Noorse kerkkunst uit de middeleeuwen

Middeleeuwse kerkkunst is in Noorwegen relatief veel bewaard gebleven. Terwijl in Nederland en de ons omringende landen de interieurs van middeleeuwse kerken zo goed als verdwenen zijn, prijken in Noorse kerken en musea nog schitterende altaarstukken, crucifixen, Mariabeelden, reliekschrijnen, liturgisch vaatwerk en andere objecten die bij de misviering werden gebruikt.

Een gedeelde cultuur

De twaalfde en dertiende eeuw was in Europa een bloeiperiode voor de Kerk. In de kerkelijke organisatie, leer en liturgie kwam meer eenheid. Overal werd dezelfde Latijnse mis gelezen, werden dezelfde liederen gezongen en was het liturgisch jaar op dezelfde wijze opgebouwd. En aangezien de taal- en beeldcultuur van de Kerk de pijlers waren onder het culturele leven in die tijd, kreeg dat door heel Europa overeenkomstige trekken. Alleen in de verering van bepaalde heiligen waren streekeigen elementen herkenbaar.

Ook religieuze kunst en gebouwen vertoonden in West-Europa grote overeenkomsten. De kerkelijke kunst uit artistieke centra in Frankrijk en Italië vond overal navolging. Via de bestaande handelsroutes brachten niet alleen kooplieden maar ook pelgrims, geestelijken en ambachtslieden nieuwe ideeën en technieken mee. Beeldtaal en modellen werden zo door heel West-Europa verspreid.

Hove_Church_03, Armin Kübelbeck, cc by-sa 3.0

Kerk in Hove aan het Sognefjord. (Foto Armin Kübelbeck, cc by-sa 3.0)

Vanaf de vroege elfde eeuw werden in Europa kerken gebouwd in romaanse stijl met massieve muren en ronde bogen. Vanaf de late twaalfde eeuw verspreidde zich vanuit Parijs en omstreken de gotische architectuur en verrezen in alle uithoeken van Europa kerken die de hoogte ingingen, met spitsbogen en vensters met fijngevormde traceringen. Wat voor de buitenkant gold, gold niet minder voor de kerkinterieurs. Ook daar vond eenzelfde vorm- en beeldtaal ingang. Muren en gewelven van de gebouwen waren veelal kleurrijk beschilderd met afbeeldingen van Christus, Maria, heiligen en engelen.

Noorwegen, in het bijzonder de havenstad Bergen, had nauwe handelscontacten met landen rond de Noordzee. Noorse ambachtslieden werden sterk beïnvloed door ambachtslieden uit Engeland en Frankrijk. Bergen, Oslo en bisschopsstad Trondheim golden als de economische en kunstzinnige centra van Noorwegen in die tijd. Veel interieurstukken voor kerken werden daar vervaardigd. Sommige ambachtslieden hadden zulke duidelijke eigen stijlkenmerken dat zij later met een eigen naam werden aangeduid. Zo werd de Meester van Ulvik, die naar men vermoedt in Bergen woonde en werkte, genoemd naar het altaarfrontaal voor de staafkerk in Ulvik dat hij in het midden van de dertiende eeuw vervaardigde.

2. Detail Altaarfrontaal Trondheim Noordwegen, ca. 1300. Nidaros Catedral Trondheim

Altaarfrontaal met de legende van de heilige Olav, circa 1300, afkomstig uit de Nidaroskathedraal in Trondheim. Het paneel toont vier scènes uit het leven van Olav Haraldsson (ca. 995-1030), koning van Noorwegen. Linksonder: de koning te paard op weg naar de strijd, linksboven: droom van de koning in de nacht voorafgaand aan de veldslag bij Stiklestad, rechtsonder: dood van de koning in de veldslag, rechtsboven: waarschijnlijk de verplaatsing van het lichaam ruim een jaar na zijn dood en zijn herbegrafenis in de kathedraal van Nidaros. (Collectie Museet Erkebispegården, Trondheim)

Op en rond het altaar

Het altaar, de heiligste plek in de kerk, was een blikvanger van de eerste orde. Het stond meestal los in de kerk en bestond uit een gemetselde sokkel waar een dekplaat op lag. De sokkel van het altaar was aan de voorkant bekleed met een antependium (een met doek overtrokken raamwerk) of met een frontaal in de vorm van een paneel met schilderingen of reliëfs. Beschilderde altaarfrontalen gelden als de vroegste voorbeelden van de West-Europese paneelschilderkunst maar zijn uit de bloeiperiode van het kerkelijk leven (1100-1350) nauwelijks overgeleverd. In heel West-Europa zijn er iets meer dan honderd bewaard gebleven en bijna een derde daarvan bevindt zich in Noorwegen. Alleen al uit de periode tussen ongeveer 1250 en 1350 telt Noorwegen 31 beschilderde altaarfrontalen. Daaronder de altaarfrontalen uit de kerken in Heddal, Skaun en Ulvik en het frontaal uit de Nidaroskathedraal in Trondheim dat in vier scènes de legende van de heilige Olav verbeeldt. De opbouw en beeldtaal van het Ulvik-frontaal vertonen veel verwantschap met het werk van een miniaturist die rond het midden van de dertiende eeuw in Salisbury werkzaam was.

In de loop van de dertiende eeuw begon het geschilde altaarfrontaal zijn theologische en liturgische betekenis te verliezen. Ervoor in de plaats kwam het altaarstuk of de retabel, dat op de altaartafel werd geplaatst.

Elk altaar was gewijd aan een heilige, die veelal in een houten beeld was vereeuwigd dat op de altaartafel werd geplaatst. Een zittende Maria met kind was een geliefde voorstelling. In heel Scandinavië zijn ongeveer tweehonderd beelden met die voorstelling bewaard, een aanzienlijk deel daarvan in Noorwegen.

Zittende Maria en kind uit Kyrkjebo (Noorwegen) detail, 1200-1300. Bergen, Universiteitsmuseum

Zittende Maria met kind uit de kerk van Kyrkjebø (Sogn og Fjordane), midden dertiende eeuw. (Collectie Universitetsmuseet i Bergen)

Vanaf de twaalfde eeuw werden heiligenbeelden op het altaar in een tabernakelschrijn gezet, waarin het beeld met beweegbare deuren deels of helemaal aan het zicht kon worden onttrokken. De deuren zijn versierd met schilderingen of houtsnijwerk. Ze stonden tijdens de kerkdienst meer of minder open naar gelang het moment in de liturgische kalender. Van de tabernakelschrijnen in Noorwegen zijn alleen onderdelen bewaard gebleven, zoals het luik van een tabernakelschrijn uit de kerk van Fåberg met de beeltenis van Petrus, de Mariabeelden met baldakijnen uit Hove – een van de kostbaarste dertiende-eeuwse sculpturen in Noorwegen – en uit Dal, beide met overduidelijk Engelse kenmerken, en het Olavbeeld uit de kerk in Røldal, dat zich nu in Universitetsmuseet i Bergen bevindt.

Vleugel van een tabernakel, ca. 1250. Oslo, National Museum of Cultural History

Vleugel van een tabernakel met een afbeelding van Petrus als poortwachter, afkomstig uit de kerk van Fåberg, circa 1250. (Collectie Kulturhistorisk Museum Oslo)

Sommige Noorse schrijnen waren bekroond met een miniatuurmodel van een kerk. Daarvan bleven vijf exemplaren uit de dertiende eeuw zo goed als intact bewaard. Die in Hedalen is nog in de kerk zelf te vinden. In de staafkerk van Reinli zijn de vier deuren van de Mariaschrijn nog aanwezig; de miniatuurkerk die de schrijn bekroonde, verdween er – net als de schrijn overigens – na de reformatie en bevindt zich tegenwoordig in de collectie van het Kulturhistorisk Museum in Oslo.

Een overhuiving zorgde voor een ‘hemel’ boven het altaar. Een ciborium rustte op zuilen, een baldakijn was een afzonderlijk dak. Er zijn er in Noorwegen heel wat bewaard gebleven, vooral uit de houten staafkerken. Het enige ciborium dat nog in een Noorse kerk zelf te zien is, bevindt zich in de staafkerk van Hopperstad aan de Sognefjord.

Stave_church_Hopperstad, foto Micha L. Rieser

Ciborium met schilderingen in de staafkerk van Hopperstad. (Foto Micha L. Rieser)

Crucifixen

Hoog boven het altaar bevonden zich in de triomfboog tussen schip en koor grote beelden van de gekruisigde Christus, ‘triomfkruisen’ genoemd. Andere grote kruisbeelden stonden achter het altaar. Kleinere crucifixen waren er om meegedragen te worden tijdens processies of stonden op het altaar. Een van de oudste beschilderde houten sculpturen dat in Noorwegen bewaard bleef, is het corpus van een gekruisigde Christusfiguur uit het staafkerkje van Grinaker (afgebroken in 1867). Het beeld dateert uit de eerste helft of het midden van de twaalfde eeuw. Christus is afgebeeld als een koning en kijkt ons recht van voren aan. Die positie in combinatie met de lendendoek die aan de voorzijde in een driehoek omlaag hangt, komt overeen met meer vroegromaanse kruisbeelden uit Noorwegen (waaronder beelden uit Leikanger en Hauge, nu te zien in het Sogn Folkemuseum, en uit de kerk van Vinje). Vergelijkbare crucifixen zijn ook bekend uit Denemarken.

Oldsak-Armløs-Kristus-II, Grinaker, foto Erik Irgens Johnsen, fra Unimus, cc by-sa 4.0

Christus als gekruisigde koning, corpus behorend bij een crucifix uit de staafkerk van Grinaker, eerste helft of midden twaalfde eeuw. (Collectie Kulturhistorisk Museum Oslo, foto Erik Irgens Johnsen)

Reliekschrijnen

Resten van de heilige aan wie het altaar was gewijd werden soms bewaard in een rijk versierde reliekschrijn die in de sokkel van het altaar werd ingemetseld. Nadat tijdens de reformatie de verering van relieken werd afgeschaft, zijn veel van deze schrijnen verdwenen. In Noorwegen bleven er dertien geheel of voor een deel bewaard. Een ervan is de schrijn uit de Sint-Thomaskerk, een staafkerk aan de bergpas Filefjell op het traject van de Kongeveien, de belangrijke verbindingsweg dwars door Noorwegen. Het eikenhouten kistje is bekleed met verguld koperen plaatjes en decoraties van bruin email. Het heeft de vorm van een huis of een kerk en aan de uiteinden van het dak steken twee drakenkoppen uit. Deze schrijn zou gemaakt kunnen zijn naar het voorbeeld van de grote reliekschrijn van de heilige Olav in de Nidaroskathedraal in Trondheim, die zelf verdwenen is, maar waarvan beschrijvingen bewaard zijn gebleven. De kerk in Filefjell werd eind twaalfde eeuw gebouwd en raakte tijdens de pestepidemie in 1348-1350 buiten gebruik. In die staat bleef hij zo’n drie eeuwen, daarna werd hij weer voor de eredienst gebruikt. Na de sloop van de kerk in 1808 ging de schrijn naar het museum in Bergen.

Reliekschrijn uit Filefjell, Bergen, ca. 1230-1250. Bergen, Universiteitsmuseum

Reliekschrijn uit Filefjell, circa 1230-1250. (Collectie Universitetsmuseet i Bergen)

Misviering

De kleding die de priesters tijdens de misviering droegen, werd vanuit Rome voorgeschreven en vertoonde daardoor, net als de objecten in de kerkinterieurs, overal grote overeenkomsten. Over het onderkleed droegen de geestelijken een opperkleed zonder mouwen (kazuifel) en soms nog een wijde mantel (koorkap) die tot de voeten reikte. De kostbare zijden stoffen voor deze gewaden kwamen aanvankelijk veelal uit het Nabije Oosten, later ook uit Zuid-Europa. In de staafkerk van Røldal, aan de zuidzijde van de Hardangervidda, droeg de priester een kazuifel die vermoedelijk in Spanje was geweven (in de dertiende eeuw). De bloeiende handel in stoffen die vaak dezelfde oosterse patronen hadden, zorgde ervoor dat de motieven overal in de christelijke wereld ingang vonden.

Ook de waterkannen en schalen (aquamaniles) die bij de communie werden gebruikt voor het handenwassen van de priester hadden in heel Europa gelijke vormen en gedaantes. Vaak hadden ze de vorm van een dier dat kracht en gezag symboliseert, een leeuw bijvoorbeeld. Door een tuitje in de kop kon het water worden uitgegoten. Het overgrote deel van de aquamaniles is gemaakt van legeringen als brons of messing. De kannen in koperlegering uit Molde (eenhoorn) en Strinda (griffioen) zijn vermoedelijk vervaardigd in Noord-Duitsland, een volgende aanwijzing voor de levendige uitwisseling binnen Europa van religieuze kunst.

Aquamanile uit Strinda (Noorwegen), 1100-1200. Bergen, Universiteitsmuseum

Aquamanile in de vorm van een griffioen, koperlegering, afkomstig uit de kerk in Strinda, begin veertiende eeuw. (Collectie Universitetsmuseet i Bergen)

Kijkje in onze middeleeuwse kerken

Dat de middeleeuwse kerkkunst in Noorwegen al die eeuwen heeft overleefd is de fortuinlijke uitkomst van meerdere ontwikkelingen. Elders verdwenen ze niet alleen als gevolg van branden, oorlogen, natuurrampen of verkoop, maar ook door veranderingen in het kerkelijke en culturele leven. Zo leidden veranderingen in de liturgie tot het schrappen van onderdelen van kerkelijke interieurs en werden veel onderdelen tijdens de katholieke contrareformatie vervangen door objecten uit de barokkunst. In Nederland bleef uit de twaalfde en eerste helft van de dertiende eeuw bijvoorbeeld geen enkel altaarfrontaal bewaard.

Maar in Noorwegen bleef veel bij het oude. Als gevolg van een economische crisis in de veertiende eeuw was er geen geld om kerkinterieurs te vernieuwen. De pestepidemie van 1348 trof Noorwegen hard en na de inlijving bij Denemarken in 1380 verarmde het land in rap tempo, onder meer als gevolg van de hoge belastingdruk. Terwijl een eeuw later in delen van Europa de laatgotiek tot bloei kwam, getuigde er in de afgelegen Noorse dorpskerken weinig of niets van deze nieuwe stroming in de religieuze kunst.
In Noorwegen ontbrak in de zestiende eeuw bovendien een beeldenstorm, die in andere landen sporen van het middeleeuwse kerkleven uitwiste. De reformatie voltrok zich in Noorwegen sowieso veel gematigder dan in het midden van West-Europa. Noorwegen werd overwegend luthers en juist de lutheranen hielden vast aan tal van religieuze objecten uit de middeleeuwen. In de kerk van Skaun bijvoorbeeld, waar al zo’n vijfhonderd jaar de lutherse eredienst wordt gehouden, is nog altijd het dertiende-eeuwse altaarfrontaal met een afbeelding van Maria en kind aanwezig.

Altertavlen_i_Skaun_kirke, openbaar eigendom

Altaartafel in de kerk in Skaun met dertiende-eeuws frontaal.

Veilig

Begin negentiende eeuw ontstond in Noorwegen, in Bergen in het bijzonder, voor het eerst sinds de reformatie weer interesse voor de kerkelijke kunst uit de middeleeuwen. Men ging de kerken langs en verzamelde de restanten. In 1837 had het museum in Bergen de eerste negen altaarfrontalen veiliggesteld. Er volgde steeds meer onderzoek naar deze uniek groep vroege paneelschilderingen. Ook talloze andere middeleeuwse kunstobjecten werden in museale collecties opgenomen. Andere bleven in situ in dorpskerken bewaard. Ze geven een fascinerend beeld van een Europese cultuur die in Nederland compleet is uitgewist.

In de tentoonstelling North & South, die van 25 oktober 2019 tot en met 26 januari 2020 in Museum Catharijneconvent in Utrecht te zien was, werden Europese topstukken uit de middeleeuwse kerkkunst tussen 1100 en 1350 herenigd. Dit verhaal is ontleend aan de handleiding bij de tentoonstelling en het boek dat bij de tentoonstelling verscheen: Maartje de Jong, Justin Kroesen, Micha Leeflang en Marc Sureda i Jubany (red.), North & South; middeleeuwse kunst uit Noorwegen en Catalonië, 1100-1350, Utrecht/Vic/Zwolle 2019.

Museum Catharijneconvent heeft meerdere filmpjes bij hun tentoonstelling North & South op zijn vimeokanaal gezet. Je kunt er een korte indruk krijgen van de tentoonstelling en de introductiefilm terugkijken die tijdens de tentoonstelling op zaal te zien was. Interessant voor liefhebbers van Noors erfgoed is voorts de verdiepingsfilm bij het Olav-frontaal uit Trondheim.
Het Universiteitsmuseum in Bergen (Universitetsmuseet i Bergen) heeft een grote verzameling kerkkunst uit de middeleeuwen. De collectie is online te bekijken (trefwoorden in het Noors).

Zeg het met tulpen in Noorwegen

Tulpen zijn vandaag de dag de meest populaire snijbloem in Noorwegen. Eind zestiende eeuw pronkte de bloem al in Noorse tuinen, tientallen jaren vóórdat hij in de rest van Scandinavië zijn intrede zou doen. Hoe de tulp in Noorwegen terechtkwam? Vanuit het tulpenland bij uitstek natuurlijk: Nederland.

In Nederland was de tulp overigens ook geen inheemse bloem. Hij was hier in de zestiende eeuw vanuit het huidige Turkije terechtgekomen. De belangstelling voor deze exotische plant kwam in de eerste plaats vanuit de geneeskunde, maar vanaf het begin van de zeventiende eeuw werd de bloem ook gewaardeerd om zijn schoonheid als tuinplant en snijbloem. Tulpen pronkten in gloednieuwe tulpenvazen van Delfts blauw en verschenen in geschilderde bloemstillevens, op tegels en serviesgoed. De bloem werd in Nederland zo populair dat in de jaren 1630 een ware ‘tulpenmanie’ ontstond. Tulpenbollen werden handelswaar en statussymbool ineen. Voor één tulpenbol werden duizenden guldens neergeteld, een bedrag waarmee je toen ook een huis aan een van de Amsterdamse grachten kon kopen.

RP-T-1950-266-12-1_1

Tekenaars tekenden de vele soorten tulpen na en bundelden die in ‘tulpenalbums’ – een soort plantenencyclopedie avant la lettre. Twee tulpen met waterjuffer en sprinkhaan, Jacob Marrel, 1637. Tekening op perkament. Collectie Rijksmuseum.

 

Arts in Bergen

Zo ver had de gekte nog niet toegeslagen toen Henrik Høyer in 1596 vanuit het Noorse Bergen naar Leiden reisde. Høyer had zich enkele jaren eerder in de Noorse havenstad gevestigd. Zijn wieg stond in Stralsund, een Duitse stad aan de Oostzee, waar hij omstreeks 1565 werd geboren. Hij ging in 1587 medicijnen studeren aan de universiteit in Rostock. Nadat hij met goed gevolg zijn examen had afgelegd, verhuisde hij in 1593 naar Bergen, waar hij introk bij koopman Nicolaus de Freund, een Nederlander van geboorte. Vanuit diens huis begon Høyer zijn praktijk als geneesheer.

Høyer was bevriend met de Lutherse bisschop van Bergen, Anders Foss (1543-1607), een ontwikkeld man met een enorme boekenverzameling en een grote belangstelling voor geschiedenis. Ook Høyer, die met de jongste dochter van de bisschop zou trouwen, was geïnteresseerd in de Noorse historie en deed daar onderzoek naar in oude manuscripten.
In Bergen liepen in die tijd de spanningen hoog op. De geestelijkheid, met bisschop Foss als boegbeeld, stond recht tegenover de stedelijke burgerij en stadsraad, die zich vertegenwoordigd zagen in Peder Thott, de bewindvoerder over de vesting Bergenhus. De twee partijen bevochten elkaars juridische bevoegdheden en misgunden elkaar economische voordelen. De controverse liep hoog op. Thott had in 1590 de echtgenote van bisschop Foss zelfs beschuldigd van hekserij; ze zou pas in 1598 worden vrijgesproken.

Na zijn aankomst in Bergen werd ook Høyer slachtoffer van Thotts geldingsdrang. Deze verbood de enige apotheker in de stad om aan patiënten van Høyer medicijnen te verkopen. Høyer werd het zo erg moeilijk gemaakt om zijn werk te doen. Rechter Poul Helliesen nam het voor hem op en bepleitte zijn zaak tot voor de koning in Kopenhagen, en met succes. In 1594 kreeg Høyer officieel toestemming om in Bergen als geneesheer te praktizeren. En koopman De Freund mocht medicijnen uit het buitenland invoeren, die op recept van Høyer aan de inwoners van Bergen werden verkocht. De Freund zou tot zijn dood in 1618 – hij stierf aan de pest – als apotheker werkzaam blijven.

Plantgoed uit Leiden

In het voorjaar van 1596 reisde Høyer, in gezelschap van bisschop Foss en diens vrouw en dochter, naar Leiden. Hier ontmoette hij Carolus Clusius, die daar enkele jaren eerder hoogleraar was geworden. Clusius had op zijn reizen door Europa planten verzameld en beschreef, kweekte en bestudeerde die. Eerder werkte hij aan het keizerlijk hof in Wenen en in die jaren had hij tijdens diplomatieke missies naar de sultan van Turkije in Constantinopel kennis gemaakt met zeldzame bloembollen uit het Midden Oosten. Naast bollen van hyacinten, narcissen, blauwe druifjes en lelies was Clusius in het bezit gekomen van tulpenbollen. Eenmaal aangesteld aan de Leidse universiteit legde hij in de Hollandse stad een hortus botanicus aan. Die bevatte niet alleen een verzameling medicinale kruiden, maar was ook een botanische tuin met zeldzame planten uit alle delen van Europa en de Levant en zelfs van elders uit de wereld.

RP-P-BI-5113X_1

Portret van Carolus Clusius, door Cornelis Galle (I), gravure, 1669, naar een laat 16de-eeuws portret door Jean Jacques Boissard. Collectie Rijksmuseum.

Clusius schonk aan vrienden door heel Europa zaden, stekjes en bollen van zeldzame, niet-Europese planten. Zij kweekten die in hun eigen tuinen op, iets waarvoor de geleerde de nodige aanwijzingen verschafte. Ook Høyer verliet Leiden niet zonder het nodige plantgoed. Onder de knollen en bloembollen bevonden zich bollen van tulpen. Clusius was benieuwd of ze het goed zouden doen in het barse noordelijke klimaat.

De eerste bloembollen

Terug in Bergen plantte Høyer de bollen uit. Ze kregen een plekje in de tuin van de Svaneapotek van De Freund, waar deze zijn medicinale planten kweekte. Hoogstwaarschijnlijk lag de apotheek, die doorgaat voor de oudste van Noorwegen, toen al aan de Strandgaten, waar hij ook later gevestigd was. De Strandgaten was in die tijd een moderne, brede straat en de belangrijkste van de Hanzestad. De apothekerstuin lag tevens in de nabijheid van het Lungegårdsvann, een water dat aansloot op het Puddefjord, de zeearm waarin zich nu onder meer de Hurtigruten-terminal bevindt. Een overblijfsel van het Lungegårdsvann is het Lille Lungegårdsvann, de achthoekige vijver met fontein die in het stadspark ligt. Aan de zuidzijde ervan liggen de kunstmusea KODE en aan het eind staat de muziekkiosk.

Svaneapoteket_i_Bergen, foto Nina Aldin Thune

Het pand van de Svaneapotek aan de Strandgaten in Bergen. (Foto Nina Aldin Thune, CC BY-SA 3.0)

Mogelijk heeft Høyer ook nog bloembollen geplant in twee andere tuinen. Een daarvan zou de tuin van de bisschop zijn geweest. Die tuin was al aangelegd door de eerste Lutherse bisschop van Noorwegen, Gjeble Pederssøn (circa 1490-1556/57), die wordt gezien als de eerste botanicus van Noorwegen.

Drie jaar nadat in de Leidse hortus de eerste tulpen tot bloei waren gekomen, bloeiden ook in Noorwegen de eerste tulpen. Vermoedelijk verschenen, na een strenge winter, op 14 of 15 februari 1597 de eerste bloemen. De tulpen waren er in verschillende kleuren rood. Ook bloeide er één gele en één witte tulp. Tussen de tulpen stak in maart ook één keizerskroon de kop op. De krokussen lieten het afweten, ondanks het feit dat het in maart en april niet meer bijzonder koud was geweest. Begin april piepten er van de krokussen alleen een paar blaadjes boven de grond. De hyacinten kwamen wel in bloei, evenals een anemoon. Ook een Turkse lelie gaf bloemen.

Dat jaar viel er halverwege augustus veel regen. Høyer groef de bollen op om te voorkomen dat ze zouden rotten. Hij plantte ze opnieuw in grond die zanderiger was, maar veel succes had dit niet. Alleen de keizerskroon gaf nieuwe bollen. Geen enkele van de tulpen deed dat en ook de andere planten vermenigvuldigden zich niet.

tulpen in bergen, 2009, foto blue-quartz, cc by sa 2.0

Tulpen in Bergen in 2009. (Foto Blue Quartz, CC BY-SA 2.0)

Uitwisseling: bloembol en rendierkaas

Høyer ontving in augustus en september twee nieuwe ladingen bollen en zaden. Hij plantte alles conform de instructies die Clusius in zijn brieven gaf en schreef terug dat hij zich al verheugde op het voorjaar, wanneer de bollen tot bloei zouden komen. Mogelijk was Høyer aanvankelijk nog geïnteresseerd in de geneeskrachtige werking van de planten, maar hij koesterde ook belangstelling voor de botanie en gaandeweg ging zijn fascinatie voor horticultuur overheersen.

Høyer hield Clusius in brieven op de hoogte van het wel en wee van het pootgoed. In 1603 kampte hij, net als Clusius in Leiden overigens, met diefstal van bloembollen, waardoor onder meer tulpen, keizerskronen en anemonen verloren gingen. Høyer was woedend dat zijn “lievelingen” hem waren afgenomen. Ze zijn hem, zo schreef hij Clusius, dierbaarder dan goud en hij wenste de dief eeuwig lijden toe.

De correspondentie tussen Clusius en Høyer handelde niet alleen over bloembollen. Al vóór zijn reis naar Leiden had Høyer met Clusius gecorrespondeerd over onder andere moltebær (Rubus chamaemorus), de kruipbraam of gele bosbraam die in Noorwegen nog steeds als een delicatesse geldt. Uit de briefwisseling valt ook op te maken dat het de bedoeling was dat Høyer voor Clusius onderzoek zou doen naar inheemse planten in Noorwegen. Høyers drukke artsenpraktijk belette hem echter om de bergen in te trekken. Het doorkruisen van het Noorse berglandschap was volgens hem sowieso een “herculische taak”. Later informeerde Høyer Clusius over de “zee-struik” (Erica marina) en de vogels op de Faeröer, Shetland en Orkney eilanden. Høyer was lyrisch over de zee en vooral over zeewieren. “De zee produceert zoveel wonders,” schreef hij Clusius.

Høyer beval bij Clusius ook een Noorse student aan die naar Leiden reisde om aan de universiteit te gaan studeren. De jongeman stamde uit een vooraanstaande familie in het noorden van Noorwegen en via zijn verwanten zou hij Clusius allerlei informatie kunnen verstrekken over de volkeren daar. Høyer gaf de student enkele geschenken voor zijn Leidse vriend mee: twee rendierhuiden, een paar bontlaarzen (mogelijk Sámi laarzen van rendierbont) en een aantal ‘valse robijnen’, vermoedelijk gesteente dat voorkwam in de omgeving van Trondheim. Ook gingen er enkele gedroogde, in papier gevouwen planten voor Clusius mee en bladen uit een herbarium. In zijn begeleidende brief verontschuldigde Høyer zich voor deze geschenken, iets beters had hij niet kunnen vinden.

Clusius was niet de enige in Nederland met wie Høyer contact onderhield. Hij correspondeerde ook met de Leidse anatomicus Pieter Paaw (Pavius), van wie hij enkele tuinplanten ontving. Paaw kende hij mogelijk nog uit Rostock, waar deze in 1587, het jaar waarin Høyer daar ging studeren, tot doctor in de medicijnen promoveerde. Hij hield zich er vooral met ontleedkundig onderzoek bezig. Paaw moet in Rostock ook les hebben gegeven. In 1589 werd hij in Leiden aangesteld. Hoewel zijn verdiensten vooral in de anatomie liggen, was Paaw al in zijn studietijd ook geïnteresseerd in botanie. Sinds 1598 was hij belast met het toezicht op de Leidse hortus botanicus en hij schreef de eerste catalogus van de kruidentuin (in 1601 of 1603). In 1604 stuurde Høyer verschillende naturalia aan Paaw, waaronder rendierkaas en een zeevogel, verwant aan de jan-van-gent.

Høyer liet na zijn dood, in 1615 of 1616, een aanzienlijke verzameling documenten en geschriften na. Op last van de koning werd deze verzameling Noorse ‘antiquiteiten’ naar Kopenhagen gezonden, waar ze werd opgenomen in de collectie van de universiteitsbibliotheek. Daar verbrandden de documenten bij de grote stadsbrand van 1728. Ook Clusius’ brieven aan Høyer gingen daarbij verloren. Høyers brieven aan Clusius – zeven in totaal – zijn wel bewaard gebleven.

tulpen in oslo, 2014, foto Ana Gutiérrez, cc by nd 2.0

Tulpen in Oslo, 2014. (Foto Ana Gutiérrez, CC BY-ND 2.0)

Ballast

Klimaat noch bodem in Bergen zijn eigenlijk geschikt voor tulpen, maar ze houden hier toch al meer dan vierhonderd jaar stand. De tulp werd vermeld in het eerste Noorse tuinboek, Horticultura, dat werd geschreven door Christian Gartner en in 1694 verscheen. Blijkens het boek bestonden er toen al enkele honderden kleuren tulpen. Gartner gaf ook aanwijzingen wanneer en hoe de tulpenbollen geplant moesten worden: in oktober of november bij volle maan, voordat de grond bevroor, een handbreedte diep en op enige afstand van elkaar.

In de zeventiende en achttiende eeuw, toen Nederland en Noorwegen volop handel met elkaar dreven en er een druk scheepvaartverkeer tussen beide landen bestond, deed nog een andere tulpensoort vanuit Nederland zijn intrede. Schepen die naar havens aan de Noorse zuidkust voeren, hadden als ballast grond aan boord die in die havens (of vlak voor de kust in zee) werd gelost. In die aarde konden zich bollen van de bostulp (Tulipa sylvestris) bevinden, de enige tulpensoort die in Nederland in het wild voorkwam. Op die manier heeft de bostulp zich in het zuiden van Noorwegen verspreid. Arendal, een havenstad aan de Noorse zuidkust, heeft de bostulp (in het Noors villtulipan genoemd) in 1994 als bloem voor de gemeente gekozen.

Tulipa_sylvestris, cc by 2.5, foto Bernd Haynold

Bostulp. (Foto Bernd Haynold, CC BY 2.5)

Van de Scandinavische landen maakte Noorwegen als eerste kennis met de tulp. Denemarken en Zweden zouden pas rond 1630 voor deze bloem vallen. Tegenwoordig ontspruiten er in Noorwegen ieder jaar zo’n tachtig miljoen tulpen. De meeste tulpen die nu in dit land worden verkocht zijn daar ook geteeld. En op Tulipanens Dag, de derde vrijdag in januari, vieren de Noren hun veruit populairste snijbloem. Een Nederlandse twist heeft die nog altijd. De leus van de gezamenlijke tulpproducenten in Noorwegen klinkt menig Nederlander ongetwijfeld bekend in de oren: ‘Si det med tulipaner’ (Zeg het met tulpen).

Bronnen:
Baumann, Paaw, Pieter, lemma in Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, 1051-1052. 
Anders Bjarne Fossen, Henrik Høyer, in: Norsk Biografisk Leksikon. 
Anders Bjarne Fossen, Nicolaus de Freund, in: Norsk Biografisk Leksikon.
Anders Bjarne Fossen, Anders Foss, in: Norsk Biografisk Leksikon.
Kjell Lundquist, Lilies to Norway and cloudberry jam to the Netherlands; on the relationship, correspondence and exchange of naturalia between Carolus Clusius and Henrik Høyer, in: Florike Egmond, Paul Hoftijzer en Robert P.W. Visser, Carolus Clusius; towards a cultural history of a Renaissance naturalist, Amsterdam 2007, 145-169.
Kasper van Ommen, The Exotic World of Carolus Clusius (1526-1609); catalogue of an exhibition on the quatercentenary of Clusius’ death, Leiden 2009.
Anna Pavord, The tulip; the story of a flower that has made men mad, London 1999.
Svaneapoteket i Bergen, op Wikipedia.
www.tulipantips.no, website van de gezamenlijke Noorse tulpenproducenten. 
Tulipaner – hoffblomst, tulipanmani og ballastplante, op website www.skogoglandskap.no.
Tusenvis av tulipaner på Milde, op website van de Universiteit in Bergen, www.uib.no.

De briefwisseling (in het Latijn) tussen Høyer en Clusius is gepubliceerd op de website van het Huygens Instituut.

De verdwenen onderzeeër

Ze namen op de kade in Vlissingen afscheid van hun familie. Cornelis Broodman en Adriaan Duine, beide sergeant-machinist, korporaal-machinist Marcus Bronke, bootsman Hendrik de Groot en 23 anderen moesten na de Duitse inval in Nederland halsoverkop met een nog niet voltooide onderzeeër uitwijken naar Groot-Brittannië. Niet wetend wanneer en in welke omstandigheden zij hun geliefden weer terug zouden zien, voeren zij in de avond van 10 mei 1940 de haven van Vlissingen uit. Op een Schotse marinewerf werd hun schip afgebouwd, waarna het onder Brits bevel werd ingezet voor patrouilles, onder meer in de Noorse kustwateren. Daar sloeg het noodlot toe.

2158_015493-nimh_1

De O-22 op 5 november 1940, gefotografeerd vlak voor zijn laatste afvaart. (Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie)

Streep door de rekening

Op de marinewerf De Schelde in Vlissingen was in 1937 de bouw gestart van twee onderzeeërs. De order kwam van de Koninklijke Marine en maakte deel uit van een vlootplan van de minister van Defensie L.N. Deckers, die de marine wilde moderniseren. Achttien onderzeeërs moesten er komen, uitgerust met de nieuwste technische snufjes. In een speciaal ingesteld Defensiefonds was voor deze operatie extra geld uitgetrokken. Op 22 november 1937 werd in Vlissingen de kiel gelegd voor twee onderzeeboten. De K-XXI en K-XXII waren bedoeld voor de verdediging van Nederlands Oost-Indië. Toen in 1938 het ministerie van Koloniën niet langer meebetaalde aan de marine, werd besloten de schepen met het oog op de politieke situatie in Europa een nieuwe bestemming te geven. De namen van de twee Vlissingse onderzeeërs werden gewijzigd in O-21 en O-22.

De Hr. Ms. O-22 werd op 20 januari 1940 te water gelaten en maakte op 8 april van dat jaar zijn eerste proefvaart. Het schip was bijna 78 meter lang en had een diepgang van bijna 4 meter. Boven water kon het zich verplaatsen met een snelheid van 19,5 knopen en onder water met 9 knopen. Op de rede van Den Helder deed de O-22 tussen 25 april en 8 mei lanceer-schietproeven. Daarna keerde hij terug naar Vlissingen om op de Scheldewerf te worden afgebouwd. Het schip arriveerde op 9 mei 1940 in de buitenhaven. Op dat moment bevroedde nog niemand dat het Duitse leger enkele uren later Nederland zou binnenvallen.

In de vroege ochtend van 10 mei lieten Duitse jachtbommenwerpers bommen vallen op militaire doelen bij Vlissingen. De O-22 stelde zich onmiddellijk in veiligheid door zich vanuit de haven naar de rede van Vlissingen te verplaatsen, waar het tijdens de luchtaanvallen onder water kon duiken. Aan het eind van de middag kwam het bevel om het schip voortijdig in dienst te stellen en naar Engeland te vertrekken. Ook het zusterschip Hr. Ms. O-21 ontving deze order. Commandant van de O-22 werd LTZI A.M. Valkenburg. Het schip voer nog eenmaal de haven van Vlissingen in om de bemanningsleden gelegenheid te geven afscheid te nemen van hun familie. Om 20.30 uur kwam het de haven weer uit. Onder bewaking van de sleepboot Oostzee (Hr. Ms. BV 37) voeren de nog onbewapende O-22 en O-21 naar Portsmouth in Groot-Brittannië. Aan boord waren ook alle plannen en tekeningen van De Schelde, die inderhaast in kisten waren gepakt en naar de onderzeeërs waren overgebracht. Genavigeerd werd aan de hand van een zeekaart die een Groningse kustvaarder had meegegeven en een in allerijl getekend kladje waarop onder meer lichtboeien en ondiepten waren aangegeven.

In de haven van Portsmouth, waar de schepen op 12 mei arriveerden, voegden zich nog vijf Nederlandse onderzeeërs bij hen. Operationeel was de O-22 nog allerminst. Het schip moest eerst op de marinewerf in het Schotse Rosyth worden afgebouwd en de bemanning moest op sterkte worden gebracht. De kernbemanning van 27 koppen, waarmee men uit Vlissingen was vertrokken, werd aangevuld tot 40 à 45 mannen. Op 3 juni maakte de onderzeeër zijn eerste duikproeven. Als laatste volgde de bewapening met torpedo’s en munitie. Eind juli was de O-22 dan eindelijk gereed. Inmiddels had J.W. Ort (geboren in 1902 te Batavia) het commando over het oorlogsschip gekregen. Omdat ze in de havens van Portsmouth en Portland niet veilig bleken voor Duitse luchtaanvallen waren de Nederlandse onderzeeërs verplaatst naar Dundee in Schotland. Hier vestigde de Britse Admiraliteit het 9th Submarine Flottilla, waarvan niet alleen de Nederlandse maar ook Franse, Poolse en Noorse onderzeeboten deel uitmaakten.

Patrouilles in oorlogsgebied

Op 30 juli vertrok de O-22 voor zijn eerste oorlogspatrouille. Tijdens deze patrouille op de Noordzee werd driemaal een U-boot opgespoord. Omdat het vijandelijke doel zich de eerste twee keer op grote afstand bevond, vuurde de O-22 niet. De derde U-boot werd wel onder vuur genomen, maar de twee torpedo’s misten doel. In de maanden daarna volgden nieuwe patrouilles. Omdat er toen geen vijandelijke doelen in beeld kwamen, kwam de O-22 op deze patrouilles niet in actie.

Drie van deze patrouilles speelden zich af voor de Noorse kust. Noorwegen was op dat moment bezet door de Duitsers. Een Duitse legermacht had op 9 april 1940 operatie Weserübung uitgevoerd, een aanval op vijf Noorse steden. Met steun van de Britten, Fransen en Polen had het Noorse leger twee maanden standgehouden, maar op 7 juni had het land alsnog moeten capituleren. Als gevolg van de Duitse bezetting van Noorwegen waren de oorlogsactiviteiten in het Skagerrak en voor de Noorse kust toegenomen. Met onderzeeboten trachtten de Britten de overzeese aanvoerlijnen van de Duitsers schade toe te brengen.

De omstandigheden in de noordelijke zeeën stelden hoge eisen aan de bemanning van de Nederlandse onderzeeërs. Het weer was verraderlijk en door de vele ondiepten en stromingen was het moeilijk navigeren. Een belangrijk punt van aandacht was de stroomvoorziening. Alleen in het donker konden de onderzeeboten naar de oppervlakte om de batterij op te laden, aangezien Duitse vliegtuigen hen dan niet konden waarnemen. Omdat de zomernachten in het noorden maar kort zijn, was er telkens weinig tijd om de stroomvoorziening op peil te brengen. Het leven aan boord vergde fysiek en mentaal het uiterste van de bemanningsleden. Het overgrote deel (zo’n 20 tot 21 uur) van de dag verkeerde de onderzeeër onder water. De meer dan veertig bemanningsleden leefden en werkten al die tijd in een bedompte ruimte, waar de lucht nauwelijks te harden was, en de overdruk tegen de avond tot hoge waarden was opgelopen. Om batterijcapaciteit te sparen kon alleen ’s nachts – als het schip aan het wateroppervlak lag – gekookt worden. Dat betekende dat de warme maaltijd middenin de nacht genuttigd moest worden. Daglicht zagen de mannen tijdens hun patrouilles nooit. “Met bleke gezichten en rode ogen kwamen we dan ook te Dundee binnen”, tekende commandant Ort aan nadat het schip was teruggekeerd van de eerste patrouille. Ook kampte de onderzeeër meerdere malen met zware stormen. Wanneer het schip dan ’s nachts enkele uren boven water lag, kolkte het water over het dek en de brug. Ook was het dan moeilijk om de koers te bepalen, aangezien bewolking de nachtelijke sterrenhemel bedekte. Voeg daarbij nog de “intense spanning” die de bemanning onafgebroken ervoer. Zouden er Duitse schepen in het vizier komen? Of omgekeerd, zou de O-22 niet zelf door vijandelijk vuur getroffen worden of op een mijn varen?

Wanneer het schip weer in de haven van Dundee was teruggekeerd, had de bemanning tien tot vijftien dagen de tijd om te herstellen en kon aan de boot noodzakelijk onderhoud worden gepleegd. Een enorme opsteker voor de marinemensen was de komst van prins Bernhard op 24 september 1940, die alle boten met een bezoek vereerde. Echter, ook tijdens deze relatief ontspannen periodes verkeerden de bemanningsleden permanent in onzekerheid over het lot van hun familieleden in het bezette Nederland.

Laatste vaart

Op 5 november 1940 voer de O-22 voor zijn vijfde patrouille de haven van Dundee uit. De oudste officier van de Hr. Ms. O-24, P.J.S. de Jong, beschreef later het vertrek: “Wij hadden de gewoonte afscheid te nemen op de kade van boten, die op patrouille gingen. Nog zie ik ze wuiven en wegvaren op die 5de november ’s morgens vroeg.” Aan boord waren 43 Nederlandse bemanningsleden en drie Britten. Bestemming was de Skudenesfjord, de brede monding van de Boknafjord tussen het eiland Karmøy en de stad Stavanger. Daarna volgden vanuit Engeland bevelen om het patrouillegebied te verplaatsen. Het laatste bevel betrof de opdracht om naar een plek te varen op 18 mijlen uit de kust van Lindesnes, het zuidelijkste puntje van Noorwegen, en daar voor Lister de Duitse kustvaart aan te vallen. Op 18 november volgde de opdracht om de volgende dag de terugtocht naar Dundee te aanvaarden. Het schip moest zich telegrafisch melden als het ten westen van de meridiaan van 03°00′ O was gekomen. Die melding zou echter nooit komen.

lindesnes_1

Lindesnes, de zuidkaap van Noorwegen, was de laatste bestemming van de O-22. (Foto auteur).

Nadat het schip niet terugkeerde in de haven van Dundee werd het op 22 november 1940 als ‘lost on patrol’ beschouwd. Aangenomen werd dat het ten onder was gegaan en dat de 46 bemanningsleden waren omgekomen. De overlijdensaktes werden in 1948 opgemaakt. De datum van overlijden werd gesteld op 19 november 1940 en als plaats van overlijden werd Lindesnes bij het Skagerrak aangehouden.

Zowel de Britse als de Nederlandse marine tastte in het duister over wat er met de O-22 was gebeurd en waar het schip zich bevond. Britse historici kwamen kort na de oorlog met de suggestie dat de onderzeeër voor de kust van Lindesnes door een Duitse onderzeebootjager en mijnenveger met dieptebommen tot zinken was gebracht. Maar omdat destijds geen wrakstukken of olie op het wateroppervlak waren gemeld, leek dit niet erg waarschijnlijk. Ook zou de O-22 in dat geval veel dichter onder de kust hebben gevaren dan waartoe hij opdracht had. De Royal Navy hield het erop dat de O-22 was getroffen door een op drift geraakte Duitse mijn.

Gevonden

Toen de Norwegian Petroleum Directorate (Oljedirektoratet) op 13 augustus 1993 bodemonderzoek deed voor de Noorse zuidkust stuitte ze nabij de Eigersundsbank op een wrak. Het lag 180 meter diep op de zeebodem en was bedekt met resten van vissersnetten, sleeplijnen en ander materiaal. Na acht maanden in het diepste geheim onderzoek te hebben gedaan, onder andere met behulp van een onbemande minionderzeeër die cameraopnamen maakte, kon worden bevestigd dat het ging om de Nederlandse onderzeeër O-22. Doorslaggevend waren onder meer de typerende ronde boeg met zaagtanden en de lengte van het wrak. Op 19 april 1994 werd de vondst van het wrak wereldkundig gemaakt. Het nieuws haalde de voorpagina’s van Nederlandse kranten en nieuwsuitzendingen op radio en tv.

north_sea_map-en_bewerkt_1

Kaart met de patrouilles en het wrak van de O-22. (Gebaseerd op de kaart in Ort, Hr.Ms. O-22, blz. 46-47).

De theorie dat het schip op een mijn was gevaren, moest na de vondst worden verlaten, omdat de buitenkant van het wrak geen enkele schade vertoonde. Mogelijk is een technisch mankement de O-22 en zijn bemanning noodlottig geworden. Overigens is de O-22 niet de enige onderzeeër van Nederlandse makelij die niet uit de Noorse kustwateren terugkeerde. De Poolse Orzel, ook in Vlissingen gebouwd, verging eveneens, evenals de Hr. Ms. O-13, die al enkele maanden eerder werd vermist. Het zusterschip van de O-22, de O-21, werd samen met de O-23 en O-24 naar Gibraltar gestuurd. Gedrieën opereerden zij later in de Middellandse Zee.

Besloten werd om het wrak van de O-22 niet te bergen, maar de plek als oorlogsgraf aan te merken. Op deze plaats hield de Koninklijke Marine op 1 november 1996 aan boord van een van haar schepen een herdenkingsceremonie, waarbij ook familieleden van de omgekomenen aanwezig waren. Alle namen van de slachtoffers zijn vereeuwigd op een plaquette op het Monument voor de Gevallenen van de Onderzeedienst, dat in de marinehaven van Den Helder staat.

kopie-7-van-den-helder42005

De namen van de gevallenen op het oorlogsmonument in Den Helder.

Bronnen:

W. Claes, De onderzeedienst in de Tweede Wereldoorlog, in: Klaar voor onder water, uitgave Reünistenvereniging Onderzeedienst, jrg. 24, nr. 77, september 2001.
Geirr H. Haarr, No room for mistakes; British and allied submarines in European waters, 1939-1940, Barnsley 2015.
H.M. Ort, Hr.Mr. O-22; de onderzeeboot die in 1940 verloren ging en in 1993 werd teruggevonden, Amsterdam 1995.

Boat O 22, op website www.dutchsubmarines.com.
Onderzeeboot O 22, op website Stichting Nabestaanden Onderzeeboten 1940-1945, www.onderzeeboot.org.
Onderzeeboten van de O-21 klasse, Hr. Ms. O 22, op website www.go2war2.nl.
Overlijdensaktes Cornelis Broodman, Adriaan Duine, Marcus Bronke en Hendrik de Groot op www.zeeuwengezocht.nl.
Vondst O 22, film met radio-interview H.M. Ort, zoon van de commandant en onderzoeker, met beelden van de herdenking in 1996.
Foto´s van het schip in de beeldbank van het Ministerie van Defensie.
Voor de namen van alle gevallenen: www.online-begraafplaatsen.nl.

Een meid uit Stavanger

Wat ze dacht toen ze in Middelburg van boord stapte, zullen we nooit weten. Elisabeth Christina – haar achternaam kennen we niet – was geboren in Stavanger en kwam ergens in de achttiende eeuw naar de Zeeuwse hoofdstad. Ze was een van de drie meiden in het huishouden van de Middelburgse burgemeester Jacob van Citters en zijn echtgenote Anna Sara Boudaen. Net als andere Middelburgse regenten had het rijke echtpaar een buitenlandse meid aangenomen, omdat zulke dienstbodes erom bekend stonden dat ze hard werkten en niet duur waren.

Vertrek vanuit Noorwegen

Meer dan elk ander Europees land trok de Nederlandse Republiek in de zeventiende eeuw emigranten uit Noorwegen aan. Op het Noorse platteland heersten werkloosheid en grote armoede. Velen waren daarom naarstig op zoek naar een manier om geld te verdienen, wat te sparen en met dat spaargeld een beter bestaan op te bouwen. Aangezien er tussen Noorwegen en de Republiek intensieve handelsrelaties bestonden, hoorden zij van Nederlandse kooplieden en schippers die de Noorse havens aandeden verhalen over de mogelijkheden om in de Republiek aan werk te komen en over de relatief hoge lonen die er werden betaald. Ook de verhalen van teruggekeerde emigranten zullen stimulerend hebben gewerkt. Vanwege het lonkend perspectief en de lage kosten voor de reis per schip besloten veel jonge mannen en vrouwen hun geluk in Nederland te beproeven. De meeste emigranten hadden bij hun vertrek nog geen duidelijk plan of ze zouden terugkeren of zich definitief in den vreemde zouden vestigen.

stavanger-foto-sjaak-kempe-cc-by-2-0

Het oude Stavanger in de moderne tijd. Een aanzienlijk aantal jonge mannen en vrouwen uit deze Noorse kustplaats vertrok naar de grote steden in de Republiek. (Foto Sjaak Kempe, CC-BY 2.0)

De trek vanuit Noorwegen ving eind zestiende eeuw aan en duurde tot het eind van de achttiende eeuw. Pieken waren de periodes 1640-1675 en 1720-1740. De emigranten kwamen hoofdzakelijk uit het zuiden van Noorwegen. Amsterdam nam al die tijd veruit de grootste groep op. Daarnaast trokken in de zestiende en zeventiende eeuw andere Hollandse steden aan, in het bijzonder Hoorn, Enkhuizen en Zaandam. In de achttiende eeuw wonnen Middelburg en Rotterdam aan betekenis. Ook een stad als Zierikzee nam toen een relatief grote groep Noren op. Tussen 1663 en 1720 kwamen in Amsterdam iets meer vrouwen dan mannen uit Noorwegen aan: op de 100 vrouwen ging het om 96 mannen. In totaal kwamen er in genoemde periode 2054 Noorse vrouwen naar Amsterdam. Veruit het grootste deel van hen (1260 vrouwen) was afkomstig uit de fylke (provincie) Vest-Agder. Vest-Agder omvat de uiterste zuidpunt van Noorwegen met belangrijke havenplaatsen als Farsund, Flekkefjord, Mandal en Kristiansand. Het aantal mannen dat vanuit Vest-Agder in Amsterdam arriveerde, lag met 738 beduidend lager. Ook uit andere Scandinavische landen trokken overigens jonge vrouwen naar de Republiek om te werken.

Het leven in de Republiek

De Noorse vrouwen die in Amsterdam arriveerden, waren gemiddeld rond de 25 jaar oud. Het overgrote deel van hen kon niet lezen of schrijven. Ze vonden onderdak bij ‘slaapvrouwen’, hospita’s die kamers verhuurden, en gingen van daaruit op zoek naar een dienstbetrekking. Om de kamerhuur te kunnen betalen, was het zaak om snel werk te vinden. Veel vrouwen zullen toen al bemerkt hebben dat de werkelijkheid heel wat weerbarstiger was dan de mooie verhalen die ze thuis voorgeschoteld hadden gekregen.

bk-1981-70_1

De ontslagen dienstbode. Porseleinen beeldengroep vervaardigd door Porzellanmanufaktur Frankenthal, 1765-1770. (Collectie Rijksmuseum)

Een van de meest tragische verhalen op dit gebied is dat van het Deense meisje Elsje Christiaens. Zij was op achttienjarige leeftijd in 1664 vanuit Jutland in Amsterdam gearriveerd. Een maand na aankomst bleek ze nog niet bij machte de huur van haar kamer te betalen. Daarop eigende de hospita zich het kistje met Elsjes eigendommen toe. De twee kregen hierover ruzie. Nadat de hospita Elsje met een bezemsteel te lijf was gegaan, sloeg Elsje haar met een bijl, waardoor de vrouw van de keldertrap viel en om het leven kwam. Toen de buren op het lawaai afkwamen, zette Elsje het op een lopen. Kennelijk zag ze geen andere uitweg dan maar in het water van het Damrak te springen. Daar werd ze uitgehaald en vervolgens gearresteerd. De rechters waren onverbiddelijk. Ze werd ter dood veroordeeld door wurging aan de paal. Rembrandt schilderde haar lijk op het galgenveld, waar het hing om, zoals dat heette, ‘door de lucht en de vogels verteerd te worden’, bij wijze van afschrikwekkend voorbeeld voor anderen.

elsje_christiaens_front_view

Het lijk van Elsje Christiaens op het galgenveld, getekend door Rembrandt Harmensz. van Rijn, 1664. (Collectie Metropolitan Museum of Art, New York)

Het merendeel van de vrouwen verging het beter dan Elsje, maar een luxe leven leidden ze niet. In Amsterdam kwamen de Noorse vrouwen in de armste wijken van de stad terecht. Ondanks het feit dat de Lutherse gemeente hier veel voor hen kon betekenen, integreerden de Noren maar moeizaam. Dat zou er op kunnen duiden dat ze in hun achterhoofd hielden ooit terug naar hun geboorteland te gaan. Het moet hoe dan ook een gigantische omschakeling voor de nieuwkomers zijn geweest. Ze dienden zich niet alleen aan te passen aan het leven in een ander land met een andere taal en andere gewoonten, maar ook aan het drukke leven in de handelssteden van de Republiek, dat zich op geen enkele manier liet vergelijken met het bestaan in Noorwegen.

sk-a-4750-de-gouden-bocht_1

De ‘Gouden Bocht’ in de Herengracht in Amsterdam, Gerrit Adriaensz. Berckheyde, 1672. Het schilderij toont de fraaie patriciërshuizen waar de rijkdom en weelde vanaf te lezen zijn. (Collectie Rijksmuseum)

De meeste Noorse vrouwen vonden werk als dienstmeid. Elisabeth Christina, die in het huis van de Middelburger Van Citters kwam werken, en even zoveel anderen zullen hun carrière waarschijnlijk zijn begonnen met het verrichten van schoonmaakwerk en andere huishoudelijke arbeid. Mogelijk dat zij ook als keukenmeid aan de slag konden of in latere instantie wellicht als linnenmeid zelfs de zorg voor het kostbare linnengoed kregen toevertrouwd. Andere vrouwelijke emigranten begonnen een winkel of herberg en weer anderen werkten als naaister of schoenmaakster. Ook kwam een deel terecht in de stedelijke nijverheid, bijvoorbeeld in een papierfabriek, katoendrukkerij, zilversmederij of een keramiekwerkplaats. Nog weer anderen hielden zich in leven met de verhuur van kamers aan zeelieden. Anders Andersen uit Stavanger bijvoorbeeld zou in 1698 inschepen op een VOC-schip naar Batavia en huurde tot die tijd een slaapplaats bij Karen Olsdatter in Amsterdam. Sommige Noorse vrouwen kwamen in de prostitutie terecht en de grens tussen kamerverhuurster en prostitué zal overigens ook niet altijd helemaal helder zijn geweest. Tussen 1650 en 1700 werden in Amsterdam zo’n veertig Noorse vrouwen gearresteerd wegens prostitutie.

Hollandse zindelijkheid en andere gewoonten

Of Elisabeth vanuit Middelburg terug is gegaan naar Stavanger weten we niet. Als ze dat deed, heeft ze vermoedelijk menige ‘Zeeuwse’ gewoonte meegenomen. Tijdgenoten constateerden al dat de vrouwen die in Noorwegen terugkeerden daar in het dagelijks leven tal van nieuwigheden introduceerden. De nieuwe gewoonten gingen daarna van generatie op generatie over. Zo trof de volkskundige Eilert Sundt in de jaren 1860 aan de zuidwestkust van Noorwegen een opmerkelijk fenomeen aan dat hij elders in het land nog nergens was tegengekomen. In deze streek werden de vloeren van woonhuizen niet alleen (twee)wekelijks grondig geschrobd maar na die poetspartij ook van schoon zand voorzien. Bovendien deden de mensen er veel moeite om de vloer schoon te houden. Ze legden er tapijten op en droegen pantoffels in huis. Dergelijke gebruiken waren bekend uit de Republiek en lijken rechtstreeks daaruit afkomstig te zijn, temeer omdat juist vanuit deze streken in de zeventiende en achttiende eeuw veel meisjes daar uit werken waren gegaan. Toen Sundt in de omgeving navraag deed naar deze gewoonte kreeg hij van een informant uit Lillesand te horen dat dit ‘Hollandse zindelijkheid’ was.

sk-a-1279-de-ketelschuurster-willem-van-odekercken_1

De ketelschuurster. Op de achtergrond knielt een andere dienstmeid bij het vuur. Schilderij door Willem van Odekercken, 1631-1677. (Collectie Rijksmuseum)

Behalve hun schoonmaakwoede namen de vrouwen ook ‘vreemde’ kleedgewoonten mee uit de Republiek. Een tijdgenoot beschrijft in 1792 dat de teruggekeerde vrouwen vreemde tooisels op hun hoofd hadden en hoeden en lange jassen droegen. Mede vanwege hun afwijkende uiterlijk werden deze jonge vrouwen daar ‘Hollændsker’ genoemd. Voorts is bekend dat aan de Noorse zuidkust in deze periode nieuwe woonaccessoires werden geïntroduceerd, zoals wit damasten tafellakens, plateel en prenten. Dergelijke producten kwamen mee als handelswaar op de Nederlandse schepen, maar een deel zal ook door de teruggekeerde vrouwen zijn meegenomen. Die hebben zich daarmee misschien wel als ware trendsetters geprofileerd. Verder zal hun verblijf in de Hollandse en Zeeuwse steden invloed hebben gehad op de immateriële cultuur aan de Noorse zuidkust. Zij hadden kennisgemaakt met andere denkbeelden over onder meer eer, geweld, seksualiteit, religie, familie en de positie van de vrouw. Dit zal hun eigen opvattingen vermoedelijk hebben veranderd. Ook in eetgewoonten, recepten, kinderspelen en liedjes zijn Nederlandse invloeden aan te tonen en ook hieraan zullen de voormalige emigranten hebben bijgedragen. De Nederlandse invloed werd overigens positief beoordeeld. Een verleden als dienstmeid in de Republiek gold als een aanbeveling voor wie een dienstbetrekking in Noorwegen zocht.

De lokroep van Amsterdam

Echter, de wit damasten tafellakens bleven in heel veel Noorse huizen een ongrijpbaar ideaal. Eenmaal teruggekeerd wachtte veel vrouwen een hard en sober bestaan op het Noorse platteland. Niet iedereen kon daaraan zomaar weer wennen. Een jonge vrouw uit de omgeving van Drøbak, aan de oostkant van het Oslofjord, was in de achttiende eeuw naar Amsterdam getogen. Na daar een tijdje te hebben gewerkt, keerde ze terug naar haar geboortegrond en trouwde ze met een jonge boer. In het leven op het Noorse platteland kon ze haar draai echter niet meer vinden. Op een dag heeft ze haar spullen gepakt en is ze uit het leven van haar echtgenoot en familie verdwenen. De conservator van het Follo Museum uit Drøbak, die me dit verhaal in geuren en kleuren vertelde, wist het zeker: ze was teruggekeerd naar het luxe leven in Amsterdam.

Bronnen:
Els Kloek, Christiaens, Elsje, in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland.
J.L. Kool-Blokland, De zorg gewogen; zeven eeuwen godshuizen in Middelburg, Middelburg 1990 (op blz. 125 de vermelding van Elisabeth Christina, de meid van Van Citters).
Erika Kuijpers, Poor, illiterate and superstitious?; social and cultural characteristics of the ‘Noordse natie’ in the Amsterdam Lutheran church in the seventeenth century, in: Louis Sicking, Harry de Bles, Erlend des Bouvrie (eds.), Dutch light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 57-67.
Clé Lesger, Informatiestromen en de herkomstgebieden van migranten in de Nederlanden in de vroegmoderne tijd, in: Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 3 (2006) 1, 3-23.
Sølvi Sogner, ‘Og skuta lå i Amsterdam…’; et glemt norsk innvandrersamfunn i Amsterdam 1621-1720, Oslo 2012 (kapittel 6 onder meer voor de gegevens over Amsterdam).
S. Sogner, Popular contacts between Norway and the Netherlands in the Early Modern Period, in: Juliette Roding, Lex Heerma van Voss (eds.), The North Sea and Culture (1550-1800), Hilversum 1996, 185-198.
Sølvi Sogner, Norwegian-Dutch migrant relations in the seventeenth century, in: Louis Sicking, Harry de Bles, Erlend des Bouvrie (eds.), Dutch light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 43-56.
L. Zoodsma, Van toevluchtsoord tot vaste burcht, in: L. Zoodsma (red.), Luthers Zeeland, Middelburg 1992, 14-35.