Een Hollandse zeeman in het barre Noorden (slot) – Over land naar huis

Marineofficier Cornelius de Jong belandde in het najaar van 1795 met het konvooi Oostindiëvaarders dat hij naar Nederland begeleidde in de haven van Trondheim. Oorlogsomstandigheden hadden hem doen uitwijken naar het neutrale Noorwegen, waar hij nadere orders uit Nederland afwachtte. Maandenlang verbleef hij hier en leerde hij het leven in het hoge Noorden van dichtbij kennen. In brieven aan een denkbeeldige vriend, die later werden gepubliceerd, beschreef hij zijn wederwaardigheden.

Een oude mismaakte matrone

Na bijna acht maanden in Trondheim ontving De Jong orders om de thuisreis te aanvaarden. Op 14 mei 1796 lichtten de schepen hun ankers. Omdat twee Engelse oorlogsschepen de achtervolging op hen hadden ingezet, zocht De Jong met zijn schepen ruim twee weken later beschutting in de haven van Bergen. Hij voelde zich er niet veilig. De Noorse versterkingen waren in zijn ogen onvoldoende en hij twijfelde of zijn eigen oorlogsfregatten aan de ingang van de haven sterk genoeg waren om vijandelijke schepen te beletten de haven binnen te dringen. Bovendien had hij gehoord dat de neutraliteit van de Noorse havens elders een wassen neus was gebleken. Hij voelde zich in Bergen slecht op zijn gemak en de stad zelf deed daar weinig goed aan. Het regenachtige Bergen was als “een oude mismaakte matrone, wier gemelijk humeur, vervelendheid en lastige etiquette alle menschen van zich verwijdert”. Wat een verschil met het bevallige Trondheim.

bergen 2001, foto Dean Morley, cc by nd 2.0

Ondanks zijn besloten ligging was de haven van Bergen weinig veilig voor de schepen van De Jong. Foto uit 2001. (Foto Dean Morley, CC BY-ND 2.0)

Midzomer

De viering van Sankthansaften, het midzomerfeest, op 23 juni maakte iets goed. Tegen een berghelling vlakbij de stad werden manden en tonnen op stokken gezet en in brand gestoken. Er waren kraampjes met bier, brandewijn en jenever en tafels waar koek, brood met kaas, worst en saucijzen, varkenskluifjes en andere versnaperingen werden verkocht. Vioolspelers en potsenmakers vermaakten het publiek. Intussen had men op het water en de omliggende bergen grote hopen hout en stro in brand gestoken. Ze brandden de hele nacht, terwijl het publiek joelde, sprong en danste. Het tafereel stemde De Jong wat milder over Bergen. Hij constateerde dat wanorde en onbetamelijk gedrag achterwege bleven en dat er zelfs geen ordebewakers nodig waren. “Een nieuw bewijs van de geschiktheid van den gemeenen man in Noorwegen.”

Net als in Trondheim verkeerde De Jong in Bergen in de hoogste kringen. Hij bezocht de Hollandse consul te Bergen, Jan Hendrik Fasmer, op diens buitenverblijf en woonde de huwelijksplechtigheid bij van de zoon van de Franse consul. Het oponthoud in Bergen duurde veel langer dan verwacht. Engelse fregatten kruisten onophoudelijk voor de kust. Het leek onmogelijk om Noorwegen over zee te verlaten. Daarom kreeg De Jong opdracht om de terugreis over land aan te vatten. Hij droeg het bevel van zijn schip de Scipio over aan de eerste luitenant en nam “niet zonder aandoening” afscheid van zijn bemanning. Op 17 juli vertrok hij onder elf daverende saluutschoten en een driewerf hoezee van de bemanning. Zijn reisgezelschap bestond uit een bediende en luitenant Akkerman, die hij als kadet vanaf Kaap de Goede Hoop had meegenomen.

Per boot en paard

Op zijn tocht, die per boot tot het eind van de Sognefjord en daarna met paarden over land tot aan de Zweedse grens bij Svinesund voerde, noteerde De Jong tal van wetenswaardigheden over het landschap, de natuur en de boerenbevolking. Ook noteerde hij details over de staat van de wegen en het comfort van de verblijven waar hij onderweg op was aangewezen.

Yttre-Kroken_i_Sogn, J.F. Eckersberg, tekening litho, 1848

Sognefjord. Tekening J.F. Eckersberg uit 1858.

Reizen in Noorwegen was toentertijd geen sinecure. De Jong besloot over Lærdal te reizen, waar hij grotendeels per boot door de Sognefjord naar toe kon. Hij had echter veel te stellen met de roeiers die een koopman in Bergen hem ter beschikking had gesteld. Als loods noch als matroos bezaten ze de juiste kwaliteiten, waardoor het gezelschap meerdere malen verdwaalde en door ongelukkige manoeuvres in levensgevaarlijke omstandigheden terechtkwam.

Vanaf het eind van de Sognefjord ging het verder over land: via Lærdal, Borgund (waar hij de nu nog beroemde staafkerk aanschouwde), langs de Randsfjord naar Christiania (het huidige Oslo) en van daaruit naar Fredrikstad en Svinesund. Dit deel van de reis werd per paard afgelegd. De Jong was onder de indruk van de behendigheid van de dieren. Ze wisten als geen ander hoe ze zich op de steile hellingen moesten bewegen en een berijder die dacht het beter te weten liep grote kans in de afgrond te belanden. Er waren in Noorwegen geen stalhouders, wel verspanplaatsen, waar reizigers hun paarden konden achterlaten en verse konden nemen. Daarom ging er altijd een man vooruit die op een verspanplaats zoveel paarden en mensen bestelde als er nodig waren, zodat de rest van het gezelschap die bij aankomst gereed vond. Voor de paarden werd per mijl betaald en daarboven nog per persoon. Er was een standaardtarief voor heel Noorwegen. Daarbovenop deed men naar believen nog een fooi, want, zo had De Jong ervaren, “alles vliegt voor een enkel dubbeltje”.

1183px-Norske_Folkelivsbilleder_-_no-nb_digibok_2007101713001-15

Reizen per paard was toentertijd in Noorwegen de meest geëigende manier om over land langere afstanden te overbruggen. (Tekening Adolph Tidemand, 1848)

Logies

Luxe verblijven waren er niet onderweg. Herbergen ontbraken nagenoeg, de reizigers waren aangewezen op logementhouders en de kwaliteit ervan wisselde sterk. Het meest ellendige verblijf vonden De Jong en zijn mannen in Sognefest. Hier moesten ze zelf hun aardappels schillen en koken en er was slechts één bed voor hen gedekt. De Jong rolde zich van arren moede in zijn reismantel, luitenant Akkermans kreeg het dekbed en de knecht lag op de kussens van de boot. Hoe anders was het in Lærdal. Daar vonden de heren op de ontbijttafel koffie, room, eieren en twee gebraden kippen (die ze inpakten voor de lunch). En vlakbij Hestekind hield een nette vrouw er een prima gastenverblijf op na. Ze zette een uitstekende fricassée van kip op tafel, alsmede omelet, “heerlijke” room, aardbeien, betere wijn dan De Jong ergens in Noorwegen had geproefd en brood. Dat laatste aten de mannen daar voor het eerst sinds hun vertrek uit Bergen. En zoals hun wel vaker overkwam: de dame wilde geen geld hebben.

Leven op het Noorse platteland

Onderweg gaf De Jong zijn ogen en oren goed de kost. Toen hij nog in Trondheim verbleef, had hij wetenswaardigheden over het leven op het platteland genoteerd. Hem was opgevallen dat de boeren er grotendeels zelfvoorzienend waren. Ze weefden hun eigen linnen kleding, maakten hun eigen schoenen, brouwden hun eigen bier en stookten hun eigen brandewijn. Zelfs de meubels in huis waren zelf vervaardigd en “en dat niet geheel zonder smaak”. De eenvoudige huizen waren van hout maar hadden desondanks iets aanzienlijks. Bij de boerenwoningen stonden een stal en – hoog van de grond om het ongedierte buiten te houden – schuren voor de opslag van graan, boter, kaas en andere levensmiddelen.

Ook de kleding van de boerenbevolking interesseerde De Jong. De boeren rond Trondheim droegen een kort leren wambuis met slobkousen en rode kousenbanden, de boerinnen een jak en rokken en over het hoofd een doek. De Jong verbaasde zich erover dat de boeren zich niet anders kleden als het koud was. Hij zag boeren met “open boezem, de ijskegels aan de hairen van de borst hangende”, terwijl ze zich in hun huizen in overmatig verwarmde vertrekken ophielden. Het temperatuurverschil tussen binnen en buiten kon oplopen tot wel 40 graden. Naarmate de reis vorderde, werd het land vruchtbaarder en nam de welvaart onder de boerenbevolking toe. Dat was ook te zien aan de kleding van de landlieden. Mannen kleedden zich in korte jasjes van karsaai en ten noorden van Oslo langs de Randsfjord zelfs in lange rokken (jassen) van laken (een zware wollen stof). In sommige gebieden schoren de boeren zich, in andere hadden ze baarden. De boerinnen droegen een linnen of katoenen jak en hadden een muts op het hoofd met een doek daaroverheen. In elk gebied had hun kleding eigen karakteristieken.

Norske Folkelivsbilleder

Enigszins geromantiseerd beeld van het plattelandsleven in Noorwegen rond het midden van de negentiende eeuw. (Tekening Adolph Tidemand, 1848)

Tegenaan de steile bergen was nauwelijks grond te vinden die bebouwd kon worden. Op de schaarse plekjes groen waar dat wel mogelijk was, was dan ook meteen een boer te vinden en hier en daar een kudde schapen of geiten. Aan de huizen, in bomen en tegenaan de rotsen werden berkentakken met bladeren gedroogd, die als voer voor deze dieren dienden. Omdat er zo weinig gras was, werden paarden en koeien soms de bergen in gejaagd om zelf hun kostje bij elkaar te zoeken. Het vee werd geweid op enkele uren, soms op enkele dagen afstand van huis. Een meid of knecht ging mee. In de lange winters stond het vee op stal.

Watervallen

In het landschap vielen de watervallen bij De Jong het meest in de smaak. Hij ervoer een mengeling van gevaar en schoonheid: “Het schuimend gebruisch en verdoovend ruischen van het neerstortend water, vereenigd met het gezicht der puntige rotzen, stijle klippen en hemelhooge bergen, die hier in eene dreigende gedaante op het vallen staan, ginds in afgescheurde brokken voor de voeten liggen, overrompelt de bedwelmde en getroffen zintuigen: voeg hierbij de bijzondere spelingen der konstige natuur, die men allerwegen, waar het gezicht zich ook henen wendt, in deze klippen en gevallen steenen ontdekt, en gij zult moeten erkennen, dat men het drijgend gevaar vergeet om in enkele bewondering weg te zinken.” Op veel plekken profiteerden de Noren van het vallende water door er watermolens te bouwen. Sommige watervallen telden wel zeven of acht molens.

foto Roman Königshofer, uit 2011

Watervallen dwongen diepe bewondering af bij De Jong. (Foto uit 2011 door Roman Königshofer, CC BY-ND 2.0)

Verkwisting

De Jong verbaasde zich over de verkwisting van hout in Noorwegen. Overal zag hij houten schuttingen waarvoor onnodig veel hout was gebruikt: dubbele palen die in de grond waren geslagen met daartussen schuin gelegde planken. Hij constateerde ook dat bij het omhakken van bomen geen rekening werd gehouden met de ouderdom van de boom. Daardoor ruimden jonge bomen, die werden gebruikt voor stokken, vroegtijdig het veld. Nog meer verbaasde De Jong zich over een ander risicovolle gewoonte van Noorse boeren. In de herfst hakten zij struiken om en legden deze met onder meer stro en heide op het land. In de volgende zomer werd dit in brand gestoken. Dat bevorderde de vruchtbaarheid van de grond, maar was niet zonder risico. Omdat het branden in de zomer geschiedde wanneer alles heel droog was, was het vuur niet altijd te controleren en richtte het in de nabijgelegen dennenbossen soms grote verwoestingen aan. De Jong pleitte voor een duurzaam gebruik van deze natuurlijke bron. Bij Moss zag hij stenen schuttingen. Een veel beter idee, vond hij. Hoewel het meer werk was om ze te plaatsen en het bouwmateriaal ook duurder was, waren ze op den duur toch voordeliger. Ze gingen langer mee en het hout dat voorheen in de schuttingen verdween werd nu te gelde gemaakt in de zaagmolens.

boydell, p. 271, christiania_1

Dichterbij Christiania leek alles welvarender. Gravure John William Edy in Boydell’s picturesque scenery of Norway (Londen 1820).

Terug naar zijn vaderland

Alles leek beter te worden naarmate Christiania dichterbij kwam. De wegen en bruggen werden beter, de boeren gingen welvarender gekleed en ze reden op wagens getrokken door een of twee paarden. De huizen hadden er glazen ramen, de schoorstenen waren er hoger en het brood was er witter en lekkerder. In de stad zelf aten De Jong en zijn reisgenoten zelfs een maaltijd die ze in een jaar niet hadden gezien, met bloemkool, doperwten, wortelen en kersen. Vanuit Oslo reisden ze via Fredrikstad verder naar de Zweedse grens bij Svinesund. Die bereikten ze op 30 juli 1796. Een veerpont bracht hen naar de overkant. Aan het Noorse avontuur van De Jong was een einde gekomen. Hij reisde via Göteborg, Kopenhagen en Hamburg naar Den Haag.

Drie jaar later zou De Jong – verdacht van verraad aan de Engelsen – huisarrest krijgen en later verbannen worden. Hij woonde toen in Kleve en Vught. In deze periode stelde hij zijn reisbeschrijvingen op schrift. Hij werd in 1813 gerehabiliteerd, maar zou niet meer in actieve dienst bij de marine terugkeren. Op 11 februari 1838 overleed hij in Den Haag.

Bronnen:
Carla van Baalen en Dick de Mildt (red.), ‘Weest wel met alle menschen’; de Kaapse brieven van Cornelius de Jong van Rodenburgh, Hilversum 2012.
Jaap R. Bruijn, Naval captain Cornelius de Jong’s unforeseen stay in Norway (1795-1796), in: Louis Sicking, Harry de Bles, Erlend des Bouvrie (eds.), Duth light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 93-112.
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ‘s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 2, Haarlem 1802 (ook online).
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ‘s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 3, Haarlem 1803 (ook online).

Advertenties

Een Hollandse zeeman in het barre Noorden (2) – Verblijf in de hogere kringen van Trondheim

Cornelius de Jong, die in 1794 als bevelhebber een konvooi Oostindiëvaarders naar Nederland begeleidde, moest vanwege oorlogsomstandigheden uitwijken naar het neutrale Noorwegen. Hij verliet dit land pas negen maanden later, na het van west naar oost te hebben doorkruist. Van zijn reis hield De Jong aantekeningen bij. Hij verwerkte die in brieven aan een denkbeeldige vriend, die in 1802 en 1803 werden uitgegeven. Ze geven een boeiend inkijkje in de avonturen van deze zeeman in het ‘barre Noorden’. Alle reden dus om in de Bryggenblogs De Jongs reis te volgen. In de eerste van de reeks bereikte De Jong over zee Trondheim. Deze tweede blog is gewijd aan zijn ruim zeven maanden durende verblijf in de Noorse havenstad.

De Jong bereikte met zijn fregat Scipio in de avond van 6 oktober 1795 de haven van Trondheim. Bij wijze van groet liet hij elf saluutschoten afvuren, die met negen schoten vanaf de vesting Munkholmen werden beantwoord. De Jong verbaasde zich erover dat de Noren de vlag niet hesen en liet navragen wat de reden daarvan was. Moest hij dit als een belediging opvatten? Een foutje, zo bleek, de Noren waren dit eenvoudigweg vergeten.

Trondheim_Munkholmen, foto Clemenz Franz, cc by sa 3.0

Munkholmen voor Trondheim. (Foto Clemenz Franz, CC-BY-SA 3.0)

De dag na zijn nachtelijke aankomst begaf De Jong zich aan wal en vervoegde hij zich bij de belangrijkste bestuurders van de stad. Zijn eerste zorg was de veiligheid van de schepen en hun kostbare lading. De Jong wendde zich tot de burgemeester van Trondheim, die toevallig viceconsul van Holland was geweest. Bij dit gesprek was ook de Noorse generaal Georg Frederik von Krogh aanwezig. Von Krogh meldde dat hij de haven al had voorzien van een militaire versterking. De Jong was nu verzekerd van bescherming door de Noren. Verder zat er weinig anders op dan orders uit Nederland af te wachten. Hij verbleef daarna zelden nog aan boord van de Scipio, maar nam zijn intrek in een burgerwoning in de stad, een adres dat hij kreeg via zijn zojuist gemaakte connecties.

Havenstad zonder herberg

Voor passerende reizigers moet het destijds een hele toer zijn geweest om in Trondheim een slaapplaats te vinden. Er waren geen herbergen. Reizigers waren aangewezen op de gastvrijheid van particulieren. Had je geen relaties in de stad, dan maakte je kans van deur naar deur te worden gestuurd, want niemand was verplicht om een vreemdeling onderdak te verschaffen. Voor een Hollandse bevelhebber die op grond van zijn positie gemakkelijk toegang had tot de hoogste kringen, was dit minder een probleem. De Jong werd meteen geïntroduceerd bij de vrienden van de burgemeester en bij een van hen werd een kamer voor hem vrijgemaakt.

Een Noors vriendenmaal

De Jong was die eerste middag al te gast in het buitenhuis van een van de rijkste kooplieden van Trondheim, ene heer Mencke. Dit zal hoogstwaarschijnlijk Henrik Meincke zijn geweest, op dat moment de belangrijkste koopman en reder in Trondheim en tevens een van de grootste aandeelhouders in de kopermijnen van Røros. Net als andere welgestelde inwoners van Trondheim had Meincke buiten de stad een landgoed, waar hij zich vermaakte met het buitenleven en verdiende aan de opbrengsten van de houtkap en het graan en de groenten die er werden verbouwd. Op zijn landgoed, dat zo’n vijftien tot twintig minuten buiten de stad lag, gaf Meincke die middag een feest ter ere van de verjaardag van generaal Von Krogh. Het was een mannenaangelegenheid, de vrouw en dochters des huizes lieten zich alleen even zien om “en chorus” enige liederen te zingen. Na de maaltijd en thee speelden de heren omber, een kaartspel dat zowel de Noren als de Nederlanders kenden, maar met andere spelregels.

Georg_F_von_Krogh_1732_1818_c_medium

Generaal Georg Frederik von Krogh (1732-1818) versterkte de militaire verdediging van de haven toen De Jong er met zijn schepen beschutting had gezocht.

De Jong voegde zich naar de etiquette van de Noren. Hij leerde hun wijze van begroeten (vrouwen omhelsden elkaar, mannen ook en gaven elkaar daarbij de rechterhand, vrouwen werden door hen begroet met een handkus), en nam hun gewoonte over om een vrouw aan de arm naar de eetzaal te leiden en staande achter de stoel te bidden alvorens aan tafel te gaan. Op het menu stonden vlees- en visschotels, waarbij groente en bessen (multibær en tyttebær) werden geserveerd. Tijdens de maaltijd wandelde de gastvrouw rond – soms ook de gastheer – om waar nodig gesprekken te verlevendigen en in de gaten te houden of iedereen wel voldoende te eten had. De wijn was van abominabele kwaliteit, aldus De Jong, en hij verwonderde zich over de gewoonte om de glazen nooit helemaal leeg te drinken. Bij het uitbrengen van een toost werd “Skål” gezegd, hetgeen volgens De Jong verwees naar ‘schaal’ of ‘schedel’ en afstamde van een oud gebruik toen men “er nog een wellust in stelde om uit de schaal of hersenpan van een overwonnen vijand te mogen drinken”. Na de maaltijd begaf het gezelschap zich naar een andere zaal, waar ze elkaar opnieuw omhelsden, een hand of handkus gaven en de gastvrouw bedankten met een ‘Takk for maten’ (volgens De Jong: “Tak for male”). Nadat er tussen twee uur en half vier was gegeten, werden er nu koffie en vervolgens thee gedronken, daarna kaartspelen gedaan, brandewijn en likeur gedronken, om vervolgens rond negen uur nogmaals aan tafel te gaan. Gewoonlijk duurde zo’n visite tot elf uur ’s avonds.

Het lijkt De Jong weinig moeite te hebben gekost om zich in deze kringen te bewegen. Hun cultuur was ook niet wezensvreemd van de zijne. De meeste van de mensen die hij ontmoette spraken Duits en Frans, sommigen ook Engels. In hun vriendennetwerken deelden ze dezelfde voorkeuren: muziek, dansen en de speeltafel. De kleding van de Noorse upper ten was zoals elders in Europa. Maar vanwege de kou droegen mannen buiten vaak nog een pels van rendiervellen en geen vrouw verliet het huis zonder een bontgevoerde jas.

Leven in Trondheim

Trondheim leefde van de visserij en de handel in hout, vis en koper. Hout kwam uit de bossen rond de stad, waar ook menige zaagmolen stond. Koper werd gewonnen in de mijnen bij Røros. En vissers brachten vanaf de zee en uit de rivier Nidelva, die dwars door Trondheim stroomde, allerlei soorten vis aan land. Zalm bijvoorbeeld, al vreesde De Jong dat zijn schepen met de ankers, touwen en het heen en weer varen van de sloepen dit jaar voor teveel onrust in het water hadden gezorgd en de zalm hadden verjaagd.

bryggerekka nidelva, ca. 1955, dia Johan Alme, GA Trondheim, cc by 2.0

Pakhuizen in Trondheim aan de Nidelva, circa 1955. (Collectie Gemeentearchief Trondheim, foto Johan Alme, CC-BY-2.0)

De Jong lijkt niet erg warm te lopen voor de stad zelf. De straten waren weliswaar ruim en breed, maar ongelijk en slecht bestraat. Ook de straatverlichting liet veel te wensen over en dat was vooral in de winter vervelend als het elke dag maar zo’n vier uur licht was. Behalve de domkerk waren er weinig bezienswaardige openbare gebouwen. Wel had De Jong oog voor enkele sociale voorzieningen die zich op een opmerkelijk hoog peil bevonden. De in 1767 overleden Thomas Angell, afkomstig uit een rijke koopmansfamilie, had een behoorlijke som geld aan de stad nagelaten, waarmee onder meer de aanleg van de waterleiding en -pompen was betaald. De stinkende grachten waren gedempt, omdat men ervan overtuigd was dat het stilstaande water ziekten veroorzaakte. Ook was met het geld uit de nalatenschap van Angell het weeshuis gerestaureerd en een vrouwenklooster gesticht.

Alle huizen in de stad waren van hout en De Jong verbaasde zich erover dat ook de rijke kooplieden van zulke houten huizen luxe verblijven hadden gemaakt. Er stonden imposante houtgestookte kachels en zelfs de slaapkamers werden verwarmd – bepaald geen overbodige luxe in een stad waar het een deel van het jaar “nijpend koud” was. De huizen waren er aangenaam warm, aldus De Jong, niet benauwd. Bij het slapen echter broeide het hem teveel onder de aldaar gangbare zachte donzen dekbedden. Twee dekens vond hij verkieslijker.

Domkerk, steendruk Carl Johan Fahlcrantz, 1821, GA Trondheim, cc by 2.0

Domkerk van Trondheim in 1821. Steendruk van Johan Carl Fahlcrantz. (Collectie Gemeentearchief Trondheim, CC-BY-2.0)

Een exotisch geschenk

Tijdens zijn verblijf bracht De Jong een bezoek aan de bibliotheek van het Koninklijk Noors Genootschap van Wetenschappen en Letterkunde (Det Kongelige Norske Videnskabers Selskab), dat in 1760 in Trondheim was opgericht. De bibliotheek imponeerde hem niet, al waren er toch wel enige goede werken op de planken terechtgekomen. Ieder lid was verplicht om bij toetreding een boek te schenken. Ook had het Genootschap een klein kabinet van naturalia, waarvoor de verzameling van een van de oprichters, bisschop Johan Ernst Gunnerus, de grondslag had gelegd. Het kabinet bevatte onder meer vissen, schelpen en insecten en ook noteerde De Jong “eenige aardige Noordsche koralen”. Tot de verzamelingen behoorden voorts een herbarium en een collectie mineralen, die voornamelijk afkomstig waren uit de kopermijnen van Røros en Meldal en uit de zilvermijn van Kongsberg.

J.C. Schønheyder, 1742-1803, GA Trondheim cc by 2.0

Bisschop Johan Christian Schønheyder (1742-1803), tevens vicepresident van het Noorse wetenschappelijk genootschap. (Foto collectie Gemeentearchief Trondheim, CC-BY-2.0)

De Jong had op zijn reis naar Kaap de Goede Hoop enige exotica verworven. Vermoedelijk had hij deze bij de Kaap gekocht, aangezien hij niet in de Oost was geweest. Bij het zien van de verzameling in Trondheim besloot hij zijn collectie aan te bieden aan het Noorse genootschap. De vicepresident, bisschop Johan Christian Schønheyder accepteerde de schenking “met greetig genoegen”. Zo werd de Noorse verzameling dankzij een Nederlander in één klap uitgebreid met huiden van hyena’s, luipaarden, leeuwen en andere dieren, alsmede zo’n twintig vogels van Kaap de Goede Hoop, insecten uit Indië en China, vissen op sterk water (brandewijn!) en gedroogde zeegewassen. De leden van het genootschap kwamen enkele dagen later in een buitengewone vergadering bijeen om de aanwinsten te bekijken. Daags erna stond de bisschop weer voor De Jong om hem namens alle leden te bedanken voor de vele ‘zeldzaamheden’ en hem het lidmaatschap van het genootschap aan te bieden. De Jong stemde dankbaar toe met dit “vleijend en verpligtend aanbod”.

astragalus alpinus, van Tromsø, 1767, Gunnerus herbarium, NTNU Vitenskapsmuseet, cc by 2.0

Astragalus alpinus, uit het herbarium van Gunnerus. (Collectie NTNU Wetenschapsmuseum)

In de volgende blog tart De Jong de elementen als hij – ingepakt in berenvellen – op een slede naar Røros afreist om er de kopermijnen te gaan bekijken.

Bronnen:
Jaap R. Bruijn, Naval captain Cornelius de Jong’s unforeseen stay in Norway (1795-1796), in: Louis Sicking, Harry de Bles, Erlend des Bouvrie (eds.), Duth light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 93-112.
Norsk Biografisk Leksikon (Henrik Meincke
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ‘s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 2, Haarlem 1802 (ook online).

Noors design steelt de harten in Milaan

Toen afgelopen zondag de deuren aan de Via Ventura 6 in Milaan sloten, kon Noorwegen terugkijken op een uitstekende performance tijdens de prestigieuze Salone del Mobile. Hét design evenement waar de hele wereld naar kijkt, vond dit jaar plaats van 12 tot 17 april. Noorwegen was er present met 26 ontwerpers. Omdat de mogelijkheden om hun ontwerpen in productie te krijgen in eigen land beperkt zijn, hoopten zij in Milaan onder meer de aandacht te trekken van producenten uit het buitenland.

Ook vorig jaar presenteerde Noors design zich in Milaan, toen onder de noemer Norwegian Presence. Dit jaar was Structure het overkoepelende thema. Verscheidene organisaties sloegen voor deze expositie de handen ineen: Klubben (Noorse designers), Norwegian Crafts (hedendaagse kunstnijverheid) en de verffabrikant Jotun, die de kleurstelling ontwikkelde. De styling en inrichting van de ruimte was in handen van het duo Kråkvik & D’Orazio en van Hanna Nova Beatrice, chef-redacteur van het Zweedse designmagazine Residence.

De ontwerpen in Milaan waren van meest jonge Noorse designers. Inspiratie haalden zij van over de hele wereld, soms ook heel dichtbij huis. Vera & Kyte, de designstudio van Vera Kleppe and Åshild Kyte uit Bergen, liet zich inspireren door de vormen en kleuren van de steden Los Angeles, Tokyo en Rome. Ze maakten sets van grafische tegels die kunnen dienen als onderzetter, pannenonderzetter of dienblad.

Tiles VITRA.indd

Navigate. Ontwerp Vera & Kyte. (Foto Siren Lauvdal)

In de archieven van de gerenommeerde Noorse zilversmid Theodor Olsen trof Lars Beller Fjetland een oud ontwerp voor een bestek aan. Het dateert uit de jaren 1950, maar het bestek werd nooit in productie genomen. Fjetland bewerkte het design. De hartvormige bladen en de lange stelen van de monstera (gatenplant) inspireerden hem tot het ontwerp van de asymmetrische bestekonderdelen: een weerspiegeling van de gatenplant, die in staat is om twee soorten bladeren te laten groeien: dichte en vingervormige.

salone_norwegian_004-1050x700, foto Siren Lauvdal_1

Monstera. Ontwerp Lars Beller Fjetland. (Foto Siren Lauvdal)

Het is geen sofa en evenmin een armstoel. Sara Polmar ontwierp Between, een zitmeubel dat uitnodigt tot het ontdekken van nieuwe vormen van ‘zitten’, alleen of met anderen. Noorse meubeldesigners gooiden vanaf de jaren zestig al hoge ogen met het zoeken naar nieuw zitcomfort. Sara Polmar ging opnieuw op zoek. De zitting, rug en armleuning van haar meubel zijn uitgevoerd in Noorse wol en hebben verschillende kleuren en structuren.

Structure-produkt-21_1

Between. Ontwerp Sara Polmar. (Foto Siren Lauvdal)

Noorwegen zou Noorwegen niet zijn als op deze designtentoonstelling de experimenten met materialen en technieken niet zouden overheersen. Anja Borgersrud ontwierp Shake: drie strooivaten voor zout, peper en suiker. Ze lijken op kiezelstenen en degene die het vat vasthoudt, zou er een moment van meditatieve kalmte door ervaren.

Structure-produkt-3_1

Shake. Ontwerp Anja Borgersrud. (Foto Siren Lauvdal)

Een boeiende uitdaging ging Anette Krogstad aan. Zij slaagde erin steengoed te creëren met een oppervlakte die lijkt op korstmossen. Ze vormde de borden met de hand en glazuurde ze in drie tot vier lagen om het bedoelde effect te krijgen.

Structure-produkt-2_1

Steinlav. Ontwerp Anette Krogstad. (Foto Siren Lauvdal)

Opvallend veel ontwerpers vonden hun kracht in de combinatie van materialen. Het designduo gunzler.polmar maakte Pour, een klassieke set bestaande uit een waterkan en bijbehorend bekken. De kan is van porselein, het bekken van ruw steengoed. Aanvulling en contrast in een.

salone_norwegian_002-1050x700, foto Siren Lauvdal

Pour. Ontwerp gunzler.polmar. (Foto Siren Lauvdal)

Kristine Bjaadal combineerde in Sfera twee verschillende materialen: essenhout en het unieke Noorse gesteente larvikite, dat bij de zuidelijke kustplaats Larvik gewonnen wordt. Een soortgelijke combinatie liet ze eerder ook zien in de series Hegne (houten potten met deksels van keramiek) en Hold (glazen potten met houten deksels).

Bjaadal_Sfera_3_WEB, foto Lasse Fløde_1

Sfera. Ontwerp Kristine Bjaadal. (Foto Lasse Fløde)

Een onverwachte combinatie van materialen maakte Barmen & Brekke met Kveik. Kveik – het Noorse woord voor ontbranden – is een serie van drie kaarsenstandaards, die vijf soorten klei en vijf in Noorwegen voorkomende houtsoorten verenigt. Elk object is gemaakt met de techniek van het draaien, een van de oudste methoden om materialen in een vorm te dwingen.

kveik-kirsebc3a6r-alm-ask, foto Barmen & Brekke

Kveik. Ontwerp en foto Barmen & Brekke.

De sporen die ambachtelijke technieken nalaten, geven de producten die ermee zijn gemaakt karakter en levendigheid. Ze ontbreken vaak in producten die met moderne industriële of computergestuurde technieken zijn gemaakt. Sverre Uhnger echter liet de groeven en afdrukken van de CNC-freesmachine intact. Ze zeggen iets over het maakproces en hebben tegelijkertijd een decoratieve functie. Trace is een collectie van houten serveerbladen en planken.

Trace_SverreUhnger_3, foto Siren Lauvdal_1

Trace. Ontwerp Sverre Uhnger. (Foto Siren Lauvdal)

En last but not least springt de bronzen vaas Vigeland in het oog, ontworpen door Andreas Engesvik, een van de grootste namen uit de hedendaagse Noorse designwereld. De vaas is zijn antwoord op het Vigeland Park in Oslo, dat gewijd is aan de imponerende sculpturen van de kunstenaar Gustav Vigeland. Met de vaas onderzoekt Engesvik de relatie tussen het fundamentele en het door mensenhanden gemaakte. De zwaarte en het ogenschijnlijk onveranderlijke van het object plaatst hij als het ware naast het veranderlijke karakter van de inhoud.

Structure-produkt-1_1

Vigeland. Ontwerp Andreas Engesvik. (Foto Siren Lauvdal)

De expositie Structure trok veel aandacht in de internationale designwereld. Toonaangevende media besteedden er aandacht aan: Wallpaper, Dezeen, Disegno en AnOther bijvoorbeeld. Noorwegen heeft opnieuw zijn visitekaartje afgegeven.

Kijk voor alle ontwerpen op www.norwegianstructure.com.

Een bouwpakket uit Noorwegen

Als we in de duinen bij Domburg wandelen, wil ik er altijd even gaan kijken. Een beetje verscholen liggen daar enkele huizen die merkwaardig aandoen in het Walcherse dorp. Op die plek waan je je een klein beetje in Noorwegen. Aan de daken steken drakenkoppen uit, een verwijzing – lijkt het – naar de Vikingtijd. Maar zo oud zijn deze huizen bij lange na niet. Het noordelijke herkomstgebied klopt wel. Hoe komt Noorse architectuur in Domburg terecht?

Strandholm, een van de Noorse huizen in de duinen van Domburg.

Strandholm, een van de Noorse huizen in de duinen van Domburg.

Drakenstijl

De huizen in Domburg zijn helemaal van hout en vormgegeven volgens de principes van de drakenstijl, een neoromantische stijl die in Noorwegen tussen ongeveer 1890 en 1920 hoogtij vierde. Deze stijl was een nationale variant van wat in Noorwegen de Sveitserstil werd genoemd en die zijn inspiratie vond in de Zwitserse chalets. De Noren – op zoek naar een culturele onderbouwing van hun nog jonge natiestaat – ontwikkelden een eigen variant.

Noorse platteland

De traditionele plattelandsarchitectuur in Noorwegen vormde het uitgangspunt. Die kenmerkte zich al sinds de middeleeuwen door drie elementen: de loft, stue en stav-kirken. De loft (of stabbur) is de typisch Noorse voorraadschuur op het boerenerf. De stue is het woonhuis van de boerderij, met dikke horizontale wandsystemen (logs). De Noorse huizen in drakenstijl ontleenden er hun bouwvolume en wandsysteem aan. Daaraan werden houten ornamenten met drakenmotieven toegevoegd zoals we die kennen van de stav-kirken. Zo ontstond een typische Noorse drakenstijl.

De staafkerk uit Gol en een loft, naast elkaar, in het Norsk Folkemuseum in Oslo.

De staafkerk uit Gol en een loft, naast elkaar, in het Norsk Folkemuseum in Oslo.

Over de hele wereld

Keizer Wilhelm II, die graag in Noorwegen kwam, liet in het zuiden van Duitsland een groot jachthuis bouwen in deze stijl. Dat vond navolging onder de Europese adel en rijke burgerij en ook elders in de wereld werden gebouwen opgetrokken in de drakenstijl. Woonhuizen in Zuid-Afrika bijvoorbeeld en strandpaviljoens op Haïti. De buitenhuizen en jachthuizen van Nederlanders treffen we vooral aan in gebieden waar de welgestelden rond 1900 graag buiten vertoefden: op de Veluwe en aan de kust.

Uit een catalogus

Een dergelijk buitenhuis kon tegen relatief lage kosten en in sneltreinvaart worden gerealiseerd. De huizen hoefden namelijk niet balk voor balk te worden opgebouwd, maar werden als bouwpakketten geleverd. Belangstellenden konden de ‘complet færdige Huse’ uit een catalogus bestellen. De prefab woningen werden vanaf 1895 seriematig geproduceerd. Dat gebeurde in de Strømmen Trævarefabrik, een houtzagerij en timmerfabriek in Strømmen (tegenwoordig Skedsmo), ten oosten van Oslo. Grote machines in de fabriek zaagden het hout, waarna de huizen in een enorme fabriekshal in elkaar werden gezet om te drogen. Nadat alle onderdelen waren genummerd, werden ze weer uit elkaar gehaald om als bouwpakket verscheept te worden.

Geen spijkers nodig

Voor de aannemer die was belast met het in elkaar zetten van deze grote Lego doos, was het uitzoeken van de verschillende onderdelen nog het meeste werk. Had hij eenmaal alle wandsystemen (logs) op orde, dan stond het casco binnen drie dagen overeind. Zonder een spijker in het hout te slaan, want alles paste met overkepingen, zwaluwstaarten, deuvels en andere houtverbindingen perfect in elkaar. Het geheel werd op een bakstenen fundament geplaatst, dat boven de grond uitstak om houtrot en ander ongerief te voorkomen.

Zeldzaam

Ondanks deze voorzorgsmaatregelen waren de houten woningen kwetsbaar. Voor brand bijvoorbeeld, die in korte tijd desastreus kon zijn. Maar de huizen waren ook vatbaar voor slecht onderhoud en aantasting door ongedierte of zwammen. Vele vielen daaraan ten prooi. Ook oorlogsgeweld aan het eind van de Tweede Wereldoorlog richtte veel schade aan. Inmiddels zijn huizen in drakenstijl dan ook zeldzaam geworden. In heel Nederland staan er nog zo’n 25.

Norsk Hjem

Drie daarvan dus in de duinen bij Domburg: Strandholm, De Bruinvis en Zeebosch. In het begin van de 20ste eeuw waren bij Domburg meer van dergelijke huizen opgetrokken. Zo was er de villa Norsk Hjem (‘Noors thuis’), gebouwd in opdracht van de industrieel Joseph Alexander van Woringen. Norsk Hjem en een aantal andere huizen zijn hoogstwaarschijnlijk verwoest bij de bevrijding van Walcheren aan het eind van de Tweede Wereldoorlog.

Overigens kwam een kleine tien jaar later weer een ander type Noorse prefab woningen in Zeeland terecht. Koning Haakon VII van Noorwegen schonk deze houten huizen aan slachtoffers van de watersnoodramp van 1953.

Bronnen:
Johan Doornenbal, Noorse boederettes in het Nederlandse landschap, in: Heemschut, juni 2000, blz. 31-33.
Berit Sens, Aan zee in Zeeland, in: Monumenten van een nieuwe tijd; architectuur en stedebouw 1850-1940, Jaarboek Monumentenzorg 1994, blz. 120-129.

Amsterdam staat op Noorwegen

‘Amsterdam staaer paa Norge,’ schreef de Deense geleerde Holger Jacobæus in de tweede helft van de 17de eeuw. Tijdens zijn studie in Leiden was hem kennelijk ter ore gekomen hoe in Amsterdam een grote stadsuitbreiding werd gerealiseerd. Aan de grachten werden imposante patriciërshuizen gebouwd. Houten palen uit Noorwegen dienden als fundering. Amsterdam is net een onderaards bos, werd er ook wel gezegd.

Gjermundshavn in Hardanger. Schilderij in romantische stijl door de Noorse landschapsschilder Hans Gude, 1850.

Gjermundshavn in Hardanger. Schilderij in romantische stijl door de Noorse landschapsschilder Hans Gude, 1850.

Voor de vele bouwactiviteiten in de Republiek was vanaf het eind van de 16de eeuw veel hout nodig en Noorwegen werd dé houtleverancier. Het Noorse hout werd in ons land gebruikt bij de bouw van schepen, huizen en boerderijen. Aanvankelijk kwam het hout uit het westen en zuiden van Noorwegen. Dit bleef daar niet zonder gevolgen voor het ecosysteem. Het gebied raakte ontbost en de handel verschoof in de loop van de 17de eeuw naar het dichtbeboste oosten van het land. Vanuit het zuiden en westen bleef hout van kleinere afmetingen geëxporteerd worden. Het moest steeds dieper vanuit het binnenland over rivieren worden aangevoerd.

Houtadel

De Nederlandse kooplieden deden tot begin 17de eeuw rechtstreeks handel met boeren en houtproducenten. Daaronder ook vertegenwoordigers van de zogeheten ‘Plankeadelen’ (houtadel). Dit waren rijke houthandelaren in Agder, Telemark en het gebied ten oosten daarvan. Zij onderhielden contacten met buitenlandse handelaren en bezaten lokaal veel macht.

Houttransport. Illustratie door Johan Fredrik Eckersberg voor het boek Norske Folkelivsbilleder door Adolph Tidemand, 1858. (Nasjonalbiblioteket, Oslo)

Houttransport. Illustratie door Johan Fredrik Eckersberg voor het boek Norske Folkelivsbilleder door Adolph Tidemand, 1858. (Nasjonalbiblioteket, Oslo)

Noorse delen

Het hout onderging ter plekke al een ruwe bewerking. Er werden balken, planken en masten van gezaagd. Ook werden er duigen gemaakt. Langs de kust verrezen houtzaagmolens en het verhaal gaat dat Nederlanders deze noviteit daar introduceerden.

Als ‘Noorse delen’ bereikte het eiken-, grenen- en vurenhout Amsterdam. Daar werd het geveild. Soms was de benaming specifieker en kon uit de naam van het hout worden afgeleid in welke haven het geladen was. Kopers wisten uit welke havens de beste kwaliteit kwam. Hout uit Kopervik stond bekend als het beste hout, omdat het een extra fijne en vaste draad had.

Uit de bewaard gebleven notities van Adriaan Bommenee, die van 1713 tot 1747 stadstimmerman van het Zeeuwse Veere was, kunnen we opmaken welke houtsoorten op de markt waren. Hij noemt onder meer Koperwijkse, Christiaanse, Drontonse en Stavangense delen: geladen in respectievelijk Kopervik aan de zuidwestkust, Christiania (het latere Oslo), Trondheim en Stavanger.

Ook de lijm voor het hout kwam uit Noorwegen. Bommenee schreef dat de lijm daar werd gemaakt van ‘zweymbalgen’ (zwemblazen) van kabeljauw en leng (een vissoort), die een collageen bevatten, of van ‘Noor(t)se lompen’. De laatste lijmsoort hield men voor de beste. Ook met stokvisvellen of gekookte droge vis kon in noodgevallen worden gelijmd.

Monopolie

Rond het midden van de 17de eeuw ontstonden problemen in de houthandel. Christiaan IV, koning van Denemarken en Noorwegen, wilde het beste hout voor zijn eigen vloot bestemmen en trachtte de Noorse houthandel te monopoliseren. Bovendien wilde hij de positie van de stedelijke burgerij in Noorwegen versterken ten opzichte van die van de boeren en landadel. Daarom verleende de koning in 1662 aan de stedelijke burgerij het privilege van de houthandel. Dat maakte een einde aan het recht van vrije handel dat de Nederlanders hier al sinds 1450 hadden.

Tot een confrontatie kwam het in de jaren tachtig, toen de onderhandelingen over een nieuw handelsverdrag tussen Denemarken en de Nederlandse Republiek mislukten. De Deense koning verhoogde de tollen in Noorwegen. De Republiek reageerde met een handelsboycot. De import van Noors hout was met ingang van 28 maart 1687 verboden. Hoewel na meer dan een jaar onderhandelen in juli 1688 een nieuw handelsverdrag tot stand kwam en de boycot werd opgeheven, zou de Noorse houtaanvoer nooit meer de omvang bereiken van daarvoor. Andere productiegebieden, zoals Zweden, waren door de lagere tolgelden interessanter voor Nederland geworden. Wel verliet veel hout nog illegaal de Noorse havens. Maar de neergang was onafwendbaar. Omstreeks 1750 bedroeg de houtimport uit Noorwegen minder dan een derde van wat een eeuw eerder werd aangevoerd.

Bronnen:
Historisch hout in Amsterdamse monumenten, Publicatiereeks Amsterdamse Monumenten 3, uitgave Gemeente Amsterdam 2012.
C. Lesger, Lange-termijn processen en de betekenis van politieke factoren in de Nederlandse houthandel ten tijde van de Republiek, in: Economisch- en sociaal-historisch jaarboek 55, Amsterdam 1992, blz. 105-142.
Sølvi Sogner, Norwegian-Dutch migrant relations in the seventeenth century, in: Louis Sicking e.a. (red.), Dutch light in the ‘Norwegian night’, maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, blz. 43-56.
Het ‘testament’ van Adriaan Bommenee, praktijkervaringen van een Veerse bouw- en waterbouwkundige uit de 18e eeuw, Middelburg 1988.