Een Hollandse zeeman in het barre Noorden (slot) – Over land naar huis

Marineofficier Cornelius de Jong belandde in het najaar van 1795 met het konvooi Oostindiëvaarders dat hij naar Nederland begeleidde in de haven van Trondheim. Oorlogsomstandigheden hadden hem doen uitwijken naar het neutrale Noorwegen, waar hij nadere orders uit Nederland afwachtte. Maandenlang verbleef hij hier en leerde hij het leven in het hoge Noorden van dichtbij kennen. In brieven aan een denkbeeldige vriend, die later werden gepubliceerd, beschreef hij zijn wederwaardigheden.

Een oude mismaakte matrone

Na bijna acht maanden in Trondheim ontving De Jong orders om de thuisreis te aanvaarden. Op 14 mei 1796 lichtten de schepen hun ankers. Omdat twee Engelse oorlogsschepen de achtervolging op hen hadden ingezet, zocht De Jong met zijn schepen ruim twee weken later beschutting in de haven van Bergen. Hij voelde zich er niet veilig. De Noorse versterkingen waren in zijn ogen onvoldoende en hij twijfelde of zijn eigen oorlogsfregatten aan de ingang van de haven sterk genoeg waren om vijandelijke schepen te beletten de haven binnen te dringen. Bovendien had hij gehoord dat de neutraliteit van de Noorse havens elders een wassen neus was gebleken. Hij voelde zich in Bergen slecht op zijn gemak en de stad zelf deed daar weinig goed aan. Het regenachtige Bergen was als “een oude mismaakte matrone, wier gemelijk humeur, vervelendheid en lastige etiquette alle menschen van zich verwijdert”. Wat een verschil met het bevallige Trondheim.

bergen 2001, foto Dean Morley, cc by nd 2.0

Ondanks zijn besloten ligging was de haven van Bergen weinig veilig voor de schepen van De Jong. Foto uit 2001. (Foto Dean Morley, CC BY-ND 2.0)

Midzomer

De viering van Sankthansaften, het midzomerfeest, op 23 juni maakte iets goed. Tegen een berghelling vlakbij de stad werden manden en tonnen op stokken gezet en in brand gestoken. Er waren kraampjes met bier, brandewijn en jenever en tafels waar koek, brood met kaas, worst en saucijzen, varkenskluifjes en andere versnaperingen werden verkocht. Vioolspelers en potsenmakers vermaakten het publiek. Intussen had men op het water en de omliggende bergen grote hopen hout en stro in brand gestoken. Ze brandden de hele nacht, terwijl het publiek joelde, sprong en danste. Het tafereel stemde De Jong wat milder over Bergen. Hij constateerde dat wanorde en onbetamelijk gedrag achterwege bleven en dat er zelfs geen ordebewakers nodig waren. “Een nieuw bewijs van de geschiktheid van den gemeenen man in Noorwegen.”

Net als in Trondheim verkeerde De Jong in Bergen in de hoogste kringen. Hij bezocht de Hollandse consul te Bergen, Jan Hendrik Fasmer, op diens buitenverblijf en woonde de huwelijksplechtigheid bij van de zoon van de Franse consul. Het oponthoud in Bergen duurde veel langer dan verwacht. Engelse fregatten kruisten onophoudelijk voor de kust. Het leek onmogelijk om Noorwegen over zee te verlaten. Daarom kreeg De Jong opdracht om de terugreis over land aan te vatten. Hij droeg het bevel van zijn schip de Scipio over aan de eerste luitenant en nam “niet zonder aandoening” afscheid van zijn bemanning. Op 17 juli vertrok hij onder elf daverende saluutschoten en een driewerf hoezee van de bemanning. Zijn reisgezelschap bestond uit een bediende en luitenant Akkerman, die hij als kadet vanaf Kaap de Goede Hoop had meegenomen.

Per boot en paard

Op zijn tocht, die per boot tot het eind van de Sognefjord en daarna met paarden over land tot aan de Zweedse grens bij Svinesund voerde, noteerde De Jong tal van wetenswaardigheden over het landschap, de natuur en de boerenbevolking. Ook noteerde hij details over de staat van de wegen en het comfort van de verblijven waar hij onderweg op was aangewezen.

Yttre-Kroken_i_Sogn, J.F. Eckersberg, tekening litho, 1848

Sognefjord. Tekening J.F. Eckersberg uit 1858.

Reizen in Noorwegen was toentertijd geen sinecure. De Jong besloot over Lærdal te reizen, waar hij grotendeels per boot door de Sognefjord naar toe kon. Hij had echter veel te stellen met de roeiers die een koopman in Bergen hem ter beschikking had gesteld. Als loods noch als matroos bezaten ze de juiste kwaliteiten, waardoor het gezelschap meerdere malen verdwaalde en door ongelukkige manoeuvres in levensgevaarlijke omstandigheden terechtkwam.

Vanaf het eind van de Sognefjord ging het verder over land: via Lærdal, Borgund (waar hij de nu nog beroemde staafkerk aanschouwde), langs de Randsfjord naar Christiania (het huidige Oslo) en van daaruit naar Fredrikstad en Svinesund. Dit deel van de reis werd per paard afgelegd. De Jong was onder de indruk van de behendigheid van de dieren. Ze wisten als geen ander hoe ze zich op de steile hellingen moesten bewegen en een berijder die dacht het beter te weten liep grote kans in de afgrond te belanden. Er waren in Noorwegen geen stalhouders, wel verspanplaatsen, waar reizigers hun paarden konden achterlaten en verse konden nemen. Daarom ging er altijd een man vooruit die op een verspanplaats zoveel paarden en mensen bestelde als er nodig waren, zodat de rest van het gezelschap die bij aankomst gereed vond. Voor de paarden werd per mijl betaald en daarboven nog per persoon. Er was een standaardtarief voor heel Noorwegen. Daarbovenop deed men naar believen nog een fooi, want, zo had De Jong ervaren, “alles vliegt voor een enkel dubbeltje”.

1183px-Norske_Folkelivsbilleder_-_no-nb_digibok_2007101713001-15

Reizen per paard was toentertijd in Noorwegen de meest geëigende manier om over land langere afstanden te overbruggen. (Tekening Adolph Tidemand, 1848)

Logies

Luxe verblijven waren er niet onderweg. Herbergen ontbraken nagenoeg, de reizigers waren aangewezen op logementhouders en de kwaliteit ervan wisselde sterk. Het meest ellendige verblijf vonden De Jong en zijn mannen in Sognefest. Hier moesten ze zelf hun aardappels schillen en koken en er was slechts één bed voor hen gedekt. De Jong rolde zich van arren moede in zijn reismantel, luitenant Akkermans kreeg het dekbed en de knecht lag op de kussens van de boot. Hoe anders was het in Lærdal. Daar vonden de heren op de ontbijttafel koffie, room, eieren en twee gebraden kippen (die ze inpakten voor de lunch). En vlakbij Hestekind hield een nette vrouw er een prima gastenverblijf op na. Ze zette een uitstekende fricassée van kip op tafel, alsmede omelet, “heerlijke” room, aardbeien, betere wijn dan De Jong ergens in Noorwegen had geproefd en brood. Dat laatste aten de mannen daar voor het eerst sinds hun vertrek uit Bergen. En zoals hun wel vaker overkwam: de dame wilde geen geld hebben.

Leven op het Noorse platteland

Onderweg gaf De Jong zijn ogen en oren goed de kost. Toen hij nog in Trondheim verbleef, had hij wetenswaardigheden over het leven op het platteland genoteerd. Hem was opgevallen dat de boeren er grotendeels zelfvoorzienend waren. Ze weefden hun eigen linnen kleding, maakten hun eigen schoenen, brouwden hun eigen bier en stookten hun eigen brandewijn. Zelfs de meubels in huis waren zelf vervaardigd en “en dat niet geheel zonder smaak”. De eenvoudige huizen waren van hout maar hadden desondanks iets aanzienlijks. Bij de boerenwoningen stonden een stal en – hoog van de grond om het ongedierte buiten te houden – schuren voor de opslag van graan, boter, kaas en andere levensmiddelen.

Ook de kleding van de boerenbevolking interesseerde De Jong. De boeren rond Trondheim droegen een kort leren wambuis met slobkousen en rode kousenbanden, de boerinnen een jak en rokken en over het hoofd een doek. De Jong verbaasde zich erover dat de boeren zich niet anders kleden als het koud was. Hij zag boeren met “open boezem, de ijskegels aan de hairen van de borst hangende”, terwijl ze zich in hun huizen in overmatig verwarmde vertrekken ophielden. Het temperatuurverschil tussen binnen en buiten kon oplopen tot wel 40 graden. Naarmate de reis vorderde, werd het land vruchtbaarder en nam de welvaart onder de boerenbevolking toe. Dat was ook te zien aan de kleding van de landlieden. Mannen kleedden zich in korte jasjes van karsaai en ten noorden van Oslo langs de Randsfjord zelfs in lange rokken (jassen) van laken (een zware wollen stof). In sommige gebieden schoren de boeren zich, in andere hadden ze baarden. De boerinnen droegen een linnen of katoenen jak en hadden een muts op het hoofd met een doek daaroverheen. In elk gebied had hun kleding eigen karakteristieken.

Norske Folkelivsbilleder

Enigszins geromantiseerd beeld van het plattelandsleven in Noorwegen rond het midden van de negentiende eeuw. (Tekening Adolph Tidemand, 1848)

Tegenaan de steile bergen was nauwelijks grond te vinden die bebouwd kon worden. Op de schaarse plekjes groen waar dat wel mogelijk was, was dan ook meteen een boer te vinden en hier en daar een kudde schapen of geiten. Aan de huizen, in bomen en tegenaan de rotsen werden berkentakken met bladeren gedroogd, die als voer voor deze dieren dienden. Omdat er zo weinig gras was, werden paarden en koeien soms de bergen in gejaagd om zelf hun kostje bij elkaar te zoeken. Het vee werd geweid op enkele uren, soms op enkele dagen afstand van huis. Een meid of knecht ging mee. In de lange winters stond het vee op stal.

Watervallen

In het landschap vielen de watervallen bij De Jong het meest in de smaak. Hij ervoer een mengeling van gevaar en schoonheid: “Het schuimend gebruisch en verdoovend ruischen van het neerstortend water, vereenigd met het gezicht der puntige rotzen, stijle klippen en hemelhooge bergen, die hier in eene dreigende gedaante op het vallen staan, ginds in afgescheurde brokken voor de voeten liggen, overrompelt de bedwelmde en getroffen zintuigen: voeg hierbij de bijzondere spelingen der konstige natuur, die men allerwegen, waar het gezicht zich ook henen wendt, in deze klippen en gevallen steenen ontdekt, en gij zult moeten erkennen, dat men het drijgend gevaar vergeet om in enkele bewondering weg te zinken.” Op veel plekken profiteerden de Noren van het vallende water door er watermolens te bouwen. Sommige watervallen telden wel zeven of acht molens.

foto Roman Königshofer, uit 2011

Watervallen dwongen diepe bewondering af bij De Jong. (Foto uit 2011 door Roman Königshofer, CC BY-ND 2.0)

Verkwisting

De Jong verbaasde zich over de verkwisting van hout in Noorwegen. Overal zag hij houten schuttingen waarvoor onnodig veel hout was gebruikt: dubbele palen die in de grond waren geslagen met daartussen schuin gelegde planken. Hij constateerde ook dat bij het omhakken van bomen geen rekening werd gehouden met de ouderdom van de boom. Daardoor ruimden jonge bomen, die werden gebruikt voor stokken, vroegtijdig het veld. Nog meer verbaasde De Jong zich over een ander risicovolle gewoonte van Noorse boeren. In de herfst hakten zij struiken om en legden deze met onder meer stro en heide op het land. In de volgende zomer werd dit in brand gestoken. Dat bevorderde de vruchtbaarheid van de grond, maar was niet zonder risico. Omdat het branden in de zomer geschiedde wanneer alles heel droog was, was het vuur niet altijd te controleren en richtte het in de nabijgelegen dennenbossen soms grote verwoestingen aan. De Jong pleitte voor een duurzaam gebruik van deze natuurlijke bron. Bij Moss zag hij stenen schuttingen. Een veel beter idee, vond hij. Hoewel het meer werk was om ze te plaatsen en het bouwmateriaal ook duurder was, waren ze op den duur toch voordeliger. Ze gingen langer mee en het hout dat voorheen in de schuttingen verdween werd nu te gelde gemaakt in de zaagmolens.

boydell, p. 271, christiania_1

Dichterbij Christiania leek alles welvarender. Gravure John William Edy in Boydell’s picturesque scenery of Norway (Londen 1820).

Terug naar zijn vaderland

Alles leek beter te worden naarmate Christiania dichterbij kwam. De wegen en bruggen werden beter, de boeren gingen welvarender gekleed en ze reden op wagens getrokken door een of twee paarden. De huizen hadden er glazen ramen, de schoorstenen waren er hoger en het brood was er witter en lekkerder. In de stad zelf aten De Jong en zijn reisgenoten zelfs een maaltijd die ze in een jaar niet hadden gezien, met bloemkool, doperwten, wortelen en kersen. Vanuit Oslo reisden ze via Fredrikstad verder naar de Zweedse grens bij Svinesund. Die bereikten ze op 30 juli 1796. Een veerpont bracht hen naar de overkant. Aan het Noorse avontuur van De Jong was een einde gekomen. Hij reisde via Göteborg, Kopenhagen en Hamburg naar Den Haag.

Drie jaar later zou De Jong – verdacht van verraad aan de Engelsen – huisarrest krijgen en later verbannen worden. Hij woonde toen in Kleve en Vught. In deze periode stelde hij zijn reisbeschrijvingen op schrift. Hij werd in 1813 gerehabiliteerd, maar zou niet meer in actieve dienst bij de marine terugkeren. Op 11 februari 1838 overleed hij in Den Haag.

Bronnen:
Carla van Baalen en Dick de Mildt (red.), ‘Weest wel met alle menschen’; de Kaapse brieven van Cornelius de Jong van Rodenburgh, Hilversum 2012.
Jaap R. Bruijn, Naval captain Cornelius de Jong’s unforeseen stay in Norway (1795-1796), in: Louis Sicking, Harry de Bles, Erlend des Bouvrie (eds.), Duth light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 93-112.
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ‘s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 2, Haarlem 1802 (ook online).
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ‘s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 3, Haarlem 1803 (ook online).

Advertenties

Een Hollandse zeeman in het barre Noorden (3) – “Alwaar de naarheid haar troon gesticht heeft”

Bevelhebber Cornelius de Jong begeleidde in 1794 een konvooi Oostindiëvaarders naar Nederland, maar moest vanwege oorlogsomstandigheden naar het neutrale Noorwegen uitwijken. Wachtend op orders uit Nederland nam hij de gelegenheid te baat om zich uitvoerig op de hoogte te stellen van het leven in Noorwegen. In de brieven die hij schreef aan een denkbeeldige vriend en die later werden gepubliceerd, beschrijft hij zijn belevenissen tijdens zijn negen maanden durende verblijf. Zijn spectaculairste uitstapje was een tocht naar Røros, waar hij een kopermijn en -smelterij bezichtigde. Dit is de derde blog uit de serie die aan De Jongs reis is gewijd.

Rendierpelzen en berenhuiden tegen de kou

Met tien mannen aanvaardden ze per slee de reis naar Røros. Onder hen enkele kapiteins van de VOC-schepen, twee zeekadetten en twee Kaapse jongemannen die De Jong onder zijn hoede had. De Jong kleedde zich op de kou met twee hemden, een borstrok, kamizool (ondervest), rok (jasje), overrok (overjas) en daaroverheen een dikke rendierpels. Drie paar kousen en dikke wijde laarzen moesten zijn voeten warm houden en een slaapmuts diep over de oren met daaroverheen een bontmuts zijn hoofd. De handen verdwenen in achtereenvolgens lederen, wollen en bonten handschoenen. De laatste zaten aan de rendierpels vast. Om de hals gingen een gewone das, twee dikke doeken, daarna de hoog opgeslagen kraag van de pelsmantel en daaroverheen een met watten gevulde zwarte zijden zak, die van achteren werd vastgemaakt en de mond, kin en een deel van de wangen bedekte. Ondanks deze bescherming zou een van de mannen bij aankomst op een wang en oor tekenen vertonen van bevriezing. Toen lokale boeren de witte plekken signaleerden, ondernamen ze meteen actie en wreven de plekken in met sneeuw. Dat was de geijkte methode om bevriezingsverschijnselen tegen te gaan.

Acht sleeën en paarden stonden er klaar en verder nog een slee voor de bepakking (kleding en andere benodigdheden) en twee knechten. Elke slee bood plaats aan één persoon en een voerman die de teugels in handen hield. De sleeën hadden aan de achterzijde grote ijzeren ‘krassers’, waarmee geremd kon worden. De voerman had onder een van de hakken van zijn schoenen ook zo’n ‘krasser’. Met een kruikje brandewijn naast zich, de voeten gestoken in een zak van berenhuid en verder bijna helemaal schuilgaand onder een dikke gevoerde berenvacht, was De Jong klaar voor de reis.

Nidelva 2

De Nidelva in een besneeuwd landschap in 2010. (Foto Jan Richard Tallaksen, CC-BY 2.0)

Reizen over een bevroren rivier

Het was hartje winter en het land bedekt met sneeuw. Het eerste deel van de tocht voerde over de bevroren rivier ‘Elve’ (Nidelva). Op sommige plekken had de wind het ijs in de rivier schoongeveegd en kon het gezelschap zich snel verplaatsen. Op plekken waar zich ijsschotsen hadden gevormd of waar het water door de snelle stroom niet bevroren was, moest een andere weg worden gevonden. Over het ijs aan de zijkant van de rivier bijvoorbeeld, of desnoods over land. De paarden konden de steilste hellingen aan. Het laatste deel van de reis ging over het besneeuwde land. Al met al was het een gevaarlijke tocht en ongelukken bleven dan ook niet uit. Toen kadet Akkerman het paard voor zijn slee zelf mende, sprong het weg. De slee stootte tegen een vastgevroren ijsschots, waardoor hij omviel, rondtolde en door het op hol geslagen paard werd voortgesleept. De kadet stond doodsangsten uit, het toekijkende gezelschap eveneens, maar de jongeman wist uit de slee te komen. Het paard werd een eind verderop door boeren gestopt. De Jong zelf trof een dronken voerman en wild paard en werd tot drie keer toe met zijn slee omvergegooid.

Kopermijn en smelterij

In de avond van de tweede dag bereikten ze in de snijdende kou eindelijk Røros. De onderneming lijkt maar één doel te hebben gehad: bezichtiging van een kopermijn en -smelterij. De koperwinning was een lucratief bedrijf voor de welgestelden uit Trondheim. Zij bezaten aandelen erin, waarvan de waarde overigens afnam omdat de mijn uitgeput raakte. In Røros leerde De Jong de schaduwzijde van het bedrijf kennen.

mijnstad røros, 2014, foto Esther Westerveld, cc by 2.0_1

Restanten van het oude mijnbedrijf nabij Røros in 2014. (Foto Esther Westerveld, CC-BY 2.0)

Het gezelschap bezocht allereerst een van de smelterijen (smeltehytter). De ruwe erts die vanuit de mijn werd aangevoerd, lag op grote hopen voor de smelterij. Daaronder een smeulend vuur. Er hing een ondragelijke zwavelstank. De erts werd verscheidene malen gebrand en gesmolten. Het moet er als een inferno hebben uitgezien. Grote ketels hingen boven vuren, die werden aangewakkerd met op waterkracht aangedreven blaasbalgen. In het laatste stadium werd het ‘zwartkoper’ aan de kook gebracht totdat kleine kegelvormige stukjes koper als vonken uit de borrelende massa wegschoten. Deze ‘koperen regen’ was het signaal dat de massa voldoende gekookt was. Het vuur ging uit en de substantie werd met water geblust, waardoor ze stolde. Met een houten schep werd het koper er in lagen afgeschept. Na te zijn afgekoeld werden de grote ronde schijven in het magazijn opgeslagen tot ze in de winter met sleden (goedkoop en efficiënt) naar Trondheim konden worden getransporteerd. Van daaruit ging het per schip naar onder meer Holland en Engeland.

Olavsgruva Røros, foto Lars Geithe, 2008, cc by 2.0_1

Olavsgruva bij Røros, 2008. (Foto Lars Geithe, CC-BY 2.0)

De stank en hitte maakten de smelterijen tot een hel. In de kopermijnen waren de omstandigheden zo mogelijk nog deprimerender. Uit de ingang kwamen damp en rook hen tegemoet. In de groeve – een doolhof van onderaardse gangen – was het bloedheet en het rook er naar zwavel en buskruit. Sommigen moesten terug om verse lucht “te scheppen”. De bezoekers zagen hoe de kopererts werd gewonnen uit twee aderen van elk een kleine voet (circa 30 cm) breed. Eerst maakten twee arbeiders een gat in de rots. Een van hen zette daartoe een lange, dikke ijzeren staaf in de rotswand en draaide deze om en om, terwijl de andere arbeider er met een grote hamer op sloeg. Als het gat diep genoeg was, werd het gevuld met buskruit. Alvorens dit werd aangestoken, schreeuwden de werkmannen waarschuwingen naar de andere werklieden. Die klonken “akelig hol” in de groeve. Met donderend geraas sprong daarna een deel van de rots. Het losgeslagen gesteente werd in kruiwagens en karren naar de uitgang gebracht.

geoxydeerd koper in Nyberget gruve, foto Lars Geithe 2008, cc by 2.0_1

Geoxydeerd koper in de Nyberget Gruve. (Foto Lars Geithe, CC-BY 2.0)

Alle inwoners van Røros waren op de een of andere manier afhankelijk van de kopermijnen. De Jong was geraakt door de ellendige omstandigheden waarin zij leefden. De smelterij had honderdtwintig arbeiders in dienst: magere, bleke mannen, die een ongezond leven leidden te midden van de zwaveldampen en hete vuren. Ze werden slecht betaald. Hun dagelijks menu bestond uit grutten en melk, ze aten zelden vlees of vis. En dan de arbeiders in de mijnen: “Ik beklaag de smelters te Röraas, maar bejammer de gravers; zij verdienen veel meer medelijden. Waarlijk het lot der galeij-slaven, die ik in Algiers zoo dikwijls gezien en gesproken heb, is dragelijker.” De Jong nam een kijkje in de donkere vertrekken waar de mijnwerkers woonden: plaatsen “alwaar de naarheid haar troon gesticht heeft”.

Hut in Roros, Norway

Huizen van mijnwerkers in Røros. (CC BY SA 3.0)

Saami als attractie

Tijdens het verblijf van De Jong en zijn medereizigers sloeg een kleine groep Saami in Røros zijn tenten op. Na de komst van de kopermijnen meer dan honderd jaar geleden hadden veel Saami, die hier in de winter met hun rendierkudden leefden, het gebied de rug toegekeerd. De Jong nodigde de “Finnen” – drie mannen, twee vrouwen en een kind – uit voor de deur van zijn verblijf plaats te nemen. Hij geeft de lezer een nauwkeurige beschrijving van hen, iets wat overigens past in zijn tijd waarin de belangstelling voor ‘vreemde’ volkeren groot was. Naar hedendaagse maatstaven voelt het ongemakkelijk. Hij aanschouwde hen als waren zij een kermisattractie en bovendien was hij weinig positief over hun fysieke kenmerken. De Saami waren volgens hem klein, bruingeel en onaanzienlijk. Ze hadden uitstekende jukbeenderen (als Hottentotten) en hun ogen waren “lelijk, als die der Chineezen”. Hij had vernomen dat de vrouwen in het algemeen vroeg oud waren en de Saami op vijftigjarige leeftijd blind door hun leven in de sneeuw en de rook in hun tenten.

sami, foto omstreeks 1900, cc by 2.0

Saami op een prentbriefkaart omstreeks 1900. (CC-BY 2.0)

Met bewondering keek De Jong daarentegen naar de behendigheid en snelheid waarmee zij zich in hun sleden voortbewogen. Zelf had hij een paar maal met zijn slee ondersteboven in de sneeuw gelegen, hier zag hij hoe de Saami na zo’n ongeluk vliegensvlug weer in hun slee sprongen – die overigens een andere vorm had en door een rendier werd getrokken – en rap verder gingen. “Nadat de Finnen ons genoeg vermaakt hadden, gaven wij hun eene fooi en meenden onzen dag zeer wel besteed te hebben.” De dag erna aanvaardde De Jong met zijn gezelschap de terugreis naar Trondheim.

In de volgende en laatste blog gaat De Jong op huis aan, een reis die hem dwars door Noorwegen zal voeren.

Enkele jaren voordat De Jong Røros bezocht, was hier met geld uit de nalatenschap van een mijndirecteur een armenfonds gesticht. De Jong maakt hiervan overigens geen melding. Lees over dit initiatief het verhaal Koper en dekens uit Røros.

Bronnen:
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ‘s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 2, Haarlem 1802 (ook online).

Een Hollandse zeeman in het barre Noorden (2) – Verblijf in de hogere kringen van Trondheim

Cornelius de Jong, die in 1794 als bevelhebber een konvooi Oostindiëvaarders naar Nederland begeleidde, moest vanwege oorlogsomstandigheden uitwijken naar het neutrale Noorwegen. Hij verliet dit land pas negen maanden later, na het van west naar oost te hebben doorkruist. Van zijn reis hield De Jong aantekeningen bij. Hij verwerkte die in brieven aan een denkbeeldige vriend, die in 1802 en 1803 werden uitgegeven. Ze geven een boeiend inkijkje in de avonturen van deze zeeman in het ‘barre Noorden’. Alle reden dus om in de Bryggenblogs De Jongs reis te volgen. In de eerste van de reeks bereikte De Jong over zee Trondheim. Deze tweede blog is gewijd aan zijn ruim zeven maanden durende verblijf in de Noorse havenstad.

De Jong bereikte met zijn fregat Scipio in de avond van 6 oktober 1795 de haven van Trondheim. Bij wijze van groet liet hij elf saluutschoten afvuren, die met negen schoten vanaf de vesting Munkholmen werden beantwoord. De Jong verbaasde zich erover dat de Noren de vlag niet hesen en liet navragen wat de reden daarvan was. Moest hij dit als een belediging opvatten? Een foutje, zo bleek, de Noren waren dit eenvoudigweg vergeten.

Trondheim_Munkholmen, foto Clemenz Franz, cc by sa 3.0

Munkholmen voor Trondheim. (Foto Clemenz Franz, CC-BY-SA 3.0)

De dag na zijn nachtelijke aankomst begaf De Jong zich aan wal en vervoegde hij zich bij de belangrijkste bestuurders van de stad. Zijn eerste zorg was de veiligheid van de schepen en hun kostbare lading. De Jong wendde zich tot de burgemeester van Trondheim, die toevallig viceconsul van Holland was geweest. Bij dit gesprek was ook de Noorse generaal Georg Frederik von Krogh aanwezig. Von Krogh meldde dat hij de haven al had voorzien van een militaire versterking. De Jong was nu verzekerd van bescherming door de Noren. Verder zat er weinig anders op dan orders uit Nederland af te wachten. Hij verbleef daarna zelden nog aan boord van de Scipio, maar nam zijn intrek in een burgerwoning in de stad, een adres dat hij kreeg via zijn zojuist gemaakte connecties.

Havenstad zonder herberg

Voor passerende reizigers moet het destijds een hele toer zijn geweest om in Trondheim een slaapplaats te vinden. Er waren geen herbergen. Reizigers waren aangewezen op de gastvrijheid van particulieren. Had je geen relaties in de stad, dan maakte je kans van deur naar deur te worden gestuurd, want niemand was verplicht om een vreemdeling onderdak te verschaffen. Voor een Hollandse bevelhebber die op grond van zijn positie gemakkelijk toegang had tot de hoogste kringen, was dit minder een probleem. De Jong werd meteen geïntroduceerd bij de vrienden van de burgemeester en bij een van hen werd een kamer voor hem vrijgemaakt.

Een Noors vriendenmaal

De Jong was die eerste middag al te gast in het buitenhuis van een van de rijkste kooplieden van Trondheim, ene heer Mencke. Dit zal hoogstwaarschijnlijk Henrik Meincke zijn geweest, op dat moment de belangrijkste koopman en reder in Trondheim en tevens een van de grootste aandeelhouders in de kopermijnen van Røros. Net als andere welgestelde inwoners van Trondheim had Meincke buiten de stad een landgoed, waar hij zich vermaakte met het buitenleven en verdiende aan de opbrengsten van de houtkap en het graan en de groenten die er werden verbouwd. Op zijn landgoed, dat zo’n vijftien tot twintig minuten buiten de stad lag, gaf Meincke die middag een feest ter ere van de verjaardag van generaal Von Krogh. Het was een mannenaangelegenheid, de vrouw en dochters des huizes lieten zich alleen even zien om “en chorus” enige liederen te zingen. Na de maaltijd en thee speelden de heren omber, een kaartspel dat zowel de Noren als de Nederlanders kenden, maar met andere spelregels.

Georg_F_von_Krogh_1732_1818_c_medium

Generaal Georg Frederik von Krogh (1732-1818) versterkte de militaire verdediging van de haven toen De Jong er met zijn schepen beschutting had gezocht.

De Jong voegde zich naar de etiquette van de Noren. Hij leerde hun wijze van begroeten (vrouwen omhelsden elkaar, mannen ook en gaven elkaar daarbij de rechterhand, vrouwen werden door hen begroet met een handkus), en nam hun gewoonte over om een vrouw aan de arm naar de eetzaal te leiden en staande achter de stoel te bidden alvorens aan tafel te gaan. Op het menu stonden vlees- en visschotels, waarbij groente en bessen (multibær en tyttebær) werden geserveerd. Tijdens de maaltijd wandelde de gastvrouw rond – soms ook de gastheer – om waar nodig gesprekken te verlevendigen en in de gaten te houden of iedereen wel voldoende te eten had. De wijn was van abominabele kwaliteit, aldus De Jong, en hij verwonderde zich over de gewoonte om de glazen nooit helemaal leeg te drinken. Bij het uitbrengen van een toost werd “Skål” gezegd, hetgeen volgens De Jong verwees naar ‘schaal’ of ‘schedel’ en afstamde van een oud gebruik toen men “er nog een wellust in stelde om uit de schaal of hersenpan van een overwonnen vijand te mogen drinken”. Na de maaltijd begaf het gezelschap zich naar een andere zaal, waar ze elkaar opnieuw omhelsden, een hand of handkus gaven en de gastvrouw bedankten met een ‘Takk for maten’ (volgens De Jong: “Tak for male”). Nadat er tussen twee uur en half vier was gegeten, werden er nu koffie en vervolgens thee gedronken, daarna kaartspelen gedaan, brandewijn en likeur gedronken, om vervolgens rond negen uur nogmaals aan tafel te gaan. Gewoonlijk duurde zo’n visite tot elf uur ’s avonds.

Het lijkt De Jong weinig moeite te hebben gekost om zich in deze kringen te bewegen. Hun cultuur was ook niet wezensvreemd van de zijne. De meeste van de mensen die hij ontmoette spraken Duits en Frans, sommigen ook Engels. In hun vriendennetwerken deelden ze dezelfde voorkeuren: muziek, dansen en de speeltafel. De kleding van de Noorse upper ten was zoals elders in Europa. Maar vanwege de kou droegen mannen buiten vaak nog een pels van rendiervellen en geen vrouw verliet het huis zonder een bontgevoerde jas.

Leven in Trondheim

Trondheim leefde van de visserij en de handel in hout, vis en koper. Hout kwam uit de bossen rond de stad, waar ook menige zaagmolen stond. Koper werd gewonnen in de mijnen bij Røros. En vissers brachten vanaf de zee en uit de rivier Nidelva, die dwars door Trondheim stroomde, allerlei soorten vis aan land. Zalm bijvoorbeeld, al vreesde De Jong dat zijn schepen met de ankers, touwen en het heen en weer varen van de sloepen dit jaar voor teveel onrust in het water hadden gezorgd en de zalm hadden verjaagd.

bryggerekka nidelva, ca. 1955, dia Johan Alme, GA Trondheim, cc by 2.0

Pakhuizen in Trondheim aan de Nidelva, circa 1955. (Collectie Gemeentearchief Trondheim, foto Johan Alme, CC-BY-2.0)

De Jong lijkt niet erg warm te lopen voor de stad zelf. De straten waren weliswaar ruim en breed, maar ongelijk en slecht bestraat. Ook de straatverlichting liet veel te wensen over en dat was vooral in de winter vervelend als het elke dag maar zo’n vier uur licht was. Behalve de domkerk waren er weinig bezienswaardige openbare gebouwen. Wel had De Jong oog voor enkele sociale voorzieningen die zich op een opmerkelijk hoog peil bevonden. De in 1767 overleden Thomas Angell, afkomstig uit een rijke koopmansfamilie, had een behoorlijke som geld aan de stad nagelaten, waarmee onder meer de aanleg van de waterleiding en -pompen was betaald. De stinkende grachten waren gedempt, omdat men ervan overtuigd was dat het stilstaande water ziekten veroorzaakte. Ook was met het geld uit de nalatenschap van Angell het weeshuis gerestaureerd en een vrouwenklooster gesticht.

Alle huizen in de stad waren van hout en De Jong verbaasde zich erover dat ook de rijke kooplieden van zulke houten huizen luxe verblijven hadden gemaakt. Er stonden imposante houtgestookte kachels en zelfs de slaapkamers werden verwarmd – bepaald geen overbodige luxe in een stad waar het een deel van het jaar “nijpend koud” was. De huizen waren er aangenaam warm, aldus De Jong, niet benauwd. Bij het slapen echter broeide het hem teveel onder de aldaar gangbare zachte donzen dekbedden. Twee dekens vond hij verkieslijker.

Domkerk, steendruk Carl Johan Fahlcrantz, 1821, GA Trondheim, cc by 2.0

Domkerk van Trondheim in 1821. Steendruk van Johan Carl Fahlcrantz. (Collectie Gemeentearchief Trondheim, CC-BY-2.0)

Een exotisch geschenk

Tijdens zijn verblijf bracht De Jong een bezoek aan de bibliotheek van het Koninklijk Noors Genootschap van Wetenschappen en Letterkunde (Det Kongelige Norske Videnskabers Selskab), dat in 1760 in Trondheim was opgericht. De bibliotheek imponeerde hem niet, al waren er toch wel enige goede werken op de planken terechtgekomen. Ieder lid was verplicht om bij toetreding een boek te schenken. Ook had het Genootschap een klein kabinet van naturalia, waarvoor de verzameling van een van de oprichters, bisschop Johan Ernst Gunnerus, de grondslag had gelegd. Het kabinet bevatte onder meer vissen, schelpen en insecten en ook noteerde De Jong “eenige aardige Noordsche koralen”. Tot de verzamelingen behoorden voorts een herbarium en een collectie mineralen, die voornamelijk afkomstig waren uit de kopermijnen van Røros en Meldal en uit de zilvermijn van Kongsberg.

J.C. Schønheyder, 1742-1803, GA Trondheim cc by 2.0

Bisschop Johan Christian Schønheyder (1742-1803), tevens vicepresident van het Noorse wetenschappelijk genootschap. (Foto collectie Gemeentearchief Trondheim, CC-BY-2.0)

De Jong had op zijn reis naar Kaap de Goede Hoop enige exotica verworven. Vermoedelijk had hij deze bij de Kaap gekocht, aangezien hij niet in de Oost was geweest. Bij het zien van de verzameling in Trondheim besloot hij zijn collectie aan te bieden aan het Noorse genootschap. De vicepresident, bisschop Johan Christian Schønheyder accepteerde de schenking “met greetig genoegen”. Zo werd de Noorse verzameling dankzij een Nederlander in één klap uitgebreid met huiden van hyena’s, luipaarden, leeuwen en andere dieren, alsmede zo’n twintig vogels van Kaap de Goede Hoop, insecten uit Indië en China, vissen op sterk water (brandewijn!) en gedroogde zeegewassen. De leden van het genootschap kwamen enkele dagen later in een buitengewone vergadering bijeen om de aanwinsten te bekijken. Daags erna stond de bisschop weer voor De Jong om hem namens alle leden te bedanken voor de vele ‘zeldzaamheden’ en hem het lidmaatschap van het genootschap aan te bieden. De Jong stemde dankbaar toe met dit “vleijend en verpligtend aanbod”.

astragalus alpinus, van Tromsø, 1767, Gunnerus herbarium, NTNU Vitenskapsmuseet, cc by 2.0

Astragalus alpinus, uit het herbarium van Gunnerus. (Collectie NTNU Wetenschapsmuseum)

In de volgende blog tart De Jong de elementen als hij – ingepakt in berenvellen – op een slede naar Røros afreist om er de kopermijnen te gaan bekijken.

Bronnen:
Jaap R. Bruijn, Naval captain Cornelius de Jong’s unforeseen stay in Norway (1795-1796), in: Louis Sicking, Harry de Bles, Erlend des Bouvrie (eds.), Duth light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 93-112.
Norsk Biografisk Leksikon (Henrik Meincke
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ‘s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 2, Haarlem 1802 (ook online).

Een Hollandse zeeman in het barre Noorden (1) – De reis langs de Noorse westkust

Hij was de oudste zoon uit een gegoede Hollandse familie en had een glansrijke carrière opgebouwd als marineofficier. Cornelius de Jong (1762-1838) was in 1794 met het fregat Scipio naar Kaapstad gevaren om een konvooi van VOC-schepen naar Nederland te begeleiden. Hij belandde uiteindelijk in Noorwegen en verliet het land pas negen maanden later, na het van west naar oost te hebben doorkruist. Van zijn reis hield De Jong aantekeningen bij, die hij later verwerkte in brieven aan een denkbeeldige vriend. Deze brieven, die in 1802 en 1803 werden uitgegeven, geven een boeiend inkijkje in de avonturen van deze zeeman in het ‘barre Noorden’. De komende Bryggenblogs zijn gewijd aan De Jongs reis. De eerste blog verhaalt over zijn tocht langs de westkust naar Trondheim.

C. de Jong, Rijksmuseum

Portret van Cornelius de Jong. Ets door L.G. Portman. (Collectie Rijksmuseum)

In mei 1795 hadden de negen Oostindiëvaarders en twee fregatten bij Kaap de Goede Hoop de ankers gelicht, maar weldra bereikte hen het bericht dat de Fransen Nederland waren binnengevallen en dat zich in het land een revolutie had voltrokken. Bevelhebber De Jong vreesde dat de schepen op de Noordzee niet veilig zouden zijn nu Engeland een vijandelijke mogendheid was geworden en besloot een omweg te maken via de Shetland eilanden. Hij kon niet voorkomen dat drie schepen, waaronder het andere fregat, in handen vielen van de Engelsen. De Jong besloot daarop om met zijn verzwakte vloot naar een haven in het neutrale Noorwegen te varen en daar nadere orders af te wachten.

Op 17 september bereikten zij de Noorse wateren. Een paar lokale vissers bleken bereid om als loods te fungeren tijdens de moeilijke vaartocht in deze wateren. Geteisterd door dichte mist, dan weer door een harde aflandige wind en het ontbreken van goede ankerplaatsen gingen de schepen op 19 september voor anker bij het eiland Valderøya (De Jong schrijft dit als ‘Walderhow’). De schepen trokken veel bekijks, voor zover daarvan op de schaars bewoonde eilandjes sprake kon zijn. Ze werden rijkelijk voorzien van verse groenten en vis en de belangrijkste bestuurder van het gebied, de ‘hupsche heer’ Andreas Norlow, bracht De Jong een beleefdheidsbezoek. Norlow was in gezelschap van enkele heren en dames, waarvan De Jong vermoedde dat het ‘alle de fatzoenlijke lieden van den geheelen omtrek’ betrof.

1024px-Tueneset_Valderøya_foto Rolf Ganger, cc-by-sa 3.0

Valderøya in 2010. (Foto Rolf Ganger, CC-BY-SA 3.0)

Een onsmakelijke gewoonte

Twee dagen later volgde het tegenbezoek van De Jong en een aantal officieren. Per sloep voeren zij tussen de vele eilandjes door naar het huis van Norlow, waar hun een uitgebreide ontvangst ten deel viel. De heren dronken brandewijn, madeira en koffie, rookten een pijpje en daarna volgde nog thee met gebak. Op aandringen van de gastheer nuttigde het gezelschap ook de avondmaaltijd bij hem thuis. Op het menu stond een flink stuk gebraden rendiervlees. De Jong was zeer te spreken over de gastvrijheid, maar ergerde zich aan één ding: de gewoonte van Noorse mannen om op de grond te spuwen. Hoewel de houten vloeren bestrooid waren met zand en dennennaalden liet deze gewoonte zichtbare sporen na in de onderste randen van de lange rokken die de vrouwen droegen, iets waarvan De Jonge vermoedde dat zij er een ‘wezenlijk ongemak door leden’.

Vervolg van de reis naar het noorden

Omdat hij had vernomen dat Engelse en Russische schepen het op de Oostindiëvaarders hadden voorzien, zette De Jong zijn tocht voort richting Trondheim. De vaarweg stond als uiterst moeilijk bekend en De Jong had het niet hoog op met zijn loodsen. Hij vond hen ‘onkundige, bange menschen’ en ‘volstrekt niet gewoon met schepen te werken’. Op het eiland Harøya sneden zijn bemanningsleden wilde zuring, een effectief middel tegen de scheurbuik waaraan een aantal van hen leed. Na nieuwe tijdingen over de politieke en militaire omstandigheden te hebben ingewacht, liet De Jong op 28 september de ankers lichten en zeilde hij verder naar het noorden. In regen en wind ging het gevaarlijk dicht langs de klippen, maar om vier uur bereikten de schepen veilig het eiland Edøya. De plaatselijke geestelijke had bij zijn huis de vlag gehesen, een groet die De Jong liet beantwoorden. Aan de oostzijde van het eiland gingen de schepen die nacht voor anker.

1024px-Edoey_gl_krk_ne, foto Olve Utne, cc by sa 2.5

De oude kerk van Edøya zoals die er tegenwoordig bij staat. (Foto Olve Utne, CC-BY-SA 2.5)

De volgende dag werd de reis voortgezet langs ‘klippig land en oogschijnelijke dorre rotzen’. De Jong verbaasde zich erover dat hier toch graan verbouwd kon worden en liet zich imponeren door de talrijke watervallen. Onderweg moest een afgezant van een koopman uit Trondheim afgewimpeld worden, die zich aan boord had gemeld met het verzoek als commissionair te mogen optreden en een vervalste brief uit Holland bij zich had. Die avond ging De Jong voor anker bij Ørland, gelegen op een schiereiland recht tegenover de ingang van de Trondheimsfjord.

Ørland

Vlakbij de kerk van Ørland woonde de geestelijke die deze uitgebreide parochie bediende. De Jong ontmoette hem na een jachtpartij. Hij bleek een belezen man die Hoogduits sprak. Zijn gemeente bestond uit ruim 2200 lidmaten, die verspreid over de eilanden woonden. Deze eilanden lagen niet ver van elkaar, maar om ’s zondags naar de eredienst te komen moesten de gelovigen per boot toch een flinke afstand afleggen. Omgekeerd was het voor de prediker ook een hele toer om zijn parochianen te bezoeken. Vooral in de winter, wanneer kou en harde wind voor veel ongemak zorgden en sneeuwval het zicht ontnam. Kinderen in deze verspreide gemeente kregen les van een van de vier rondreizende onderwijzers, die vaak door de geestelijke zelf waren onderricht. Zo’n onderwijzer woonde een tijdlang in bij een boer, waar de kinderen uit de buurt zich dan verzamelden om les te krijgen.

1024px-Bruholmen_rusaset_austrattlunden, Ørland, 2005, GA Ørland

Ørland. (Collectie Gemeentearchief Ørland)

De mensen die op deze eilanden woonden, waren boer of dagloner en tevens visser. Haring vond veel aftrek onder arme mensen. Ze maakten er soep van en aten de vis bovendien bij de pap die ze kookten van havermeel. Haver werd in deze omgeving veel verbouwd en van het havermeel werd flatbrød gebakken, grote ronde dunne koeken die werden bestrooid met roggemeel. Rijke mensen bakten het flatbrød dunner en van haverbloem, dus zonder zemelen. Daarnaast werd in deze contreien zwart roggebrood gegeten, waarin komijnzaad was verwerkt om de smaak en geur een oppepper te geven.

Doodskisten op een landgoed

Tijdens zijn verblijf bij Ørland gaf De Jong gehoor aan een uitnodiging van Eiler Hagerup Holtermann, eigenaar van het landgoed Austrått (in de brieven geschreven als Osterraad). De Jong legde een grote belangstelling aan de dag voor de geschiedenis van het huis en zijn bewoners. Rond het midden van de zeventiende eeuw waren de gebouwen in opdracht van de toenmalige eigenaar Ove Bjelke nieuw opgetrokken. Maar de eerste vermeldingen van Austrått dateren reeds uit de tiende eeuw (De Jong meende de twaalfde eeuw). De Jong betrad het gebouw door de gewelfde poort, die versierd is met wapens en familienamen, bekeek de galerijen met aan weerszijden houten beelden en ging de – naar zijn zeggen – twintig trappen op om het huis binnen te gaan. Hij waande zich in de tijd van de oude kastelen: smalle lage deuren, kleine vensters, nauwe gangen en weinig licht.

Austrattborgen entree, foto Karin Størseth, cc by 2.5

De poort van het landgoed Austrått. (Foto Karin Størseth, CC-BY 2.5)

Vervolgens daalde hij af in de kleine kapel, waar hij een aantal schilderijen bewonderde, die er door ouderdom of achterstallig onderhoud overigens niet al te best bij hingen. In een vertrek achter het altaar stonden vijf doodskisten. Daarin rustten bouwheer Ove Bjelke en diens vader Jens Bjelke, evenals Oves drie vrouwen. Van Helena Lindenow, Bjelkes in 1675 gestorven, laatste echtgenote, was de kist geopend en kon De Jong het opmerkelijk gaaf gebleven lijk aanschouwen, alsmede haar eveneens opmerkelijk gaaf gebleven linnen hemden en de bekleding van de kist. De Jong schreef de uitstekende conditie toe aan de zeer droge lucht in de kapel, waar de deuren bijna altijd openstonden.

Na de kapel bezocht De Jong nog een kleine gevangenis in het complex. Hij besteedde voorts aandacht aan de stenen piramide bij het huis, die ter ere van de vader van Ove Bjelke was opgericht. Een woordspeling op de plaquette ontging hem niet. De Jong meende dat de piramide in opdracht van Bjelke zelf was gebouwd, maar inmiddels wordt aangenomen dat alleen de gedenksteen uit diens tijd stamt en dat de piramide kort vóór 1774 moet zijn gebouwd, slechts enkele decennia voor het bezoek van onze zeeman dus. Het bezoek werd afgesloten met een maaltijd, waarbij een overvloed aan vlees en vis werd geserveerd en weinig groente en fruit, al liet De Jong zich de kersen, die in de omgeving waren geplukt, goed smaken.

Austrattborgen in 2005, cc by 2.5

Landgoed Austrått in 2005. (CC-BY 2.5)

Op 6 oktober was er eindelijk een gunstige wind en kon de reis naar Trondheim worden voortgezet. Om tien uur die avond bereikte De Jong de havenstad, waar ook vijf van de Oostindiëvaarders op de rede lagen. Zou De Jong toen al hebben bevroed dat hij nog de hele winter en het voorjaar in Noorwegen zou moeten blijven?

In de volgende blog lezen we hoe het De Jong en zijn mannen in Trondheim verging en welke indrukken hij opdeed van het dagelijks leven in deze stad.

Bronnen:
Carla van Baalen en Dick de Mildt (red.), ‘Weest wel met alle menschen’; de Kaapse brieven van Cornelius de Jong van Rodenburgh, Hilversum 2012.
Jaap R. Bruijn, Naval captain Cornelius de Jong’s unforeseen stay in Norway (1795-1796), in: Louis Sicking, Harry de Bles, Erlend des Bouvrie (eds.), Duth light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 93-112.
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ’s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 2, Haarlem 1802 (ook online).