Noorse kerkkunst uit de middeleeuwen

Middeleeuwse kerkkunst is in Noorwegen relatief veel bewaard gebleven. Terwijl in Nederland en de ons omringende landen de interieurs van middeleeuwse kerken zo goed als verdwenen zijn, prijken in Noorse kerken en musea nog schitterende altaarstukken, crucifixen, Mariabeelden, reliekschrijnen, liturgisch vaatwerk en andere objecten die bij de misviering werden gebruikt.

Een gedeelde cultuur

De twaalfde en dertiende eeuw was in Europa een bloeiperiode voor de Kerk. In de kerkelijke organisatie, leer en liturgie kwam meer eenheid. Overal werd dezelfde Latijnse mis gelezen, werden dezelfde liederen gezongen en was het liturgisch jaar op dezelfde wijze opgebouwd. En aangezien de taal- en beeldcultuur van de Kerk de pijlers waren onder het culturele leven in die tijd, kreeg dat door heel Europa overeenkomstige trekken. Alleen in de verering van bepaalde heiligen waren streekeigen elementen herkenbaar.

Ook religieuze kunst en gebouwen vertoonden in West-Europa grote overeenkomsten. De kerkelijke kunst uit artistieke centra in Frankrijk en Italië vond overal navolging. Via de bestaande handelsroutes brachten niet alleen kooplieden maar ook pelgrims, geestelijken en ambachtslieden nieuwe ideeën en technieken mee. Beeldtaal en modellen werden zo door heel West-Europa verspreid.

Hove_Church_03, Armin Kübelbeck, cc by-sa 3.0

Kerk in Hove aan het Sognefjord. (Foto Armin Kübelbeck, cc by-sa 3.0)

Vanaf de vroege elfde eeuw werden in Europa kerken gebouwd in romaanse stijl met massieve muren en ronde bogen. Vanaf de late twaalfde eeuw verspreidde zich vanuit Parijs en omstreken de gotische architectuur en verrezen in alle uithoeken van Europa kerken die de hoogte ingingen, met spitsbogen en vensters met fijngevormde traceringen. Wat voor de buitenkant gold, gold niet minder voor de kerkinterieurs. Ook daar vond eenzelfde vorm- en beeldtaal ingang. Muren en gewelven van de gebouwen waren veelal kleurrijk beschilderd met afbeeldingen van Christus, Maria, heiligen en engelen.

Noorwegen, in het bijzonder de havenstad Bergen, had nauwe handelscontacten met landen rond de Noordzee. Noorse ambachtslieden werden sterk beïnvloed door ambachtslieden uit Engeland en Frankrijk. Bergen, Oslo en bisschopsstad Trondheim golden als de economische en kunstzinnige centra van Noorwegen in die tijd. Veel interieurstukken voor kerken werden daar vervaardigd. Sommige ambachtslieden hadden zulke duidelijke eigen stijlkenmerken dat zij later met een eigen naam werden aangeduid. Zo werd de Meester van Ulvik, die naar men vermoedt in Bergen woonde en werkte, genoemd naar het altaarfrontaal voor de staafkerk in Ulvik dat hij in het midden van de dertiende eeuw vervaardigde.

2. Detail Altaarfrontaal Trondheim Noordwegen, ca. 1300. Nidaros Catedral Trondheim

Altaarfrontaal met de legende van de heilige Olav, circa 1300, afkomstig uit de Nidaroskathedraal in Trondheim. Het paneel toont vier scènes uit het leven van Olav Haraldsson (ca. 995-1030), koning van Noorwegen. Linksonder: de koning te paard op weg naar de strijd, linksboven: droom van de koning in de nacht voorafgaand aan de veldslag bij Stiklestad, rechtsonder: dood van de koning in de veldslag, rechtsboven: waarschijnlijk de verplaatsing van het lichaam ruim een jaar na zijn dood en zijn herbegrafenis in de kathedraal van Nidaros. (Collectie Museet Erkebispegården, Trondheim)

Op en rond het altaar

Het altaar, de heiligste plek in de kerk, was een blikvanger van de eerste orde. Het stond meestal los in de kerk en bestond uit een gemetselde sokkel waar een dekplaat op lag. De sokkel van het altaar was aan de voorkant bekleed met een antependium (een met doek overtrokken raamwerk) of met een frontaal in de vorm van een paneel met schilderingen of reliëfs. Beschilderde altaarfrontalen gelden als de vroegste voorbeelden van de West-Europese paneelschilderkunst maar zijn uit de bloeiperiode van het kerkelijk leven (1100-1350) nauwelijks overgeleverd. In heel West-Europa zijn er iets meer dan honderd bewaard gebleven en bijna een derde daarvan bevindt zich in Noorwegen. Alleen al uit de periode tussen ongeveer 1250 en 1350 telt Noorwegen 31 beschilderde altaarfrontalen. Daaronder de altaarfrontalen uit de kerken in Heddal, Skaun en Ulvik en het frontaal uit de Nidaroskathedraal in Trondheim dat in vier scènes de legende van de heilige Olav verbeeldt. De opbouw en beeldtaal van het Ulvik-frontaal vertonen veel verwantschap met het werk van een miniaturist die rond het midden van de dertiende eeuw in Salisbury werkzaam was.

In de loop van de dertiende eeuw begon het geschilde altaarfrontaal zijn theologische en liturgische betekenis te verliezen. Ervoor in de plaats kwam het altaarstuk of de retabel, dat op de altaartafel werd geplaatst.

Elk altaar was gewijd aan een heilige, die veelal in een houten beeld was vereeuwigd dat op de altaartafel werd geplaatst. Een zittende Maria met kind was een geliefde voorstelling. In heel Scandinavië zijn ongeveer tweehonderd beelden met die voorstelling bewaard, een aanzienlijk deel daarvan in Noorwegen.

Zittende Maria en kind uit Kyrkjebo (Noorwegen) detail, 1200-1300. Bergen, Universiteitsmuseum

Zittende Maria met kind uit de kerk van Kyrkjebø (Sogn og Fjordane), midden dertiende eeuw. (Collectie Universitetsmuseet i Bergen)

Vanaf de twaalfde eeuw werden heiligenbeelden op het altaar in een tabernakelschrijn gezet, waarin het beeld met beweegbare deuren deels of helemaal aan het zicht kon worden onttrokken. De deuren zijn versierd met schilderingen of houtsnijwerk. Ze stonden tijdens de kerkdienst meer of minder open naar gelang het moment in de liturgische kalender. Van de tabernakelschrijnen in Noorwegen zijn alleen onderdelen bewaard gebleven, zoals het luik van een tabernakelschrijn uit de kerk van Fåberg met de beeltenis van Petrus, de Mariabeelden met baldakijnen uit Hove – een van de kostbaarste dertiende-eeuwse sculpturen in Noorwegen – en uit Dal, beide met overduidelijk Engelse kenmerken, en het Olavbeeld uit de kerk in Røldal, dat zich nu in Universitetsmuseet i Bergen bevindt.

Vleugel van een tabernakel, ca. 1250. Oslo, National Museum of Cultural History

Vleugel van een tabernakel met een afbeelding van Petrus als poortwachter, afkomstig uit de kerk van Fåberg, circa 1250. (Collectie Kulturhistorisk Museum Oslo)

Sommige Noorse schrijnen waren bekroond met een miniatuurmodel van een kerk. Daarvan bleven vijf exemplaren uit de dertiende eeuw zo goed als intact bewaard. Die in Hedalen is nog in de kerk zelf te vinden. In de staafkerk van Reinli zijn de vier deuren van de Mariaschrijn nog aanwezig; de miniatuurkerk die de schrijn bekroonde, verdween er – net als de schrijn overigens – na de reformatie en bevindt zich tegenwoordig in de collectie van het Kulturhistorisk Museum in Oslo.

Een overhuiving zorgde voor een ‘hemel’ boven het altaar. Een ciborium rustte op zuilen, een baldakijn was een afzonderlijk dak. Er zijn er in Noorwegen heel wat bewaard gebleven, vooral uit de houten staafkerken. Het enige ciborium dat nog in een Noorse kerk zelf te zien is, bevindt zich in de staafkerk van Hopperstad aan de Sognefjord.

Stave_church_Hopperstad, foto Micha L. Rieser

Ciborium met schilderingen in de staafkerk van Hopperstad. (Foto Micha L. Rieser)

Crucifixen

Hoog boven het altaar bevonden zich in de triomfboog tussen schip en koor grote beelden van de gekruisigde Christus, ‘triomfkruisen’ genoemd. Andere grote kruisbeelden stonden achter het altaar. Kleinere crucifixen waren er om meegedragen te worden tijdens processies of stonden op het altaar. Een van de oudste beschilderde houten sculpturen dat in Noorwegen bewaard bleef, is het corpus van een gekruisigde Christusfiguur uit het staafkerkje van Grinaker (afgebroken in 1867). Het beeld dateert uit de eerste helft of het midden van de twaalfde eeuw. Christus is afgebeeld als een koning en kijkt ons recht van voren aan. Die positie in combinatie met de lendendoek die aan de voorzijde in een driehoek omlaag hangt, komt overeen met meer vroegromaanse kruisbeelden uit Noorwegen (waaronder beelden uit Leikanger en Hauge, nu te zien in het Sogn Folkemuseum, en uit de kerk van Vinje). Vergelijkbare crucifixen zijn ook bekend uit Denemarken.

Oldsak-Armløs-Kristus-II, Grinaker, foto Erik Irgens Johnsen, fra Unimus, cc by-sa 4.0

Christus als gekruisigde koning, corpus behorend bij een crucifix uit de staafkerk van Grinaker, eerste helft of midden twaalfde eeuw. (Collectie Kulturhistorisk Museum Oslo, foto Erik Irgens Johnsen)

Reliekschrijnen

Resten van de heilige aan wie het altaar was gewijd werden soms bewaard in een rijk versierde reliekschrijn die in de sokkel van het altaar werd ingemetseld. Nadat tijdens de reformatie de verering van relieken werd afgeschaft, zijn veel van deze schrijnen verdwenen. In Noorwegen bleven er dertien geheel of voor een deel bewaard. Een ervan is de schrijn uit de Sint-Thomaskerk, een staafkerk aan de bergpas Filefjell op het traject van de Kongeveien, de belangrijke verbindingsweg dwars door Noorwegen. Het eikenhouten kistje is bekleed met verguld koperen plaatjes en decoraties van bruin email. Het heeft de vorm van een huis of een kerk en aan de uiteinden van het dak steken twee drakenkoppen uit. Deze schrijn zou gemaakt kunnen zijn naar het voorbeeld van de grote reliekschrijn van de heilige Olav in de Nidaroskathedraal in Trondheim, die zelf verdwenen is, maar waarvan beschrijvingen bewaard zijn gebleven. De kerk in Filefjell werd eind twaalfde eeuw gebouwd en raakte tijdens de pestepidemie in 1348-1350 buiten gebruik. In die staat bleef hij zo’n drie eeuwen, daarna werd hij weer voor de eredienst gebruikt. Na de sloop van de kerk in 1808 ging de schrijn naar het museum in Bergen.

Reliekschrijn uit Filefjell, Bergen, ca. 1230-1250. Bergen, Universiteitsmuseum

Reliekschrijn uit Filefjell, circa 1230-1250. (Collectie Universitetsmuseet i Bergen)

Misviering

De kleding die de priesters tijdens de misviering droegen, werd vanuit Rome voorgeschreven en vertoonde daardoor, net als de objecten in de kerkinterieurs, overal grote overeenkomsten. Over het onderkleed droegen de geestelijken een opperkleed zonder mouwen (kazuifel) en soms nog een wijde mantel (koorkap) die tot de voeten reikte. De kostbare zijden stoffen voor deze gewaden kwamen aanvankelijk veelal uit het Nabije Oosten, later ook uit Zuid-Europa. In de staafkerk van Røldal, aan de zuidzijde van de Hardangervidda, droeg de priester een kazuifel die vermoedelijk in Spanje was geweven (in de dertiende eeuw). De bloeiende handel in stoffen die vaak dezelfde oosterse patronen hadden, zorgde ervoor dat de motieven overal in de christelijke wereld ingang vonden.

Ook de waterkannen en schalen (aquamaniles) die bij de communie werden gebruikt voor het handenwassen van de priester hadden in heel Europa gelijke vormen en gedaantes. Vaak hadden ze de vorm van een dier dat kracht en gezag symboliseert, een leeuw bijvoorbeeld. Door een tuitje in de kop kon het water worden uitgegoten. Het overgrote deel van de aquamaniles is gemaakt van legeringen als brons of messing. De kannen in koperlegering uit Molde (eenhoorn) en Strinda (griffioen) zijn vermoedelijk vervaardigd in Noord-Duitsland, een volgende aanwijzing voor de levendige uitwisseling binnen Europa van religieuze kunst.

Aquamanile uit Strinda (Noorwegen), 1100-1200. Bergen, Universiteitsmuseum

Aquamanile in de vorm van een griffioen, koperlegering, afkomstig uit de kerk in Strinda, begin veertiende eeuw. (Collectie Universitetsmuseet i Bergen)

Kijkje in onze middeleeuwse kerken

Dat de middeleeuwse kerkkunst in Noorwegen al die eeuwen heeft overleefd is de fortuinlijke uitkomst van meerdere ontwikkelingen. Elders verdwenen ze niet alleen als gevolg van branden, oorlogen, natuurrampen of verkoop, maar ook door veranderingen in het kerkelijke en culturele leven. Zo leidden veranderingen in de liturgie tot het schrappen van onderdelen van kerkelijke interieurs en werden veel onderdelen tijdens de katholieke contrareformatie vervangen door objecten uit de barokkunst. In Nederland bleef uit de twaalfde en eerste helft van de dertiende eeuw bijvoorbeeld geen enkel altaarfrontaal bewaard.

Maar in Noorwegen bleef veel bij het oude. Als gevolg van een economische crisis in de veertiende eeuw was er geen geld om kerkinterieurs te vernieuwen. De pestepidemie van 1348 trof Noorwegen hard en na de inlijving bij Denemarken in 1380 verarmde het land in rap tempo, onder meer als gevolg van de hoge belastingdruk. Terwijl een eeuw later in delen van Europa de laatgotiek tot bloei kwam, getuigde er in de afgelegen Noorse dorpskerken weinig of niets van deze nieuwe stroming in de religieuze kunst.
In Noorwegen ontbrak in de zestiende eeuw bovendien een beeldenstorm, die in andere landen sporen van het middeleeuwse kerkleven uitwiste. De reformatie voltrok zich in Noorwegen sowieso veel gematigder dan in het midden van West-Europa. Noorwegen werd overwegend luthers en juist de lutheranen hielden vast aan tal van religieuze objecten uit de middeleeuwen. In de kerk van Skaun bijvoorbeeld, waar al zo’n vijfhonderd jaar de lutherse eredienst wordt gehouden, is nog altijd het dertiende-eeuwse altaarfrontaal met een afbeelding van Maria en kind aanwezig.

Altertavlen_i_Skaun_kirke, openbaar eigendom

Altaartafel in de kerk in Skaun met dertiende-eeuws frontaal.

Veilig

Begin negentiende eeuw ontstond in Noorwegen, in Bergen in het bijzonder, voor het eerst sinds de reformatie weer interesse voor de kerkelijke kunst uit de middeleeuwen. Men ging de kerken langs en verzamelde de restanten. In 1837 had het museum in Bergen de eerste negen altaarfrontalen veiliggesteld. Er volgde steeds meer onderzoek naar deze uniek groep vroege paneelschilderingen. Ook talloze andere middeleeuwse kunstobjecten werden in museale collecties opgenomen. Andere bleven in situ in dorpskerken bewaard. Ze geven een fascinerend beeld van een Europese cultuur die in Nederland compleet is uitgewist.

In de tentoonstelling North & South, die van 25 oktober 2019 tot en met 26 januari 2020 in Museum Catharijneconvent in Utrecht te zien was, werden Europese topstukken uit de middeleeuwse kerkkunst tussen 1100 en 1350 herenigd. Dit verhaal is ontleend aan de handleiding bij de tentoonstelling en het boek dat bij de tentoonstelling verscheen: Maartje de Jong, Justin Kroesen, Micha Leeflang en Marc Sureda i Jubany (red.), North & South; middeleeuwse kunst uit Noorwegen en Catalonië, 1100-1350, Utrecht/Vic/Zwolle 2019.

Museum Catharijneconvent heeft meerdere filmpjes bij hun tentoonstelling North & South op zijn vimeokanaal gezet. Je kunt er een korte indruk krijgen van de tentoonstelling en de introductiefilm terugkijken die tijdens de tentoonstelling op zaal te zien was. Interessant voor liefhebbers van Noors erfgoed is voorts de verdiepingsfilm bij het Olav-frontaal uit Trondheim.
Het Universiteitsmuseum in Bergen (Universitetsmuseet i Bergen) heeft een grote verzameling kerkkunst uit de middeleeuwen. De collectie is online te bekijken (trefwoorden in het Noors).

Hoe de hoofse liefde het Noorden veroverde

Een Franse schrijver dichtte in het midden van de twaalfde eeuw een liefdesverhaal dat heel Europa zou veroveren. Het verhaal over Floris en Blancefloer verbreidde de hoofse liefde in de West-Europese cultuur. Tot de eerste gebieden die kennismaakten met dit liefdesverhaal behoorden Nederland en Noorwegen. Welk stukje middeleeuwse cultuurgeschiedenis delen deze landen en hoe komt het dat Floris en Blancefloer al zo vroeg hun harten veroverde?

Rode roos en Witte bloem

In de omgeving van Tours, in Frankrijk, schreef de belastingontvanger Robert d’Orbigny ergens tussen 1150 en 1160 in 3348 verzen het liefdesverhaal van Rode roos (Floire) en Witte bloem (Blancheflor). Floris is de zoon van de moslimkoning van Spanje. Hij groeit op aan het Spaanse hof, samen met de dochter van een christelijke slavin. De twee zijn op de dag af even oud en worden verliefd op elkaar. De ouders van Floris verwerpen deze liefde en laten het meisje verdwijnen. Een emir in Babylon neemt haar in zijn harem op. Floris moet geloven dat Blancefloer dood is en wil haar in de dood volgen. Daarop vertelt zijn moeder hem toch maar de waarheid. Floris gaat op reis om zijn geliefde te zoeken. Hij vindt haar, maar de twee moeten nog tal van moeilijkheden overwinnen voordat ze terug naar Spanje kunnen gaan. Daar worden ze de nieuwe koning en koningin en bekeert Floris zich – met al zijn onderdanen – tot het christendom.

floris op zoek naar b

Floris gaat op zoek naar zijn geliefde Blancefloer. (Handschrift Heidelberg Universitätsbibliothek)

Diets en Oud-Noors

Het verhaal van D’Orbigny werd een eeuw later vertaald in het Diets (Vlaams-Nederlands) en het Oud-Noors. Rond 1250 schreef ene Diederic uit het Vlaamse Assenede in bijna vierduizend verzen een Dietse versie van de Franse roman en rond dezelfde tijd verscheen een prozavertaling in het Oud-Noors. Delen van dit laatste verhaal zijn ons overgeleverd op veertiende-eeuwse flarden papier, die worden bewaard in het Riksarkivet in Oslo. Het zijn de oudst bekende fragmenten van ‘Flóres saga ok Blankiflúr’. Samen met twee IJslandse handschriften uit de vijftiende eeuw kan aan de hand daarvan de Oud-Noorse vertaling worden gereconstrueerd.

Noorwegen en de Lage Landen behoorden tot de eerste gebieden waar Floris en Blancefloer hun opwachting maakten. In dezelfde tijd verscheen ook een Middelengelse vertaling en zo’n dertig jaar eerder was er een in het Middelhoogduits geschreven. De vertalingen pasten in een nieuwe traditie om verhalen, die voorheen mondeling van generatie op generatie werden overgeleverd, op schrift in de volkstaal vast te leggen. Bovendien zijn ze de uitdrukking van een nieuw mens- en wereldbeeld, dat in het bloeiende culturele leven in Europa ontstond. Zo maakte het tot die tijd verheerlijkte krijgsgeweld plaats voor meer fijngevoeligheid en empathie in de menselijke verhoudingen. Dat vinden we bij uitstek terug in het verhaal over Floris en Blancefloer.

Hoofse liefde

Hoewel er tussen de Nederlandse en Noorse versie nogal wat verschillen bestaan, cirkelen de vele verwikkelingen in de beide vertellingen rond hetzelfde centrale thema: de hoofse liefde. Ze sluiten daarmee aan bij het Franse origineel. Liefhebben is er tot kunst verheven. De hoofse man weet hoe lief te hebben, namelijk met beschaving, beleefdheid, aandacht en respect voor vrouwen. Fysieke schoonheid en morele kwaliteiten, waaronder vrijgevigheid en moed, maakten er eveneens deel van uit. De hoofse liefde had ook een keerzijde, namelijk die van ‘fin’amor’. Die uitte zich in smartelijk lijden omwille van de liefde. Liefdesverdriet dus, compleet met bewustzijnsverlies en zelfmoordpogingen. We vinden ze terug in zowel het Nederlandse als het Noorse Floris-verhaal. Explicieter dan in de originele Franse versie wordt hoofsheid in het Noorse verhaal in verband gebracht met het christen-zijn en een opgeruimdheid van geest. Beeldspraak en symboliek zijn daarentegen in de Oud-Noorse versie minder sterk aanwezig. Ook het pathetische einde van het Franse en Nederlandse verhaal krijgt bij de Noren een andere wending. Hier moet Flóres zich in een tweegevecht toch nog van zijn ridderlijke kant laten zien.

f en b in bed ontdekt door emir

Floris en Blancefloer worden in bed ontdekt door de emir, die zelf een oogje heeft op het meisje. (Handschrift Heidelberg Universitätsbibliothek)

Oriëntaalse en andere invloeden

Niet alleen de hoofse liefde veroverde dankzij Floris en Blancefloer het noorden. Het verhaal is ook doorspekt met verwijzingen naar het Verre Oosten. Het mysterieuze Oosten oefende grote aantrekkingskracht uit op de middeleeuwse Europeanen. De exotische flora en fauna, de bijzondere uitvindingen die er werden gedaan, producten als papier, buskruit en het schaakspel die er vandaan kwamen, en de rijkdom die men aan het Oosten toedichtte, spraken enorm tot de verbeelding. Ook in het Floris-verhaal spelen deze elementen een rol. Bijvoorbeeld in ingenieuze mechanische installaties, zoals het graf van Blancefloer en de haremtoren in Babylon, en in het literaire motief van de harem met vrouwen als slavinnen. Het Oosten had ook een angstaanjagende keerzijde en die wordt in het Floris-verhaal zichtbaar in de wreedheid van de emir en de bewakers.

Behalve door oosterse verhalen is Floris en Blancefloer ook beïnvloed door Oudgriekse romans, die na het eind van de elfde eeuw opnieuw op belangstelling konden rekenen. Elementen uit deze romans komen in de vertelling terug, zoals de fysieke schoonheid van de hoofdpersonen, de verliefdheid, het op ongelukkige wijze van elkaar gescheiden zijn, de gevaarlijke avonturen en de wederzijdse trouw die eerst op de proef wordt gesteld maar daarna wordt beloond met een lang en gelukkig leven samen.

Stig_Blomberg_Flores_och_Blanzeflor_01_1

‘Flores och Blanzeflor’, beeldhouwwerk in brons van Stig Blomberg in Stockholm.

Focus op Frankrijk

Het is frappant dat Nederland en Noorwegen de vroege belangstelling voor het Floris en Blancefloer-verhaal delen. In beide landen is dat terug te voeren op de hofcultuur. In de Lage Landen richtte het grafelijk hof, waar Diederic van Assenede als belastingontvanger aan verbonden was, zich op het Franse hof. Evenzo gebeurde dat aan het koninklijk hof in Noorwegen. Hier was het mogelijk koning Haakon IV Haakonsson (1204-1263) zelf die het initiatief nam voor de vertaling. Zijn hof oriënteerde zich in ieder geval sterk op Frankrijk. Daarmee luidde Haakon de Gouden Eeuw van het middeleeuwse Noorwegen in. Die duurde van begin dertiende tot begin veertiende eeuw. Haakon wilde de Noorse literatuur naar een internationaal niveau tillen en liet daarom buitenlandse werken, waaronder Karel- en Arthurverhalen, vertalen in de volkstaal, het Oud-Noors. Met zijn oriëntatie op Frankrijk legitimeerde Haakon binnen de internationale politieke verhoudingen het bestaansrecht van zijn koninkrijk. In eigen land gaven de ‘riddarasögur’ uiting aan een nieuwe ridderlijke en christelijke moraal, waaraan het Noorse hof zich kon spiegelen. Noorwegen – en in het verlengde daarvan IJsland – liep hiermee in Scandinavië voorop. Rond 1312, dus zo’n zestig jaar later, werd de vertelling van Floris en Blancefloer vanuit het Noors overgezet in het Zweeds en vermoedelijk pas ruim een eeuw later kwam vanuit het Zweeds een Deense vertaling tot stand. Toen hadden Floris en Blancefloer zowel Noorwegen als de Lage Landen allang veroverd.

Bronnen:
Alina Dominte Antonsen, Lost in translation? An examination of the concept of courtoisie in the Old French Le Conte de Floire et Blancheflor and in the corresponding Old Norse Flóres saga ok Blankiflúr, master thesis in Nordic Viking and Medieval Studies Centre for Viking and Medieval Studies Department of Archaeology, Conservation and Historical Studies Faculty of Humanities, mei 2006.
Jozef Janssens e.a., Floris ende Blancefloer van Diederic van Assenede. Liefde in het Vlaanderen van de 13e eeuw, Leuven 2015.

De getekende illustraties zijn afkomstig uit een Duits handschrift, Cod. Pal. germ. 362 uit de Universitätsbibliothek Heidelberg, dat de Duitse schrijver Konrad Fleck gebruikte voor zijn bewerking van de Floris-tekst. Vindbaar via deze link.