaatsten. Het beeld van de Alpen was al gekanteld. De bergen waren niet langer afschrikwekkend, maar juist aantrekkelijk. Ook Noorwegen was om die reden een reisdoel op zich geworden. In de citaten uit de reisverslagen herkennen we romantische principes van onpeilbaarheid, onregelmatigheid, verrassing en spanning en de angst die dit alles tegelijkertijd oproept. P.J.W. noemt Noorwegen “zeer zeker” romantisch en vindt het dan ook niet verwonderlijk dat Noorse dichters er hun sagen dichtten, dat Grieg er zijn Noorse composities schreef en dat de mystieke literatuur van Ibsen er het levenslicht zag.

Molde, foto Karsten Köhler 2, 2008, CC-BY-ND-2.0

De kust bij Molde in 2008. (Foto Karsten Köhler, CC-BY-ND-2.0)

Voor sommigen, onder wie koningin Wilhelmina, had het sublieme landschap een religieuze dimensie. Alle elementen in het Noorse landschap vertellen volgens haar “het verhaal van een machtige schepping, waarbij de mens zich zo nietig gaat voelen en stil wordt. […] Hoe dicht nadert de mens zijn Schepper in die omgeving.” P.J.W. en zijn medepassagiers ervaren bij de middernachtzon iets soortgelijks. Hij beschrijft hoe ze na het fenomeen een uur lang te hebben gadegeslagen stil naar hun hutten gaan, alsof ze een kathedraal verlaten waar ze door een hogere macht herinnerd zijn aan de nietigheid van de mens. Juist in een tijd waarin men door techniek en wetenschap de wereld steeds meer leek te begrijpen, ging er van dergelijke ervaringen in de natuur een grote aantrekkingskracht uit. Terwijl het dagelijks leven gelijkvormiger werd, was er ook een verlangen naar een leven dat betekenis kreeg door een diepere ervaring. P.J.W. spiegelt zichzelf en zijn passagiers aan de eenvoudige vissers die vanaf de eilanden naar hen zwaaien. Hij ziet hen als “eenvoudigen van geest, die door hun allersoberste levenswijze zich hebben aangepast en verzoend met het lot dat hun voor jaren en jaren is beschoren” en meent dat zij zich een stuk gelukkiger zullen voelen dan een deel van zijn reisgenoten, die zich verveeld bewegen in hun wereld van weelde.

Met zijn ongerepte natuur en bewoners leek Noorwegen zo’n honderd jaar geleden de ultieme romantische reisbestemming. Was er dan helemaal niets mis met het land? Eén minpuntje noteerde P.J.W. nog wel. In de havensteden stonk het vreselijk. Met een aflandige wind verspreidden de stokvispakhuizen en traankokerijen hier een uiterst onaangename visgeur. Landschap en bewoners mochten dan zo hun aanlokkelijkheden hebben, het parfum was in Noorwegen niet uitgevonden.

Bronnen:
Koninklijke kunstenaars; Wilhelmina, schilderen en tekenen, op website www.hethuisvanoranje.nl.
J.B. Schuil, Met de reisvereeniging naar Noorwegen, in: Haarlem’s Dagblad 17-8-1927 (geraadpleegd via Krantenviewer Noord-Hollands Archief).
Joachim von der Thüsen, Het verlangen naar huivering; over het sublieme, het wrede en het unheimliche, Amsterdam 1997.
P.J.W., Reisbrieven van een oud-Vlissinger I-VIII, in: Vlissingsche Courant 27-7-1929, 29-7-1929, 1-8-1929, 6-8-1929, 7-8-1929, 9-8-1929, 10-8-1929, 12-8-1929 (geraadpleegd via Krantenbank Zeeland, ZB| Planbureau en Bibliotheek van Zeeland).
Wilhelmina prinses der Nederlanden, Eenzaam maar niet alleen, Amsterdam 1959.

Koffie in Noorwegen

Koffie drinken de Noren net zo graag als de Nederlanders. Sloten koffie dus. En net als in Nederland begon koffie in Noorwegen honderden jaren geleden zijn opmars als luxeproduct, om in de negentiende eeuw in alle lagen van de bevolking door te dringen. Hoe smaakte een Noors bakje toen? En wat heeft koffie in dit land te maken met vis en de Lutherse kerk?

Kaffekiele

In de boedel van een rijke hooggeplaatste douanebeambte in Christiania (Oslo) bevindt zich volgens een beschrijving uit 1694 een ‘kaffekiele’ (koffiepot). Het is de oudste aanwijzing dat er in Noorwegen koffie werd gedronken. Mogelijk is dit gebruik meegekomen met Deense beambten die in Noorwegen werden gestationeerd, nadat dit land onder de Deense koning was gekomen. En de Denen zullen het koffie drinken hebben opgepikt toen dit gebruik begin zeventiende eeuw vanuit Turkije Europa bereikte.
Koffie was in Noorwegen in de begintijd voorbehouden aan de kleine gegoede bovenlaag van rijke kooplieden en adel. Het was toen een schaars en duur product. Koffie werd in apotheken verkocht als laxeermiddel, maar belangrijker was de functie als genotsmiddel. Koffie dronk je in gezelschap, bijvoorbeeld tijdens damesvisites. Tijdgenoot en schrijver Ludvig Holberg ontging het effect van het kopje koffie niet. ‘Zodra het duivelse gebrande brouwsel over de lippen van de dames gaat, beginnen hun monden te klapperen als pepermolens’, laat hij een van zijn personages zeggen in het toneelstuk Barselstuen (1722).

KMS506

Motiv fra Ludvig Holberg: Barselstuen, schilderij door Wilhelm Marstrand,1845. (Statens Museum for Kunst, Denemarken)

Goedkope luxe

Eind achttiende eeuw consumeerden de Noren per hoofd van de bevolking zo’n 20 tot 35 koppen koffie per jaar. Tegenwoordig drinkt de gemiddelde Noor zo’n hoeveelheid in één week. Vergeleken met andere landen was het toenmalige verbruik in Noorwegen wel hoog. Dat er zoveel koffie werd gedronken had vooral te maken met de lage prijs ervan. Omdat Noorwegen deel uitmaakte van het Deense koninkrijk kon het land profiteren van de door de Denen gecontroleerde vrijhaven op de Maagdeneilanden. Over goederen die via deze haven naar Denemarken of Noorwegen werden getransporteerd, hoefde geen belasting te worden betaald. Zo beschikten de Denen en Noren over goedkope koffie.

Maar onbekommerd was het leven van de toenmalige koffieliefhebber niet. De Deense koning vond dat de consumptie van luxeartikelen, waartoe ook koffie werd gerekend, uit de hand liep en stelde er een verbod op in. Dat was van 1783 tot 1799 van kracht. Op dat moment vond de koning de Lutherse kerk aan zijn zijde. De kerk veranderde echter van standpunt toen ze inzag dat koffie een goed alternatief was voor alcoholische dranken. Vooral nadat in 1816 in Noorwegen het thuis distilleren was toegestaan, nam het gebruik van sterke drank flink toe. Dat baarde de kerk én de snel groeiende Noorse matigheidsbeweging grote zorgen. Zij propageerden nu het drinken van koffie in een poging het gebruik van sterke drank te beperken. Toen in 1842 het thuis distilleren werd verboden, was koffie in alle lagen van de bevolking doorgedrongen, zowel in de grote steden aan de kust als op het platteland.

koffiepauze bij bouw bedrijf Elvheim in Åsen (1923), foto coll. Åsen Museum og Historielag

Koffiepauze bij de bouw van een bedrijfsgebouw in Åsen, 1923. (Collectie Åsen Museum og Historielag, CC-BY-2.0)

Het gemiddelde verbruik per hoofd van de bevolking lag midden negentiende eeuw op zo’n 250 koppen per jaar, ongeveer het tienvoudige van vijftig jaar eerder. En omdat koffie in de daaropvolgende decennia alleen maar goedkoper werd – een gevolg van lagere invoerrechten en een dalende prijs op de wereldmarkt – groeide het gebruik alleen maar meer. Tot ontzetting van medici overigens, die zich zorgen maakten over de vele kinderen die in plaats van melk al koffie dronken.

Noorse kooplieden hadden zich intussen toegelegd op de handel in koffie. Hun schepen die met gedroogde gezouten vis naar Brazilië voeren, namen op de thuisreis koffiebonen mee. Zo deed koopman Herman Friele (1763-1843) uit Bergen dat bijvoorbeeld. Zijn grossiershandel ontwikkelde zich tot de bekende Noorse koffiebranderij Friele.

Een kwestie van smaak

Om van koffiebonen drinkbare koffie te kunnen maken, worden de bonen na de oogst eerst gedroogd, daarna gebrand en ten slotte gemalen. Zo gaat dat althans tegenwoordig. Maar de meeste Noren dronken tot ver in de negentiende eeuw koffie van ongebrande bonen. Koffie van gebrande bonen verloor, zo vonden de kenners, al snel zijn karakteristieke aroma en vaak waren de voorgebrande koffiebonen die verkocht werden veel te lang gebrand of – erger nog – verkoold, waardoor de koffie helemaal niet meer te drinken was. Ook de duur van het drogen deed er overigens toe. Bonen die te snel op de markt werden gebracht, gaven geen lekkere koffie.

In het kookboek Kogebog for Folkeskole og Hjemmet uit 1891 legt Dorothea Christensen uit hoe een goede huisvrouw koffie maakt. Benodigd zijn één liter water, twee eetlepels hele koffiebonen en een heel klein beetje vissenhuid. De koffiebonen moeten fijn gemalen worden. Als het water kookt kan de gemalen koffie erbij, evenals de vissenhuid om het mengsel te klaren. Het geheel moet aan de kook blijven totdat alle koffiegruis naar de bodem is gezakt. Dat duurt maximaal tien minuten. Dan kan de ketel van het vuur en als de koffie even heeft gestaan, kan ze worden gedronken. Sommigen lieten het brouwsel overigens veel langer koken, soms wel een uur.

kaffebål, foto Ole Husby, cc-by-sa-2.0

Hedendaagse koffie op het vuur. (Foto Ole Husby, CC-BY-SA-2.0)

Net als in Nederland was het ook in Noorwegen enige tijd gebruikelijk om surrogaatkoffie te drinken, veelal gemaakt van (geïmporteerde) cichorei of van andere ingrediënten, variërend van paardenbloemwortels tot aardappelen, kastanjes of bonen. Volgens het recept van Dorothea Christensen diende op het eind een klein beetje paardenbloem (vermoedelijk de wortels van deze plant) aan de koffie te worden toegevoegd.

Industriële koffiebranderij

Koffie van ongebrande bonen raakte uiteindelijk uit de gratie. In de jaren 1880 verkochten de meeste kruideniers in Christiania al gebrande koffiebonen. Het branden deden ze zelf. De bonen werden met een beetje olie in een metalen trommel, die voortdurend gedraaid moest worden, boven het vuur verwarmd. Het kwam aan op de juiste temperatuur en tijd en het vroeg de nodige vaardigheid om dit goed te kunnen. Behalve op de geur – die de hele winkelstraat kon vullen – ging de brander af op zijn intuïtie. Lang bleef dit echter geen ambachtelijk werk. Binnen tien jaar werd in Noorwegen het startschot gegeven voor machinaal koffiebranden. Koffiehandelaar Friele kocht in Duitsland de benodigde machines en opende in Bergen in 1890 de eerste industriële koffiebranderij van Noorwegen.

Friele kaffe, foto Dekcuf, cc by sa 2.0

Koffie van Friele in diverse variëteiten. Van links naar rechts: ontbijtkoffie, noorderlichtkoffie, paaskoffie en kerstkoffie. (Foto Dekcuf, CC-BY-SA-2.0)

Nog eenmaal was het Noorse kopje koffie in gevaar. Dat was tijdens de Tweede Wereldoorlog toen koffie op de bon ging en de aanvoer stokte. Noorse handelaren vonden een oplossing door de retourhandel met klipvis op Brazilië nieuw leven in te blazen. Nog steeds komt de helft van alle in Noorwegen geïmporteerde koffie uit dit Zuid-Amerikaanse land. Na de oorlog bleef koffie nog jarenlang schaars. Forse subsidies van de regering op échte koffie konden niet voorkomen dat surrogaatkoffie opnieuw terrein won. Ook bleven de Noren vooralsnog een voorkeur houden voor slappe koffie die lang op het vuur had staan pruttelen, net zoals in de negentiende eeuw gebruikelijk was.

Toen de welvaart in Noorwegen in de jaren zestig in rap tempo toenam, ging het met de koffie hard. Naast koffiebrander Friele werden nieuwe koffiebranderijen opgericht en in de steden kwamen ‘koffiehuizen’ op die vorm gaven aan een nieuwe koffiecultuur. Maar ook in de gewone keuken veranderde het koffiezetten. Koffiezetapparaten waarvoor snelfiltermaling nodig was, deden hun intrede, alsmede percolators. Koffie werd goedkoper en de talrijke variëteiten die op de markt kwamen hadden elk een uniforme smaak, zodat de consument wist wat hij kon verwachten.

Tim Wendelboe, foto djanimal, cc by 2.0

Tim Wendelboe in Oslo, een van de bekendste koffiebars in Noorwegen. (Foto djanimal, CC-BY-2.0)

Ritme en gezelligheid

Koffie maakte deel uit van de huiselijke gezelligheidscultuur, die zich ook in Noorwegen sterk heeft ontwikkeld. Vrouwen – het werd tot hun taak gerekend – bekwaamden zich al aan het eind van de negentiende eeuw in het zetten van een goede kop koffie en er ontwikkelde zich een etiquette rond het serveren ervan. Een goede huisvrouw schonk de koffie in de keuken in de kopjes om die vervolgens in de salon te serveren. Koffie gaf ritme aan de dag en aan het leven. Net als in Nederland was ook in Noorwegen het leren koffie drinken een stap in de ontwikkeling van kind naar volwassene. Daarnaast wordt de koffiecultuur in Noorwegen sinds de jaren zestig vormgegeven door koffiebars in de grote steden. Bekende koffiebars in Oslo als Fuglen en Tim Wendelboe zijn er de aanjagers van. En voor de jacht op het perfecte kopje koffie is er in Oslo zelfs een Barista School. De Noren behoren nog steeds tot de grootste koffieconsumenten ter wereld en ze hebben hun voorkeur voor licht geroosterde koffie behouden. Een ‘Nordic’ smaak en aroma dus, waarmee ook de Noorse koffiebars zich onderscheiden.

Bron:
A history of coffee in Norway, part 1-5, op www.nordiccoffeeculture.com.

Noorse iconen: vergeten meubeldesign uit het Hoge Noorden

Ook in Nederland verschenen ze in de huiskamers. Noorse meubels stonden in het midden van de twintigste eeuw in binnen- en buitenland hoog aangeschreven. In die jaren rolden er van de tekentafels en werkbanken in Noorwegen designproducten van hoge kwaliteit met een nieuwe vormgeving. Wie zijn de belangrijkste meubelontwerpers uit die tijd, hoe onderscheiden hun meubels zich en waarom hoorden we nauwelijks nog van hen?

Na de Tweede Wereldoorlog lieten Noorse ontwerpers, net als Deense en Zweedse, de rationele, ordelijke ontwerpen uit het functionalisme, dat vóór de oorlog hoogtij had gevierd, achter zich. In plaats daarvan introduceerden zij organische vormen met golvende lijnen. Voorboden ervan waren al in de vroege twintigste eeuw zichtbaar in de art nouveau. Elegantie, schoonheid en ambachtelijkheid keerden als waarden terug, al verdween het belang van praktische functionaliteit niet.

599, kayser, norwegianicons

Schommelstoel model 599, ontwerp Fredrik Kayser. (Foto www.norwegianicons.com)

Fredrik Kayser

De Noorse ontwerper die de organische vormentaal in het meubeldesign tot grote hoogte stuwde, was Fredrik Kayser (1924-1968). De door hem ontworpen stoel Kryss (1955) en schommelstoel 599 (1958) kenmerken zich door hun esthetisch lijnenspel en behoren tot de top van wat Noorwegen midden twintigste eeuw te bieden had.

Van timmermansknecht tot meubeldesigner

Maar het was niet Kayser die het pionierswerk verrichtte. Dat deed de timmermansknecht Alf Sture (1915-2000). Sture kwam in 1940 in dienst bij ontwerpbureau Hiort & Østlyngen en ontwierp nog in datzelfde jaar model 1036. Deze stoel markeert de overgang van het harde functionalisme naar meer organische vormen. Sture liet in het ontwerp alle onnodige details achterwege, zodat alleen de functionele delen het ontwerp uitmaakten. Maar de lijnen zijn niet hard en strak, eerder zacht en organisch. De zitvorm was gebaseerd op studies van de menselijke anatomie. Model 1036 werd een voorbeeld voor veel andere Noorse stoelen.

model 1036, sture, norwegianicons_1

Model 1036, ontwerp Alf Sture. (Foto www.norwegianicons.com)

Comfort

Comfort had in het vooroorlogse functionalisme weinig aandacht gekregen. De ‘organische’ meubelen die nu werden ontworpen, boden mogelijkheden om te worden afgestemd op het menselijk lichaam. Dergelijke meubels werden populair toen televisietoestellen zich een weg baanden naar de huiskamers. Mensen wilden ’s avonds ontspannen televisiekijken en het zitmeubilair werd daarop aangepast. Een goed voorbeeld van zo’n stoel is Siesta (1965) van Ingmar Relling (1920-2002): eenvoudig, harmonieus, klassiek, zonder onnodige details en bovenal… comfortabel. Siesta werd een groot commercieel succes. Meubelfabriek LK Hjelle produceert de stoel nog en Relling verwierf er internationale bekendheid mee.

Siesta_Classic_brown_canvas-1400x678

Siesta, ontwerp Ingmar Relling, productie LK Hjelle. (Foto www.hjelle.no)

Ook in de jaren zeventig en tachtig onderscheidden Noorse meubelontwerpers zich met ergonomische ontwerpen. Jens Ekornes ontwierp Stressless (1971) en Terje Ekstrøm tekende voor Ekstrem (1972), een stoel die pas in de jaren tachtig een succes zou worden. Peter Opsvik werd in Nederland bekend met de populaire Tripp Trapp kinderstoel (1973). Een peuter lekker laten zitten en dat direct aan tafel, dat was het idee achter deze stoel. Later werd Opsviks Balans-serie geïntroduceerd. De eerste zitmeubels uit deze serie kwamen in 1979 op de markt. Ze waren revolutionair, omdat ze de gebruiker tot nieuwe zitposities dwongen.

tripp trapp, opsvik, norwegianicons_1

Tripp Trapp, ontwerp Peter Opsvik. (Foto www.norwegianicons.com)

Ambacht en industrie

Niet alleen de gewoonten van consumenten en de vormentaal van designers waren vanaf de jaren vijftig aan verandering onderhevig. Ook met materialen en technieken werd volop geëxperimenteerd. Eeuwenoude tradities in het meubelambacht hadden een schat aan kennis opgeleverd, maar de veranderde tijden stelden nieuwe eisen. De meubels moesten in serie geproduceerd kunnen worden en er waren nauwkeurige constructietekeningen nodig.

Noorse ontwerpers zochten naar wegen om ambacht en industrie met elkaar te verzoenen. Alf Sture leverde met stoel 1036 als een van de eersten een fraaie combinatie van traditioneel handwerk en industriële productie. Een andere stoel op dit kruispunt is Bambi (1950) van het ontwerpbureau Rastad & Relling. Bambi wordt gerekend tot de mooiste en meest artistieke stoelen die in Noorwegen zijn gemaakt.

bambi, rastad & relling, norwegianicons_1

Bambi, ontwerp Rastad & Relling. (Foto www.norwegianicons.com)

De industrie vroeg rationele productiemethoden en een van de meest begaafde meubeltekenaars die daaraan voldeed, was Sven Ivar Dysthe (1931). Heel bekend werden zijn stoelen 1001 (1960) en Popcorn (1968). Dysthes meubels werden over de hele wereld verkocht.

Popcorn, dysthe, dysthedesign_1

Popcorn, ontwerp Sven Ivar Dysthe. (Foto www.dysthedesign.no)

Nieuwe materialen

Ook werd in deze jaren volop geëxperimenteerd met materialen. Hout had tot die tijd de meubelindustrie gedomineerd, maar nu verschenen ook meubels van kunststof en metaal, materialen die geschikt waren voor industriële serieproductie. Bendt Winge (1907-1983) ontwierp de kunststof stoel R-49. Omdat deze stoel stapelbaar was, werd hij een geliefd item in cafetaria’s. Deze en andere stoelen in de R-serie worden nog steeds gemaakt.
Bjørn Engø (1920-1981) was wat materiaalgebruik betreft een van de meest radicale Noorse ontwerpers. Hij begon al vroeg (in 1947) staal en aluminium te gebruiken. De stijl waarin hij werkte, werd in Noorwegen wel erg experimenteel gevonden.

Door de toename van de welvaart ontstond er ook belangstelling voor exclusieve materialen. De meubels in palissander en leer van Fredrik Kayser gaan door voor het beste in hun soort uit de jaren vijftig en zestig.

dressoir van rozenhout, kayser, norwegianicons_1

Dressoir van rozenhout, ontwerp Fredrik Kayser. (Foto www.norwegianicons.com)

Ten slotte deed in deze periode ook gelamineerd hout zijn intrede. Hans Brattrud (1933) ontwierp in 1957 zijn Scandia stoelen van gelamineerd multiplex. In de toepassing van gelamineerd hout was Brattrud in Noorwegen een voorloper. Deze technieken deden al in de jaren dertig opgeld in Zweden en Finland, maar beleefden in Noorwegen pas in het midden van de jaren zestig hun doorbraak.

scandia, brattrud, norwegianicons_1

Scandia, ontwerp Hans Brattrud. (Foto www.norwegianicons.com)

Kweekkamer

De grote kweekkamer van het Noorse meubeldesign was de Statens Håndverks- og Kunstindustriskole in Oslo, waar nagenoeg alle vooraanstaande Noorse ontwerpers hun opleiding genoten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was men zich hier gaan richten op het ontwerpen van lichte en functionele meubeltypen. Kayser bijvoorbeeld werd zeer beïnvloed door deze lijn. Hij werkte na zijn opleiding enige tijd bij het al eerder genoemde Rastad & Relling, opgericht in Oslo in 1944. Dit bureau nam tot de jaren zeventig evenzeer een centrale plaats in bij de ontwikkeling van het Noorse meubeldesign. Vele getalenteerde designers begonnen hun carrière hier.

Belangrijk waren de uitstekende contacten die Rastad & Relling had met de snel groeiende meubelindustrie in het westen van Noorwegen. Bijvoorbeeld met Gustav Bahus in Os (bij Bergen), die de eerder vermelde stoel Bambi en andere exclusieve meubels van Rastad & Relling in productie nam.

eettafel Rastad & Relling, Gustav Bahus, norwegianicons_1

Eettafel, ontwerp Rastad & Relling, productie Gustav Bahus. (Foto www.norwegianicons.com)

Ook andere fabrikanten speelden een belangrijke rol. Stryn, een plaatsje aan het Nordfjord, werd een centrum van de Noorse meubelindustrie. In 1939 werd hier Stryn Møbelindustrie opgericht en in 1946 Tonning Møbelfabrikk. De laatste produceerde vanaf begin jaren zeventig de meubels van Alf Sture, die al veel langer voor de fabriek tekende. In 2013 gingen de twee meubelfabrieken in Stryn samen als Tonning & Stryn.

Een ander toonaangevend bedrijf is LK Hjelle, opgericht in het begin van de jaren veertig nabij Ålesund aan de westkust. De fabriek werd aan de kust gebouwd vanwege de gunstige transportmogelijkheden. Tot de jaren tachtig werd veel geëxporteerd, ook naar Nederland. De fabriek bestaat nog steeds en verscheidene modellen maken al dertig jaar deel uit van de collectie.

Inspiratie uit Scandinavië en Japan

Voor Noorse ontwerpers was de traditionele meubelmakerij in eigen land een inspiratiebron, evenals het toenmalige moderne design uit Zweden en Denemarken. Torbjørn Afdal (1917-1999) bijvoorbeeld werd sterk beïnvloed door de Deense meubelkunst. Hij had een verfijnd gevoel voor vorm en materialen en ontwikkelde een architecturale stijl. Zo ontwierp hij de multifunctionele bank Krobo (1960) met verrassende gebruiksmogelijkheden. De bank is nog steeds in productie en het hedendaagse designersduo Anderssen & Voll ontwierp er accessoires bij.

FF_Krobo_150_oak_accessories_6_small, fjordfiesta

Krobo, oorspronkelijke ontwerp Torbjørn Afdal, hedendaagse accessoires ontworpen door Anderssen & Voll. (Foto www.fjordfiesta.com)

Behalve de Scandinavische buurlanden deed ook Japan zijn invloed gelden. De warme, natuurlijke en eenvoudige esthetiek uit Japan vormde evenzeer een antwoord op het strakke en koude modernisme van voor de oorlog. De Japanse invloed is bijvoorbeeld terug te zien in de oorspronkelijke inrichting van Kaffefuglen (1963), een café in Oslo dat zich nu onder de naam Fuglen een groot promotor betoont van het Noors design uit het midden van de twintigste eeuw.

Norwegian Icons

Het iconische Noorse design van de jaren vijftig en zestig raakte later in vergetelheid. Net als elders in Europa was een tijd van overvloed aangebroken, zeker voor Noorwegen dat ook nog eens kon profiteren van zijn oliebronnen. De belangstelling voor het eigen design raakte op de achtergrond. Gebruiksvoorwerpen werden uit het buitenland geïmporteerd, waar ze in massaproductie werden gemaakt. Inmiddels zijn er voor het Noors design betere tijden aangebroken. De ‘Norwegian Icons’ uit het midden van de twintigste eeuw maken nu onderdeel uit van een campagne om Noors design op de (wereld)kaart te zetten. Net als de ontwerpers van toen, die beseften dat traditionele technieken betekenis hadden voor nieuw design, verloochent ook de huidige generatie designers zijn wortels dus niet.

Bronnen:
Norsk Biografisk Leksikon
Norsk Kunstnerleksikon
Katie Treggiden, The return of the icons, op www.norwegianarts.org.uk
Katie Treggiden, Probably Danish, op www.norwegianarts.org.uk
www.norwegianicons.com
www.fuglen.com

Een Nederlandse toevluchtshaven voor de Noorse aartsbisschop

Het was een grote vloot die in de zomer van 1536 op de rede van Veere voor anker lag. Op de kades van de Zeeuwse stad was het een en al bedrijvigheid. Bemanningsleden werden gemonsterd en voorraden eten, drinken en munitie aan boord gebracht. De schepen werden in gereedheid gebracht om uit te varen naar het Noorden. Maar toen wijzigden plotseling de plannen. Twee schepen werden afgezonderd en gesommeerd naar Noorwegen te varen om daar de Noorse aartsbisschop in veiligheid te brengen.

Strijd tussen de Deense koning en de Noorse aartsbisschop

Wat was er aan de hand? In 1523 was de Unie van Kalmar, waarin Denemarken, Noorwegen en Zweden sinds 1397 verenigd waren, uiteengevallen. Zweden was een onafhankelijke staat geworden en Denemarken en Noorwegen waren als één koninkrijk verdergegaan. De koning van Denemarken, Christiaan II, was al eerder in het nauw geraakt en vluchtte naar de Nederlanden. De Deense troon werd met succes opgeëist door Frederik, hertog van Holstein, die veel sympathie koesterde voor de theologische opvattingen van Luther. Het lukte hem al snel om vrijwel alle edellieden in het zuiden van Noorwegen aan zijn zijde te krijgen. Daarop begon hij in Noorwegen met het onteigenen van bezittingen van de katholieke kerk en plaatste hij loyale Denen op strategische posities.

Aan het hoofd van de katholieke kerk in Noorwegen stond aartsbisschop Olav Engelbrektsson. Hij was tevens voorzitter van de Riksråd (Rijksraad), die samen met de koning het Noorse rijk bestuurde. Engelbrektsson zag de positie van de katholieke kerk en de autonomie van Noorwegen bedreigd door de machtsaspiraties van de protestantse Deense koning. Hij voorzag zich van soldaten en oorlogsschepen, liet een fort (Steinvikholm) bouwen in de Trondheimfjord en zocht steun bij de naar de Nederlanden gevluchte Christiaan II, die zich op zijn beurt had gewend tot de Habsburgse keizer Karel V. Het mocht niet baten. De Deense troepen bereikten in 1532 Trondheim, waar ze het aartsbisschoppelijk paleis platbrandden. Daarna restte de Noorse aartsbisschop weinig meer dan trouw te zweren aan de Deense koning Frederik I.

steinvikholmen, foto Frode Inge Helland, cc by 3.0

Steinvikholm, de versterking voor de kust bij Trondheim die Olav Engelbrektsson liet bouwen. (Foto Frode Inge Helland, CC BY 3.0)

Na de dood van Frederik in 1533 ontstond onenigheid over zijn opvolging. In Denemarken brak een burgeroorlog uit. Frederiks zoon, die eveneens luthers was, wierp zich op als koning Christiaan III. Een belangrijk deel van de Noorse Riksråd en zelfs verscheidene Noorse bisschoppen stelden zich aan de zijde van de nieuwe Deense vorst. Tot groot ongenoegen van Engelbrektsson, die zijn hoop nu richtte op Frederik van de Palts, die door Karel V naar voren was geschoven als gegadigde voor de Deense troon. Inmiddels kalfde de steun voor Engelbrektsson onder de Noorse adel af, vooral nadat hij een edelman zonder deugdelijk proces op de brandstapel had laten brengen. In de laatste dagen van 1535 waren de vertegenwoordiger van de Deense koning in Noorwegen, Vincens Lunge, twee Deense commandanten en de Noorse bisschoppen in Trondheim gearriveerd voor een ontmoeting met Engelbrektsson. Deze had het vuurtje onder zijn aanhangers flink opgestookt en dat bleef niet zonder resultaat. Op 3 januari vermoordden zij Lunge, de belangrijkste Deense bestuurder in Noorwegen. Ook de twee Deense commandanten waren niet veilig. Zij werden in opdracht van Engelbrektsson gearresteerd, evenals de Deensgezinde bisschop van Oslo. Een poging van Engelbrektsson om een aantal strategische forten te bezetten en zijn staatsgreep zo af te maken, mislukte.

Christian_III_of_Denmark

Portret van koning Christiaan III van Denemarken.

Engelbrektsson bood daarop aan de nieuwe Deense vorst te erkennen. Natuurlijk hoopte hij zo het vege lijf te redden, maar vermoedelijk wist hij ook dat op dat moment in de Nederlanden een vloot werd uitgerust om Kopenhagen te veroveren en zo de weg vrij te maken voor Frederik van de Palts als koning van Denemarken en Noorwegen. Dit was de vloot die in de zomer van 1536 bij Veere in gereedheid werd gebracht. Maar nog voordat de schepen hun ankers hadden gelicht, viel Kopenhagen en werd Christiaan III de onbetwiste heerser over Denemarken. Hij voerde meteen het lutherse geloof in en beschouwde Noorwegen niet langer als een zelfstandig koninkrijk, maar als een provincie van het koninkrijk Denemarken.

West-Friese schepen naar Trondheim

Onder de protestantse koning was de positie van de Noorse aartsbisschop onhoudbaar. Engelbrektsson zond twee vertrouwelingen naar de Nederlanden om Maria van Hongarije, de zuster van Karel V en landvoogdes over de Nederlanden, te vragen hem te ontzetten. Zij beval om twee schepen uit de vloot bij Veere, die bedoeld was geweest om Kopenhagen te bevrijden, in gereedheid te brengen. De schippers Clais Jacobszoon Blauhulck en Pieter Symonszoon Maeckschoon, beiden afkomstig uit Enkhuizen, werden aangewezen om de reis te maken. Met de winter op komst was dit een veel gevaarlijkere reis dan de tocht naar Denemarken die hun in het vooruitzicht was gesteld. Na enig onderhandelen over het bedrag dat ze zouden ontvangen, vertrokken de schepen dan toch richting Trondheim. De Blauhulck en de Christoffel van Enkhuizen – vermoedelijk twee driemasters – hadden elk 83 man aan boord. Een kleiner schip, de Boeier van Enkhuizen, met 6 man voegde zich bij hen. Dit schip zou vooropgaan om de gevaarlijke Noorse kustwateren te verkennen. De Noorse edelman Christopher Trondsson – een van de twee vertrouwelingen die Engelbrektsson naar de Nederlanden had gezonden – voerde het bevel over de kleine vloot.

driemaster voor anker bij een stad, gravure, prent Frans Huys, 1561-1565, coll. Rijksmuseum, RP-P-1889-A-14427_1

Driemaster voor anker bij een stad. Gravure, ca. 1561-1565. (Collectie Rijksmuseum)

Engelbrektsson had zich verschanst in zijn fort Steinvikholm. Daar kwamen de schepen begin november 1536 aan. Omdat een groot deel van de reis over open zee ging en deze in de winter te gevaarlijk was om over te steken, was een terugkeer op dat moment niet meer mogelijk. Er zou tot het voorjaar gewacht moeten worden. Engelbrektsson had de grootste moeite om de bemanning al die maanden uit te betalen en van voedsel te voorzien. Mogelijk was het lange oponthoud de reden voor een muiterij die eind 1536 uitbrak. Deze werd neergeslagen en de aanstichters werden gestraft. Op 1 april 1537 – Paaszondag – vertrokken de drie schepen eindelijk uit de haven van Trondheim. Aan boord Olav Engelbrektsson, in gezelschap van de aartsbisschoppelijke archieven en de kerkschatten die hij uit de Nidarosdomkerk in Trondheim en andere kerken had laten ophalen. Daaronder bevonden zich gouden en zilveren kelken en borden, dure liturgische kleding en twee kronen. Ook bracht hij belangrijke relieken in veiligheid: de bijl, drinkbeker en kam van Sint Olav, de tot het christendom bekeerde en in 1164 heilig verklaarde Vikingkoning Olav II. De schrijnen met de stoffelijke resten van Sint Olav bleven achter. Misschien was de aartsbisschop ervan overtuigd dat hij zou terugkeren?

trondheims domkerk, ca. 1850, houtsnede, gemeentearchief trondheim

Nidarosdomkerk van Trondheim omstreeks 1850. Houtsnede. (Collectie Gemeentearchief Trondheim, CC BY 2.0)

Toevlucht in Lier

De schepen kwamen begin mei 1537 in Enkhuizen aan. De kerkschatten en andere goederen werden naar Deventer gebracht. Engelbrektsson zou er zijn schulden mee hebben willen aflossen bij kooplieden aldaar. Zelf vertrok de verdreven aartsbisschop naar Lier, in de Zuidelijke Nederlanden, waar ook Christiaan II zijn toevlucht had gezocht. Het lijkt erop dat Engelbrektsson daar voorbereidingen trof voor een terugkeer naar Trondheim. Zover kwam het echter niet. Olav Engelbrektsson overleed op 6 februari 1538. Hij werd begraven onder het hoogkoor van de Sint-Gummaruskerk in Lier. De Noorse kerkschatten kwamen in handen van Frederik van de Palts, die ze zeer waarschijnlijk liet omsmelten om met het edelmetaal zijn troepen te financieren. De aartsbisschoppelijke archieven zijn wel gered. Ze werden begin negentiende eeuw teruggevonden in München en overgebracht naar bewaarplaatsen in Noorwegen, Denemarken en Zweden. Ze vormen nu de belangrijkste bronnen voor de middeleeuwse geschiedenis van Noorwegen.

Een held

Vijfhonderd jaar na zijn vlucht werd ook Engelbrektsson zelf gered van de vergetelheid. Al in 1814 had Noorwegen zich losgemaakt van Denemarken en toen in 1905 een einde kwam aan de unie met Zweden, werd Noorwegen een autonome staat. Zo’n jonge natie had helden nodig om het identiteitsbesef te schragen. En dus werd de herinnering aan de middeleeuwse aartsbisschop afgestoft. Was het immers niet Engelbrektsson geweest die de zelfstandigheid van Noorwegen tot op het laatst had verdedigd? Terwijl iedereen om hem heen zich al achter de Deense koning had geschaard, had Engelbrektsson fier standgehouden.

Interior_of_the_church_of_Saint_Gummarus,_Lier,_Belgium, foto Eddy Van 3000, cc by 2.0

Interieur van de Sint-Gummaruskerk in Lier. (Foto Eddy van 3000, CC BY 2.0)

Tijdens een officieel bezoek aan België in 2003 onthulde de Noorse koningin Sonja in de Sint-Gummaruskerk in Lier een gedenkplaat voor de laatste Noorse aartsbisschop. Ook werd een opera aan hem gewijd. Om het jaar wordt dit muziekstuk op lange zomeravonden uitgevoerd bij fort Steinvikholm. Terwijl het koor Karel V aanroept en om hulp vraagt, vertrekt Engelbrektsson dan in de slotscène naar de Nederlanden.

Bronnen:
Louis Sicking, New light on the flight of the archbishop Olav Engelbrektsson: a watershed in Norwegian history, in: Louis Sicking e.a. (red.), Dutch light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 13-41.
P.C.M., Procedure over goederen van den aartsbisschop van Drontheim, in: Overijsselsche almanak voor oudheid en letteren 1850, 15 (Deventer 1849), 1-29.
Noors nationale schat verdween naar Deventer, op website Universiteit Leiden.

Bunad: streekdracht tussen historische precisie en rijke fantasie

Veel Noren hebben het kostuum in hun kast hangen: de bunad. Het verbindt hen met hun familie, de streek waar hun familie vandaan komt en met hun land. De trotse bezitters trekken hun bunad aan op hoogtijdagen van de familie en op 17 mei, de nationale feestdag van Noorwegen. De bunad is een kostbaar kostuum met een grote historische betekenis, maar veel minder oud dan je misschien zou denken.

17 mai in Trondheim, bunad Trøndelag, 2008, foto Sigmund, cc by 2.0

Vrouwen in de bunad van Trøndelag tijdens de 17 mei viering in Trondheim. (Foto Sigmund, CC BY 2.0)

Nationale romantiek

Het model van de kledingstukken, de stoffen en het kleurgebruik van de bunads doen denken aan de traditionele streekdrachten die op het Noorse platteland werden gedragen. In sommige gebieden verdween deze traditionele kleding pas in de loop van de twintigste eeuw. In andere regio’s was dit proces al vóór het midden van de negentiende eeuw volop gaande. Juist in die tijd gingen stedelingen anders kijken naar het platteland – een ontwikkeling die zich elders in Europa ook voordeed. De snelle maatschappelijke veranderingen als gevolg van de opkomst van de industrie en nieuwe communicatiemiddelen bracht met name onder de stedelijke burgerij een behoefte teweeg aan stabiliteit en continuïteit. Die vond men in de oude boerensamenleving die al eeuwen onveranderd leek. Elementen daaruit werden salonfähig gemaakt. Kunstenaars wierpen zich in hun ateliers op de ruige natuur, de vaak grove vertellingen uit de volkscultuur gingen door een literair filter en volksmuziek werd omgezet in verfijndere muziekstukken. Ook de belangstelling voor streekdrachten groeide. In toneel- en dansvoorstellingen traden mensen in gereconstrueerde oude kostuums op en tentoonstellingen presenteerden de traditionele kleding als museumstukken. Ook kunstschilders die werkten in de stijl van de nationale romantiek – een nieuwe kunststroming in die tijd – beeldden mensen in traditionele plattelandskledij af.

Adolph_Tidemand_-_Portrait_of_Gunild_Olsdatter_from_Tinn_-1848_Google_Art_Project_1

Geschilderd portret van Gunild Olsdatter door Adolph Tidemand, 1848.

Hardanger levert de nationale dracht

Vrouwen uit de burgerij gingen als eerste bij feestelijke gelegenheden een streekdrachtkostuum dragen. Dat waren geen oude kledingstukken, maar een nieuw ontworpen kostuum. Dit was geënt op de streekdracht uit Hardanger, de regio die ook in de nationaal-romantische kunststroming veruit favoriet was. Zo’n nieuw kostuum werd een ‘bunad’ genoemd. Een belangrijke rol bij de verspreiding van de bunad speelden de vrijzinnige volkshogescholen, die juist in die tijd werden opgericht. Leerlingen leerden op school een eigen bunad te naaien. De Hardangerbunad werd in die jaren omgevormd tot de nationale dracht van Noorwegen.

A Hardanger girl Hardanger Fjord Norway

Portretfoto van jonge vrouw in Hardanger kostuum. (CC BY 2.0)

Een bunad was Noors genoeg als hij bestond uit een zwarte rok met een rood lijfje en een geborduurde beuk daarin. De hemden met lange mouwen die daaronder werden gedragen, varieerden van modeblouses en nachthemden tot geborduurde hemden zoals vrouwen in Hardanger die droegen. Het borduurwerk was soms identiek aan het borduurwerk van het Hardanger kostuum, maar kon ook zijn gemaakt naar patronen die op dat moment in de burgermode populair waren. De toeristenindustrie gaf een impuls aan het succes van de (Hardanger)bunad, onder meer doordat er veel postkaarten verschenen waarop meisjes in dit kostuum waren afgebeeld. De bunad raakte ook in zwang als kleding voor serveersters in cafés.

17 mei 1914, coll. Nasjonalbiblioteket

17 mei optocht in 1914 met meisjes in Hardangerbunad. (Collectie Nasjonalbiblioteket Oslo)

Politieke betekenis

In de late jaren 1880 kreeg de bunad ook politieke betekenis. Hij werd het symbool van het streven naar een autonome Noorse staat. Sinds 1814 was Noorwegen in een unie verenigd met Zweden en vóór die tijd had het land meer dan vierhonderd jaar onder Deense heerschappij gestaan. In de laatste decennia van de negentiende eeuw groeide het verzet tegen de unie. De Noorse nationalistische beweging voerde een felle campagne voor een onafhankelijke Noorse staat, die er in 1905 ook daadwerkelijk kwam, en voor alles wat specifiek Noors heette te zijn. Daaronder de bunad. Voorstanders van de unie met Zweden beschouwden het dragen van een bunad als een opstandige daad. De reacties waren heftig; meisjes in bunad werden zelfs bespuugd. In de Tweede Wereldoorlog werd de bunad als nationaal symbool ook omarmd door Noren die het nazisme waren toegedaan. Maar de populariteit van de bunad leed er niet onder en na de oorlog was hij opnieuw een krachtig symbool van de Noorse nationale identiteit. Voor het laatst werd hij als politiek (ex)pressiemiddel gebruikt bij de referenda over het lidmaatschap van de Europese Economische Gemeenschap (1972) en de Europese Unie (1994), waartegen een meerderheid van de Noren in beide gevallen nee zei.

Noors alternatief voor de Europese mode

Een actieve propagandiste voor de bunad was de Noorse schrijfster Hulda Garborg (1862-1934). Zij maakte zich in het algemeen sterk voor het Noorse cultuurgoed en was onder meer actief op het terrein van theater en volksdans. Gebaseerd op een traditioneel kostuum uit Valdres ontwierp Garborg in 1914 een compleet nieuw kostuum. Ze veranderde de snit en nam het borduurwerk van een oude fluwelen hoed als uitgangspunt voor de versiering. Mede dankzij dit populaire kostuum raakten steeds meer stedelingen geïnteresseerd in kostuums die op traditionele kleding waren gebaseerd. Garborg wilde een alternatief neerzetten voor de modejaponnen uit Parijs en Rome, die gemeengoed waren geworden. Haar op traditie gebaseerde kleding moest met de hand zijn gemaakt van wollen stoffen die in Noorwegen waren geweven en gekleurd met verfstoffen van in Noorwegen voorkomende planten. Garborg wilde wel dat de traditie zich zou vernieuwen. De nieuwe kostuums moesten geen overblijfsel zijn van een oude volkscultuur, maar innovatief en modern. Een andere voorvechtster van de bunad was Klara Semb (1884-1970), die actief was in de jeugdbeweging en er daardoor mede voor zorgde dat de bunad in brede kringen werd verspreid.

no-nb_sml_ 1830

Hulda Garborg. (Collectie Nasjonalbiblioteket Oslo)

In de jaren 1920 kwamen de bunads geleidelijk meer in gebruik en werden er in veel gebieden ook nieuwe gecreëerd, zo mogelijk met elementen uit de oude drachten. Lokaal wierpen zich experts op, die aan de basis stonden van de nieuwe bunads, en het leren naaien van een eigen bunad ging op meer scholen deel uitmaken van het (meisjes)onderwijs. Begin jaren veertig ontstond ook een daagse bunad, een kostuum dat elke dag gedragen kon worden, en ook een dergelijk kostuum zou in grote delen van het land in gebruik raken.

Nieuwe inspiratie

Na de Tweede Wereldoorlog raakten Garborgs opvattingen op de achtergrond. Het werd nu belangrijk gevonden dat de kostuums historisch verantwoord waren en verbonden met lokale tradities. Musea en volkskundigen deden al langer onderzoek naar de kleedgewoonten in de verschillende regio’s. Het Norsk Institutt for Bunad og Folkedrakt verzamelt de documentatie en zet zich in voor de ontsluiting ervan. Systematisch onderzoek naar de oude streekdrachten leverde veel nieuwe kennis op en die werd het startpunt voor nieuwe bunads. Rosemaling (een schildertechniek), borduurwerk en ander traditioneel handwerk leverden bovendien nieuwe inspiratie.

bunad, mogelijk telemark, cc by 2.0, foto Bosc d'Anjou

De meeste bunads zijn rijk aan kleur en versiering. (Foto Bosc d’Anjou, CC BY 2.0)

De meeste gebieden hebben nu hun eigen bunad, zelfs als van de traditionele kleding weinig of niets meer bekend was. Soms waren van de oude streekdracht nog onderdelen overgeleverd, bijvoorbeeld in museumcollecties, of bestond er nog informatie over. De bunad kon dan gereconstrueerd worden. Was door gebrek aan informatie niet het hele kostuum te reconstrueren, dan ontwierp men nieuwe elementen die goed bij de andere kledingstukken pasten. Sommige bunads zijn zelfs helemaal nieuw ontworpen. Was er niets meer bekend over de lokale traditionele kleding dan konden andere zaken een inspiratiebron zijn voor het nieuwe kostuum: een oud geborduurd beursje bijvoorbeeld of zelfs planten en dieren uit de omgeving.

Young_girls_in_bunad, Akershus, foto Elin, cc by 2.0

Jonge vrouwen in diverse bunads, Akershus, (Foto Elin, CC BY 2.0)

Kostbaar kostuum

Vandaag de dag telt Noorwegen 400 tot 500 verschillende bunads. Een flink aantal mensen maakt de bunad of die voor familieleden zelf. Sommige kostuumonderdelen worden van generatie op generatie doorgegeven. Ook zijn er ateliers waar iemand een bunad op maat kan laten maken. Daarmee zijn weken, zo niet maanden werk gemoeid. Zo’n handgemaakt kostuum kost omgerekend enkele duizenden euro’s.

Haugesund_1

Interieur van winkel en naaiatelier in Haugesund, waar de lokale bunad kan worden aangeschaft.

Zo’n 60 tot 70 procent van de Noorse vrouwen en ook een groot aantal mannen bezit nu een bunad. Ze trekken het kostuum aan op bijzondere dagen die in familiesfeer worden gevierd, bijvoorbeeld bij doop- en huwelijksfeesten, als jongeren belijdenis in de kerk doen en bij het kerstfeest. Ook op 17 mei, de nationale feestdag van Noorwegen, komt het kostuum uit de kast. Dan trekken feestelijke optochten met muziek, vlagvertoon en mensen in bunad door de straten om te herdenken dat Noorwegen op die dag in 1814 een eigen grondwet kreeg. Voor alle trotse bezitters is de bunad niet weg te denken uit hun leven. Hij bevestigt hun identiteit en verbindt hen met hun familie, streek van herkomst en hun land. Hulda Garborg, die een Noors antwoord wilde geven op de Europese confectiemode, kan tevreden zijn.

Bronnen:
Bjørn Sverre Hol Haugen (red.), Bunad; Norsk Bunadleksikon, alle bunader og Samiske folkedrakter, Oslo 2013.
Kari-Anne Pedersen, Folkedrakt blir bunad, Oslo 2013.
Siw Ellen Jakobsen, When rebels dressed in national costumes, op de website www.sciencenordic.com.
The Norwegian Institute of bunad and folk costume (Norsk institutt for bunad og folkedrakt), op de website www.bunadogfolkedrakt.no.

Kijk voor afbeeldingen van bunads en oude Noorse streekdrachten ook eens op het pinterestbord Streekdracht en bunad van Bryggen. Aan dit bord worden regelmatig nieuwe afbeeldingen toegevoegd.

Traditionele kerstgerechten uit Noorwegen

Geen Noorse kerst zonder lekker en overvloedig eten en drinken. Bij veel Noren verschijnen deze dagen een aantal traditionele gerechten op tafel. De hoofdbestanddelen ervan komen uit de eigen omgeving (veel varkens- en lamsvlees, veel kool en aardappelen, salades ontbreken). Daaraan zijn ‘exotische’ producten toegevoegd: specerijen die in de zeventiende eeuw door met name Nederlandse handelaren in Noorwegen werden geïntroduceerd.

Ribbe, pinnekjøtt en lutefisk

Op het menu van een Noors kerstdiner prijkt varkensvlees of lamsvlees. En aangezien de kersttijd zich voor veel Noren over een flink aantal dagen uitstrekt, komen beide soorten vlees in deze periode minstens eenmaal voorbij. In het noorden van Noorwegen wordt met kerst ook wel verse kabeljauw gegeten. En in het algemeen doen ook forel en zalm het in deze periode goed. Kalkoen vindt veelal op Nieuwjaarsdag zijn weg naar de Noorse eettafels.

ribbe, foto AnneCN, cc by 2.0

Ribbe. (Foto AnneCN, CC-BY 2.0)

Tot de populairste traditionele Noorse kerstgerechten behoort allereerst ribbe: geroosterd varkensribstuk, vaak met worst daarbij en appels en pruimen. De kunst is om de korst lekker knapperig te krijgen. Ribbe wordt gegeten met aardappelen, zuurkool of rode kool en een saus van tyttebær (vossenbessen) of cranberries (veenbessen).

Een tweede gerecht is pinnekjøtt (letterlijk: stokjesvlees). Hoofdbestanddeel zijn gezouten en gedroogde lamsribben, die in een pan met berkentakjes op de bodem in zo’n drie uur gaar stomen. De berkentakjes geven het vlees een lichtzoete, mintachtige smaak. Pinnekjøtt wordt geserveerd met rotmos, een puree van koolraap, aardappelen en wortelen. Daarbij dan nog een paar gekookte aardappelen en een flinke hoeveelheid mosterd.

Een derde kerstgerecht is lutefisk. Dat is stokvis die eerst in water is geweekt en daarna in een oplossing van water en loog is gelegd. De substantie moet vervolgens weer eetbaar worden gemaakt door de vis daarna weer vier tot zes dagen in koud water te weken. De meningen over dit gerecht zijn verdeeld. Mensen houden ervan, anderen haten het. Een tussenweg lijkt er niet te zijn. Lutefisk wordt gegeten met aardappelen, erwten en veel bacon, en kent tal van regionale varianten.

Tot de vleesgerechten met kerst behoren ook de julepølser. Deze worsten van varkensvlees worden op smaak gebracht met kruidnagelen, mosterdzaad, gember en nootmuskaat. Ze worden gegeten bij de ribbe. Soms ook apart met aardappelpuree of gekookte aardappelen, rode of groene kool en jus.

Risgrøt

Een veel gegeten kerstdessert is risgrøt. De met suiker en kaneel besprenkelde rijstepap wordt ook in andere weekends gegeten, maar met kerst krijgt hij iets bijzonders. Dan gaat er namelijk één amandel in de pap. Degene die de amandel in zijn bord aantreft, krijgt een prijs, vaak een stuk marsepein. Omdat rijst een duur importproduct was, bleef het bereiden en eten ervan lange tijd voorbehouden aan welgestelden. Noren die het minder breed hadden, aten pap die van gerst, haver en rogge was gemaakt.

Naast risgrøt kennen de Noren riskrem: rijst, gekookt in melk met suiker en – na te zijn afgekoeld – door room geschept. Daaroverheen gaat een heldere frambozensaus. Een ander populair dessert in de kersttijd is multekrem: room met moltebær, een gele bessensoort. En ook caramelpudding behoort tot de populaire kersttoetjes.

Koek en gebak

Op de Noorse kersttafels prijken ook allerhande soorten brood, koek en gebak. Julebrød en julekake zijn respectievelijk brood en koek met rozijnen, sinaasappelschil, gekonfijte vruchtjes en kardemom.

kransekake, foto Elaine Ashton, cc by nd 2.0

Kransekake. (Foto Elaine Ashton, CC-BY-ND-2.0)

Bij een feestdag in Noorwegen hoort ook de kransekake, een piramidevormige cake die bestaat uit – meestal achttien – op elkaar gestapelde ringen van amandeldeeg. Suikerglazuur houdt de verschillende lagen bij elkaar. De amandelmassa heeft een wat grovere structuur dan marsepein. Aan het deeg kunnen diverse smaken worden toegevoegd, abrikoos bijvoorbeeld. Van het deeg worden ringen gedraaid en deze worden na te zijn gebakken – steeds kleiner – op elkaar gestapeld. De toren wordt versierd met marsepeinen figuurtjes, lollies, vlaggetjes en met kerst gaat er een ster bovenop. De kransekake is in meerdere opzichten het hoogtepunt van het kerstgebak.

pepperkaker, foto lutramania, cc by sa 2.0

Pepperkaker. (Foto Lutramania, CC-BY-SA-2.0)

Pepperkaker

Niet weg te denken uit de Noorse kerst zijn de pepperkaker die voor deze gelegenheid worden versierd met glazuur. In het deeg voor de pepperkaker gaan verschillende specerijen: kruidnagel, peper, kaneel en gedroogde gember. De pepperkaker worden ook in de kerstboom gehangen of voor het raam. Ze zijn er in alle soorten en maten en de variatie in versiering is eindeloos. Nauw verbonden met kerst is ook het maken van een pepperkakehus, een huisje van pepperkakedeeg.

Gingerbread house, foto Martin Alleus, cc-by-sa-2.0

Pepperkakehus, met als tekst: Goede Kerst. (Foto Martin Alleus, CC-BY-SA-2.0)

Zeven soorten kerstkoekjes

Het blijft niet bij de pepperkaker. De Noren serveren ook andere kerstkoekjes. De traditie wil dat dit zeven verschillende soorten moeten zijn. Iedereen maakt uit het assortiment zijn eigen keus. Uit een onderzoek van de krant Aftenposten uit 1992 kwamen de volgende zeven als populairste uit de bus: smultringer (soort donuts), sandkaker (zandkoekjes), sirupssnipper (siroopkoekjes), goro (wafeltjes), krumkaker (wafelhoorntjes), fattigmann (‘arme man’, die zijn naam bepaald geen eer aandoet met ingrediënten als room, cognac en specerijen) en ten slotte Berlinerkranser (Berlinerkransjes). Maar ook andere koekjes, zoals kokosmakronen en julestjerner, boterkoekjes gedecoreerd met gehakte amandelen, komen in aanmerking voor het kerstbanket. Grofweg zijn de kerstkoekjes in drie soorten te verdelen: gebakken in een ijzer, gebakken in vet en gebakken in een oven. Wie voldoende tijd heeft, bakt ze allemaal zelf.

julekaker, foto Statsministerens kontor, 2009, cc by nd 2.0

Tafel met kerstkoekjes. (Foto Statsministerenskontor, 2009, CC-BY-ND-2.0)

Dranken

Bij een Noors kerstfeest horen ook speciale dranken. Net als in Nederland wordt chocolademelk als een typisch winterse drank beschouwd. In de winkels is Julebrus te koop, een helderrode frisdrank met frambozenaroma. Ook zijn er allerlei soorten speciaal gebrouwen kerstbier – donker bier – met bijpassende feestelijke etiketten.

gløgg, foto Lemsipmatt, cc by sa 2.0

Gløgg. (Foto Lemsipmatt, CC-BY-SA-2.0)

De Noorse glühwein heet gløgg, een gearomatiseerde wijn met bijvoorbeeld kruidnagel , kardemom en kaneel. Aan de rode wijn kunnen aquavit (of cognac of wodka) en port worden toegevoegd. De drank wordt warm geserveerd met amandelen en rozijnen. Oorspronkelijk werd deze drank gemaakt van restjes wijn, waaraan specerijen en honing werden toegevoegd. In de negentiende eeuw werd het een echte kerstdrank toen het fabriekmatig werd geproduceerd en in flessen met kerstetiketten in de winkels terechtkwam. Gløgg is een drank die goed samengaat met risgrøt.

Bij de warme maaltijden en als aperitief wordt ook aquavit gedronken, een gedistilleerde drank waaraan kruiden en specerijen zijn toegevoegd als karwijzaad, anijs, dille, venkel en koriander.

Alles bij elkaar blijken de Noren een rijke culinaire traditie rond kerst te hebben, die bovendien sterk beïnvloed is door de handelsrelaties die eeuwen geleden met Nederland bestonden. En nu maar tafelen. Velbekomme!

Bronnen

Artikel over gløgg op www.npr.org
Op de website thornews.com zijn diverse verhalen te vinden over kerstgerechten, bijvoorbeeld over de zeven soorten kerstkoekjes, rijstepap en kerstbrood.
Op de website mylittlenorway.com staan veel verhalen over Noorse kersttradities en -gerechten. 

Behalve deze traditionele gerechten maken de Noren natuurlijk ook andere kerstgerechten. Inspiratie en recepten kun je – als je Noors kunt lezen – opdoen op: matprat.no