Alledaags design uit Noorwegen

Wat is de overeenkomst tussen een kaasschaaf, een paperclip en een tandenborstel? Alle drie hebben ze een Noors verhaal. Een Noorse timmerman vond de kaasschaaf uit, een Noorse kantoorbeambte claimde de paperclip en een Noors bedrijf werd wereldleider in tandenborstels. Je zou het misschien niet zeggen, maar dagelijks gaan er een of meer attributen van Noorse origine door onze handen. Behalve dan de paperclip. De kantoorklerk had te vroeg gejuicht.

Johan Vaaler en zijn patent op de paperclip

Johan Vaaler (1866-1910) was een boerenzoon uit Aurskog (Akershus), die als klerk ging werken op een patentbureau in Oslo. In 1892 werd hij kantoorhoofd op het Bryns Patentkontor. Zeven jaar later zou hij zelf een ‘uitvinding’ doen waar hij patent op aanvroeg. Hij ontwierp diverse modellen van gebogen metaaldraad die in staat waren om een bundeltje papieren bij elkaar te houden: een paperclip (binder in het Noors). Hij vroeg er op 12 november 1899 in Duitsland patent op aan, hetgeen hem op 6 juni 1901 werd verstrekt. Twee dagen eerder was zijn patentaanvraag in de Verenigde Staten gehonoreerd.

Johan Vaaler, 1887, als student

Johan Vaaler als student in 1887.

Vaalers ‘uitvinding’ kwam in een periode waarin slimmeriken elders op de wereld ook verschillende soorten paperclips ontwierpen. Vaaler tekende diverse modellen: vierkant, driehoekig en ovaal. Hij zal ongetwijfeld tevreden zijn geweest met wat hij had ontworpen, maar in de praktijk waren zijn paperclips een weinig handig hulpmiddel. De Gem paperclip, het ovale model met de twee bochten, zou uiteindelijk de wereld veroveren. In Vaalers clip ontbrak de tweede bocht, waardoor deze minder praktisch was. Vermoedelijk werd de Gem al in de jaren 1870 geproduceerd. De oudst bekende advertentie ervoor dateert uit september 1893 en in 1899 werd een machine gepatenteerd voor het maken van paperclips bij de Britse Gem Manufacturing Company Ltd.

blog alledaags design

Links een van de ontwerpen van Vaaler, rechts de Gem.

Algemeen wordt aangenomen dat Vaaler geen weet had van de paperclips die reeds in andere landen bestonden. Dat hij als beambte op een octrooibureau de hausse aan paperclippatenten in die jaren niet heeft opgemerkt, lijkt mij echter zeer onwaarschijnlijk. Vermoedelijk wilde Vaaler gewoon het nieuwe model claimen dat hij had ontworpen. En dat is gelukt. Afzet heeft hij er echter niet voor gevonden. Zijn patenten verliepen zonder dat de paperclips ooit in productie zijn genomen.

Desondanks is de paperclip in Noorwegen een icoon geworden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog fungeerde hij als symbool van het verzet, net als in Frankrijk overigens. Toen de nazi’s het dragen van speldjes met nationale symbolen verboden, bevestigden mensen een paperclip aan hun revers ten teken van onderlinge verbondenheid en van verzet. De paperclip die hiervoor werd gebruikt was de Gem, niet Vaalers ontwerp. Dat een Noor een paperclip had ontworpen, werd pas na de oorlog in brede kring bekend. Halvar Foss, een ingenieur werkzaam bij het nationale octrooibureau in Noorwegen (Patentstyret), had in de jaren twintig Vaalers vergeten patent onder ogen gekregen tijdens een reis naar Duitsland. Hij schreef er een artikel over waarin hij de uitvinding van de paperclip claimde voor Vaaler. Toen na de oorlog de belangstelling in Noorwegen groeide voor de oorsprong van de paperclip – hét Noorse verzetssymbool – werd het artikel van Foss ontdekt en de uitvinding van de paperclip toegeschreven aan Vaaler. Zo kwam hij in menige encyclopedie terecht.

Ten onrechte dus, maar de mythe voedde het patriottisme onder de Noren. Zozeer zelfs dat in 1999, honderd jaar nadat Vaaler het patent had verkregen, een postzegel werd uitgebracht ter herinnering aan dat feit. Ongelukkigerwijze is op de postzegel echter de Gem afgebeeld en niet een door Vaaler ontworpen paperclip.

postzegel, foto Kyle MacDonald, cc by 2.0

De gewraakte postzegel met een afbeelding van de Gem. (Foto Kyle MacDonald, CC-BY 2.0)

Met een kunstwerk dat in 1989 ter ere van Vaaler bij een hogeschool in Sandvika werd geplaatst, werd dezelfde fout gemaakt. Ook hier prijkt een gigantische Gem.

paperclip sandvika, foto Kyle MacDonald, cc by 2.0

Het schoolgebouw in Sandvika met rechts de reusachtige Gem. De maker van deze foto was  een toen 26-jarige Canadees die in 2005 de uitdaging aanging om een rode paperclip door ruilen om te zetten in een huis. Negen maanden en tien transacties later was hij in het bezit van een bungalow in Phoenix, Colorado. (Foto Kyle MacDonald, CC-BY 2.0) 

De kaasschaaf van een timmerman

Werd Vaalers paperclip nooit in productie genomen, anders was dat met het gereedschap dat zijn landgenoot Thor Bjørklund een dikke 25 jaar later ontwierp. Bjørklund (1889-1975) was een timmerman en meubelmaker in Lillehammer. Hij had een opleiding genoten in Oslo en werkte als meestertimmerman toen hij op het idee kwam om het principe van de houtschaaf te benutten voor werkzaamheden in de keuken, meer in het bijzonder het snijden van kaas. De Noren hebben een rijke traditie in het maken van kaas. De gulost (de gele kazen) en brunost (de bruine kaas met de karakteristieke caramelsmaak) hebben dezelfde zachte tot wat hardere structuur als veel Nederlandse kazen. Kazen dus die snijdbaar zijn. Naar het verhaal wil irriteerde het Bjørklund dat hij met een gewoon mes zo lastig mooie plakjes kaas kon afsnijden. Daarom ging hij op zoek naar een oplossing. In zijn werkplaats kwamen de eerste (metalen) kaasschaven tot stand. Kennelijk overtuigd van het nut van zijn uitvinding vroeg hij er patent op aan. Dat werd geregistreerd op 27 februari 1925. Twee jaar later begon hij zijn eigen firma onder de naam Thor Bjørklund & Sønner AS.

Geitost_(og_en_gammel_ostehøvel_i_sølv), arnstein bjone, cc by sa 4.0_1

Brunost met een oud model zilveren kaasschaaf. (Foto Arnstein Bjone, CC-BY-SA 4.0)

Bjørklunds prototype van de kaasschaaf bestaat uit vier onderdelen: een schaaf met snijhoek, een hals, een pin en een handvat. De productiemethode, materialen en vormgeving veranderden in de loop van de tijd. In die eerste jaren waren er zo’n 50 tot 60 handelingen nodig voordat één kaasschaaf was gemaakt. Die namen bij elkaar ongeveer een uur in beslag. Inmiddels gaat dat een stuk sneller. Sinds 1925 werden er meer dan vijftig miljoen kaasschaven geproduceerd.

Na de dood van Bjørklund in 1975 bleef de onderneming bestaan. In 2009 volgde echter een faillissement. Gudbrandsdal Industrier AS zette de productie van kaasschaven daarna voort onder Bjørklunds (merk)naam. De ostehøvel is nu een Noors exportproduct en wordt in Noorwegen beschouwd als een symbool van innovatie, kwaliteit en design. Het stuk keukengereedschap wordt in de Scandinavische landen, Nederland, Duitsland, Zwitserland en Frankrijk gebruikt en is met name onder toeristen in Noorwegen en Nederland populair als souvenir.

Van haarkam tot tandenborstel: de firma Jordan

In 1837 arriveerden drie Deense kammenmakers in Oslo, toen nog Christiania geheten. Onder hen Wilhelm Jordan (1809-1879), die het ambacht in Hamburg had geleerd. Een poging om hiermee in zijn geboortestad Kopenhagen de kost te verdienen was mislukt. Nu waagde hij de oversteek naar Noorwegen om er een kammenmakerij op te zetten. Op 5 augustus 1837 ging zijn bedrijf van start. Ruim vijf maanden later verwierf Jordan het Noorse burgerschap en mocht hij zich tevens meesterkammenmaker noemen. De omstandigheden voor zijn bedrijf waren gunstig en hij investeerde daarom in een terrein aan de Skippergaten 44 in Christiania.

Wilhelm_Jordan_(industrialist), cc by sa 3.0

Wilhelm Jordan. (CC-BY-SA 3.0)

Rond 1845 maakte hij plannen om een borstelmakerij te beginnen. Zo’n bedrijf was er op dat moment niet in de stad en Jordan zag er wel brood in. Omdat hij dit vak niet beheerste, ging hij eerst opnieuw in Hamburg in de leer. Samen met een aantal andere borstelmakers keerde hij in Christiania terug en startte daar een goedlopende borstelmakerij. Na de grote stadsbrand in 1858 zag Jordan kansen voor een volgend avontuur. Omdat veel huizen moesten worden herbouwd, zaten meubelmakers verlegen om exotisch hout, in het bijzonder mahoniehout. Aangezien er in de stad geen onderneming was die aan die vraag kon voldoen, richtte Jordan de schreden opnieuw naar Hamburg, waar hij het gevraagde hout inkocht. Daarmee legde hij de basis voor een tweede bedrijf, dat buitenlands hout invoerde en meubelfineer maakte.

3326 Oslo. Parti Skippergaten og Prinsensgate

Rechts Skippergaten in Oslo, waar Jordan zich gevestigd had. (Collectie Nasjonalbiblioteket Oslo)

Het ging Wilhelm Jordan voor de wind. Hij behoorde tot de gegoede burgers van Christiania. Na zijn dood in 1879 nam zijn zoon Fredrik Wilhelm (1841-1911) de kam- en borstelmakerij over. De kammen en borstels werden er nog volledig met de hand gemaakt. Fredrik introduceerde een nieuwe grondstof voor de borstels: piassava (palmvezels). Onder Hjalmar Jordan (1887-1938), die zijn vader na diens dood in 1911 opvolgde, kwamen in het bedrijf sociale voorzieningen tot stand, zoals een pensioenfonds voor de arbeiders. Tegelijkertijd wist Hjalmar door investeringen in moderne machines de productie te optimaliseren. In de jaren twintig was er in heel Noorwegen geen dorp meer te vinden waar geen borstels en bezems van Jordan werden verkocht. Maar toen moest de grote klapper nog komen.

Op zijn reizen had Hjalmar buitenlandse bedrijven gezien waar tandenborstels werden gemaakt. Zakenman die hij was, zag hij hiervoor gunstige perspectieven in zijn eigen land. In 1927 begon hij te experimenteren. De vervaardiging van een tandenborstel bleek een gecompliceerd proces. Er waren heel wat prototypes nodig vooraleer de perfecte tandenborstel de werkplaats verliet. In 1933 bouwde Jordan in Oslo (Sinsen/Løren) de eerste Noorse tandenborstelfabriek. Al snel bediende het bedrijf de helft van de Noorse tandenborstelmarkt en in 1937 zette het met een magazijn in Zweden de eerste stappen in de richting van de buitenlandse markt. Op dat moment produceerde Jordan 225.000 tandenborstels per jaar.

Het bedrijf maakte moeilijke jaren door na de vroege dood van Hjalmar in 1938 en aansluitend de Tweede Wereldoorlog. Maar het herstel volgde spoedig. Jordan voerde tal van innovaties door. In de vroege jaren vijftig werd het varkenshaar in de tandenborstels vervangen door nylon en werden de handvaten in het vervolg van plastic gemaakt. In diezelfde tijd besloot het bedrijf zich volledig te richten op de in karton voorverpakte tandenborstels, die in zelfbedieningswinkels te koop werden aangeboden.

Jordan1952, foto Vilhelm Skappel, Oslo byarkiv, cc by sa 3.0

De bedrijfsgebouwen van Jordan aan de Waldemar Thranesgate in Oslo, 1952. (Collectie Oslo Byarkiv, foto Vilhelm Skappel, CC-BY-SA 3.0)

Eind jaren vijftig kwam bovendien de export nadrukkelijk in beeld, mede om de concurrentie door groeiende import te tackelen die de totstandkoming van een gemeenschappelijke Europese markt met zich meebracht. In 1967 was Jordan wat betreft tandenborstels marktleider in Zweden, Denemarken, Finland, Nederland en Zwitserland. In die tijd kwam er steeds meer oog voor het belang van een goede mondhygiëne en Jordan speelde daar op in met nieuwe producten als tandenstokers, flosdraad en mondwater. De vormgeving van de tandenborstels werd aan ergonomische inzichten aangepast. Ook de verkoop van tandenstokers bleek een groot succes. Daarvoor bouwde Jordan een nieuwe fabriek in Flisa, in het zuidoosten van Noorwegen, dichtbij de plek waar het hout voor de tandenstokers vandaan kwam. In de daaropvolgende jaren zouden meer bedrijfsonderdelen van Oslo naar Flisa verhuizen.

Jordan_børstefabrikk_Unknown_1977_cc by sa 4.0, oslo museum

Het bedrijfsgebouw van Jordan in Oslo, 1977. (Collectie Oslo Museum, CC-BY-SA 4.0)

Omdat Noorwegen geen lid was van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de handel met de lidstaten daarom moeilijker was, besloot Jordan ook een fabriek binnen de EEG te vestigen. De directie koos voor Nederland en liet in 1985 in Kerkrade een fabriek bouwen: Sanodent bv, die onder die merknaam tandenborstels uitbracht. Jordan verkocht Sanodent in 1998 en koos toen voor een Britse vestiging: Wisdom Toothbrush Ltd., waarnaar in 2003 de gehele productie van tandenborstels werd overgebracht. Enkele jaren later zou deze naar Azië worden verplaatst. Naast de producten op het gebied van mondhygiëne maakt Jordan nog steeds huishoudelijke artikelen. Bezems en borstels natuurlijk, maar ook microvezeldoekjes, afwasborstels en keuken- en theedoeken. Bijna alle bedrijfsonderdelen hebben Noorwegen inmiddels verlaten. Alleen de tandenstokers worden nog in Flisa gemaakt.

Bronnen:
Grace Lees-Maffei (ed.), Iconic Designs: 50 Stories about 50 Things, London/New York 2014.
Over de paperclip: websites Early Office Museum, historyblogs en Open Mind.
Over de kaasschaaf: website Bjørklund-1925.
Over Jordan: Jordan’s history op de website van het bedrijf.

Advertenties

Een Hollandse zeeman in het barre Noorden (3) – “Alwaar de naarheid haar troon gesticht heeft”

Bevelhebber Cornelius de Jong begeleidde in 1794 een konvooi Oostindiëvaarders naar Nederland, maar moest vanwege oorlogsomstandigheden naar het neutrale Noorwegen uitwijken. Wachtend op orders uit Nederland nam hij de gelegenheid te baat om zich uitvoerig op de hoogte te stellen van het leven in Noorwegen. In de brieven die hij schreef aan een denkbeeldige vriend en die later werden gepubliceerd, beschrijft hij zijn belevenissen tijdens zijn negen maanden durende verblijf. Zijn spectaculairste uitstapje was een tocht naar Røros, waar hij een kopermijn en -smelterij bezichtigde. Dit is de derde blog uit de serie die aan De Jongs reis is gewijd.

Rendierpelzen en berenhuiden tegen de kou

Met tien mannen aanvaardden ze per slee de reis naar Røros. Onder hen enkele kapiteins van de VOC-schepen, twee zeekadetten en twee Kaapse jongemannen die De Jong onder zijn hoede had. De Jong kleedde zich op de kou met twee hemden, een borstrok, kamizool (ondervest), rok (jasje), overrok (overjas) en daaroverheen een dikke rendierpels. Drie paar kousen en dikke wijde laarzen moesten zijn voeten warm houden en een slaapmuts diep over de oren met daaroverheen een bontmuts zijn hoofd. De handen verdwenen in achtereenvolgens lederen, wollen en bonten handschoenen. De laatste zaten aan de rendierpels vast. Om de hals gingen een gewone das, twee dikke doeken, daarna de hoog opgeslagen kraag van de pelsmantel en daaroverheen een met watten gevulde zwarte zijden zak, die van achteren werd vastgemaakt en de mond, kin en een deel van de wangen bedekte. Ondanks deze bescherming zou een van de mannen bij aankomst op een wang en oor tekenen vertonen van bevriezing. Toen lokale boeren de witte plekken signaleerden, ondernamen ze meteen actie en wreven de plekken in met sneeuw. Dat was de geijkte methode om bevriezingsverschijnselen tegen te gaan.

Acht sleeën en paarden stonden er klaar en verder nog een slee voor de bepakking (kleding en andere benodigdheden) en twee knechten. Elke slee bood plaats aan één persoon en een voerman die de teugels in handen hield. De sleeën hadden aan de achterzijde grote ijzeren ‘krassers’, waarmee geremd kon worden. De voerman had onder een van de hakken van zijn schoenen ook zo’n ‘krasser’. Met een kruikje brandewijn naast zich, de voeten gestoken in een zak van berenhuid en verder bijna helemaal schuilgaand onder een dikke gevoerde berenvacht, was De Jong klaar voor de reis.

Nidelva 2

De Nidelva in een besneeuwd landschap in 2010. (Foto Jan Richard Tallaksen, CC-BY 2.0)

Reizen over een bevroren rivier

Het was hartje winter en het land bedekt met sneeuw. Het eerste deel van de tocht voerde over de bevroren rivier ‘Elve’ (Nidelva). Op sommige plekken had de wind het ijs in de rivier schoongeveegd en kon het gezelschap zich snel verplaatsen. Op plekken waar zich ijsschotsen hadden gevormd of waar het water door de snelle stroom niet bevroren was, moest een andere weg worden gevonden. Over het ijs aan de zijkant van de rivier bijvoorbeeld, of desnoods over land. De paarden konden de steilste hellingen aan. Het laatste deel van de reis ging over het besneeuwde land. Al met al was het een gevaarlijke tocht en ongelukken bleven dan ook niet uit. Toen kadet Akkerman het paard voor zijn slee zelf mende, sprong het weg. De slee stootte tegen een vastgevroren ijsschots, waardoor hij omviel, rondtolde en door het op hol geslagen paard werd voortgesleept. De kadet stond doodsangsten uit, het toekijkende gezelschap eveneens, maar de jongeman wist uit de slee te komen. Het paard werd een eind verderop door boeren gestopt. De Jong zelf trof een dronken voerman en wild paard en werd tot drie keer toe met zijn slee omvergegooid.

Kopermijn en smelterij

In de avond van de tweede dag bereikten ze in de snijdende kou eindelijk Røros. De onderneming lijkt maar één doel te hebben gehad: bezichtiging van een kopermijn en -smelterij. De koperwinning was een lucratief bedrijf voor de welgestelden uit Trondheim. Zij bezaten aandelen erin, waarvan de waarde overigens afnam omdat de mijn uitgeput raakte. In Røros leerde De Jong de schaduwzijde van het bedrijf kennen.

mijnstad røros, 2014, foto Esther Westerveld, cc by 2.0_1

Restanten van het oude mijnbedrijf nabij Røros in 2014. (Foto Esther Westerveld, CC-BY 2.0)

Het gezelschap bezocht allereerst een van de smelterijen (smeltehytter). De ruwe erts die vanuit de mijn werd aangevoerd, lag op grote hopen voor de smelterij. Daaronder een smeulend vuur. Er hing een ondragelijke zwavelstank. De erts werd verscheidene malen gebrand en gesmolten. Het moet er als een inferno hebben uitgezien. Grote ketels hingen boven vuren, die werden aangewakkerd met op waterkracht aangedreven blaasbalgen. In het laatste stadium werd het ‘zwartkoper’ aan de kook gebracht totdat kleine kegelvormige stukjes koper als vonken uit de borrelende massa wegschoten. Deze ‘koperen regen’ was het signaal dat de massa voldoende gekookt was. Het vuur ging uit en de substantie werd met water geblust, waardoor ze stolde. Met een houten schep werd het koper er in lagen afgeschept. Na te zijn afgekoeld werden de grote ronde schijven in het magazijn opgeslagen tot ze in de winter met sleden (goedkoop en efficiënt) naar Trondheim konden worden getransporteerd. Van daaruit ging het per schip naar onder meer Holland en Engeland.

Olavsgruva Røros, foto Lars Geithe, 2008, cc by 2.0_1

Olavsgruva bij Røros, 2008. (Foto Lars Geithe, CC-BY 2.0)

De stank en hitte maakten de smelterijen tot een hel. In de kopermijnen waren de omstandigheden zo mogelijk nog deprimerender. Uit de ingang kwamen damp en rook hen tegemoet. In de groeve – een doolhof van onderaardse gangen – was het bloedheet en het rook er naar zwavel en buskruit. Sommigen moesten terug om verse lucht “te scheppen”. De bezoekers zagen hoe de kopererts werd gewonnen uit twee aderen van elk een kleine voet (circa 30 cm) breed. Eerst maakten twee arbeiders een gat in de rots. Een van hen zette daartoe een lange, dikke ijzeren staaf in de rotswand en draaide deze om en om, terwijl de andere arbeider er met een grote hamer op sloeg. Als het gat diep genoeg was, werd het gevuld met buskruit. Alvorens dit werd aangestoken, schreeuwden de werkmannen waarschuwingen naar de andere werklieden. Die klonken “akelig hol” in de groeve. Met donderend geraas sprong daarna een deel van de rots. Het losgeslagen gesteente werd in kruiwagens en karren naar de uitgang gebracht.

geoxydeerd koper in Nyberget gruve, foto Lars Geithe 2008, cc by 2.0_1

Geoxydeerd koper in de Nyberget Gruve. (Foto Lars Geithe, CC-BY 2.0)

Alle inwoners van Røros waren op de een of andere manier afhankelijk van de kopermijnen. De Jong was geraakt door de ellendige omstandigheden waarin zij leefden. De smelterij had honderdtwintig arbeiders in dienst: magere, bleke mannen, die een ongezond leven leidden te midden van de zwaveldampen en hete vuren. Ze werden slecht betaald. Hun dagelijks menu bestond uit grutten en melk, ze aten zelden vlees of vis. En dan de arbeiders in de mijnen: “Ik beklaag de smelters te Röraas, maar bejammer de gravers; zij verdienen veel meer medelijden. Waarlijk het lot der galeij-slaven, die ik in Algiers zoo dikwijls gezien en gesproken heb, is dragelijker.” De Jong nam een kijkje in de donkere vertrekken waar de mijnwerkers woonden: plaatsen “alwaar de naarheid haar troon gesticht heeft”.

Hut in Roros, Norway

Huizen van mijnwerkers in Røros. (CC BY SA 3.0)

Saami als attractie

Tijdens het verblijf van De Jong en zijn medereizigers sloeg een kleine groep Saami in Røros zijn tenten op. Na de komst van de kopermijnen meer dan honderd jaar geleden hadden veel Saami, die hier in de winter met hun rendierkudden leefden, het gebied de rug toegekeerd. De Jong nodigde de “Finnen” – drie mannen, twee vrouwen en een kind – uit voor de deur van zijn verblijf plaats te nemen. Hij geeft de lezer een nauwkeurige beschrijving van hen, iets wat overigens past in zijn tijd waarin de belangstelling voor ‘vreemde’ volkeren groot was. Naar hedendaagse maatstaven voelt het ongemakkelijk. Hij aanschouwde hen als waren zij een kermisattractie en bovendien was hij weinig positief over hun fysieke kenmerken. De Saami waren volgens hem klein, bruingeel en onaanzienlijk. Ze hadden uitstekende jukbeenderen (als Hottentotten) en hun ogen waren “lelijk, als die der Chineezen”. Hij had vernomen dat de vrouwen in het algemeen vroeg oud waren en de Saami op vijftigjarige leeftijd blind door hun leven in de sneeuw en de rook in hun tenten.

sami, foto omstreeks 1900, cc by 2.0

Saami op een prentbriefkaart omstreeks 1900. (CC-BY 2.0)

Met bewondering keek De Jong daarentegen naar de behendigheid en snelheid waarmee zij zich in hun sleden voortbewogen. Zelf had hij een paar maal met zijn slee ondersteboven in de sneeuw gelegen, hier zag hij hoe de Saami na zo’n ongeluk vliegensvlug weer in hun slee sprongen – die overigens een andere vorm had en door een rendier werd getrokken – en rap verder gingen. “Nadat de Finnen ons genoeg vermaakt hadden, gaven wij hun eene fooi en meenden onzen dag zeer wel besteed te hebben.” De dag erna aanvaardde De Jong met zijn gezelschap de terugreis naar Trondheim.

In de volgende en laatste blog gaat De Jong op huis aan, een reis die hem dwars door Noorwegen zal voeren.

Enkele jaren voordat De Jong Røros bezocht, was hier met geld uit de nalatenschap van een mijndirecteur een armenfonds gesticht. De Jong maakt hiervan overigens geen melding. Lees over dit initiatief het verhaal Koper en dekens uit Røros.

Bronnen:
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ‘s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 2, Haarlem 1802 (ook online).

Koffie in Noorwegen

Koffie drinken de Noren net zo graag als de Nederlanders. Sloten koffie dus. En net als in Nederland begon koffie in Noorwegen honderden jaren geleden zijn opmars als luxeproduct, om in de negentiende eeuw in alle lagen van de bevolking door te dringen. Hoe smaakte een Noors bakje toen? En wat heeft koffie in dit land te maken met vis en de Lutherse kerk?

Kaffekiele

In de boedel van een rijke hooggeplaatste douanebeambte in Christiania (Oslo) bevindt zich volgens een beschrijving uit 1694 een ‘kaffekiele’ (koffiepot). Het is de oudste aanwijzing dat er in Noorwegen koffie werd gedronken. Mogelijk is dit gebruik meegekomen met Deense beambten die in Noorwegen werden gestationeerd, nadat dit land onder de Deense koning was gekomen. En de Denen zullen het koffie drinken hebben opgepikt toen dit gebruik begin zeventiende eeuw vanuit Turkije Europa bereikte.
Koffie was in Noorwegen in de begintijd voorbehouden aan de kleine gegoede bovenlaag van rijke kooplieden en adel. Het was toen een schaars en duur product. Koffie werd in apotheken verkocht als laxeermiddel, maar belangrijker was de functie als genotsmiddel. Koffie dronk je in gezelschap, bijvoorbeeld tijdens damesvisites. Tijdgenoot en schrijver Ludvig Holberg ontging het effect van het kopje koffie niet. ‘Zodra het duivelse gebrande brouwsel over de lippen van de dames gaat, beginnen hun monden te klapperen als pepermolens’, laat hij een van zijn personages zeggen in het toneelstuk Barselstuen (1722).

KMS506

Motiv fra Ludvig Holberg: Barselstuen, schilderij door Wilhelm Marstrand,1845. (Statens Museum for Kunst, Denemarken)

Goedkope luxe

Eind achttiende eeuw consumeerden de Noren per hoofd van de bevolking zo’n 20 tot 35 koppen koffie per jaar. Tegenwoordig drinkt de gemiddelde Noor zo’n hoeveelheid in één week. Vergeleken met andere landen was het toenmalige verbruik in Noorwegen wel hoog. Dat er zoveel koffie werd gedronken had vooral te maken met de lage prijs ervan. Omdat Noorwegen deel uitmaakte van het Deense koninkrijk kon het land profiteren van de door de Denen gecontroleerde vrijhaven op de Maagdeneilanden. Over goederen die via deze haven naar Denemarken of Noorwegen werden getransporteerd, hoefde geen belasting te worden betaald. Zo beschikten de Denen en Noren over goedkope koffie.

Maar onbekommerd was het leven van de toenmalige koffieliefhebber niet. De Deense koning vond dat de consumptie van luxeartikelen, waartoe ook koffie werd gerekend, uit de hand liep en stelde er een verbod op in. Dat was van 1783 tot 1799 van kracht. Op dat moment vond de koning de Lutherse kerk aan zijn zijde. De kerk veranderde echter van standpunt toen ze inzag dat koffie een goed alternatief was voor alcoholische dranken. Vooral nadat in 1816 in Noorwegen het thuis distilleren was toegestaan, nam het gebruik van sterke drank flink toe. Dat baarde de kerk én de snel groeiende Noorse matigheidsbeweging grote zorgen. Zij propageerden nu het drinken van koffie in een poging het gebruik van sterke drank te beperken. Toen in 1842 het thuis distilleren werd verboden, was koffie in alle lagen van de bevolking doorgedrongen, zowel in de grote steden aan de kust als op het platteland.

koffiepauze bij bouw bedrijf Elvheim in Åsen (1923), foto coll. Åsen Museum og Historielag

Koffiepauze bij de bouw van een bedrijfsgebouw in Åsen, 1923. (Collectie Åsen Museum og Historielag, CC-BY-2.0)

Het gemiddelde verbruik per hoofd van de bevolking lag midden negentiende eeuw op zo’n 250 koppen per jaar, ongeveer het tienvoudige van vijftig jaar eerder. En omdat koffie in de daaropvolgende decennia alleen maar goedkoper werd – een gevolg van lagere invoerrechten en een dalende prijs op de wereldmarkt – groeide het gebruik alleen maar meer. Tot ontzetting van medici overigens, die zich zorgen maakten over de vele kinderen die in plaats van melk al koffie dronken.

Noorse kooplieden hadden zich intussen toegelegd op de handel in koffie. Hun schepen die met gedroogde gezouten vis naar Brazilië voeren, namen op de thuisreis koffiebonen mee. Zo deed koopman Herman Friele (1763-1843) uit Bergen dat bijvoorbeeld. Zijn grossiershandel ontwikkelde zich tot de bekende Noorse koffiebranderij Friele.

Een kwestie van smaak

Om van koffiebonen drinkbare koffie te kunnen maken, worden de bonen na de oogst eerst gedroogd, daarna gebrand en ten slotte gemalen. Zo gaat dat althans tegenwoordig. Maar de meeste Noren dronken tot ver in de negentiende eeuw koffie van ongebrande bonen. Koffie van gebrande bonen verloor, zo vonden de kenners, al snel zijn karakteristieke aroma en vaak waren de voorgebrande koffiebonen die verkocht werden veel te lang gebrand of – erger nog – verkoold, waardoor de koffie helemaal niet meer te drinken was. Ook de duur van het drogen deed er overigens toe. Bonen die te snel op de markt werden gebracht, gaven geen lekkere koffie.

In het kookboek Kogebog for Folkeskole og Hjemmet uit 1891 legt Dorothea Christensen uit hoe een goede huisvrouw koffie maakt. Benodigd zijn één liter water, twee eetlepels hele koffiebonen en een heel klein beetje vissenhuid. De koffiebonen moeten fijn gemalen worden. Als het water kookt kan de gemalen koffie erbij, evenals de vissenhuid om het mengsel te klaren. Het geheel moet aan de kook blijven totdat alle koffiegruis naar de bodem is gezakt. Dat duurt maximaal tien minuten. Dan kan de ketel van het vuur en als de koffie even heeft gestaan, kan ze worden gedronken. Sommigen lieten het brouwsel overigens veel langer koken, soms wel een uur.

kaffebål, foto Ole Husby, cc-by-sa-2.0

Hedendaagse koffie op het vuur. (Foto Ole Husby, CC-BY-SA-2.0)

Net als in Nederland was het ook in Noorwegen enige tijd gebruikelijk om surrogaatkoffie te drinken, veelal gemaakt van (geïmporteerde) cichorei of van andere ingrediënten, variërend van paardenbloemwortels tot aardappelen, kastanjes of bonen. Volgens het recept van Dorothea Christensen diende op het eind een klein beetje paardenbloem (vermoedelijk de wortels van deze plant) aan de koffie te worden toegevoegd.

Industriële koffiebranderij

Koffie van ongebrande bonen raakte uiteindelijk uit de gratie. In de jaren 1880 verkochten de meeste kruideniers in Christiania al gebrande koffiebonen. Het branden deden ze zelf. De bonen werden met een beetje olie in een metalen trommel, die voortdurend gedraaid moest worden, boven het vuur verwarmd. Het kwam aan op de juiste temperatuur en tijd en het vroeg de nodige vaardigheid om dit goed te kunnen. Behalve op de geur – die de hele winkelstraat kon vullen – ging de brander af op zijn intuïtie. Lang bleef dit echter geen ambachtelijk werk. Binnen tien jaar werd in Noorwegen het startschot gegeven voor machinaal koffiebranden. Koffiehandelaar Friele kocht in Duitsland de benodigde machines en opende in Bergen in 1890 de eerste industriële koffiebranderij van Noorwegen.

Friele kaffe, foto Dekcuf, cc by sa 2.0

Koffie van Friele in diverse variëteiten. Van links naar rechts: ontbijtkoffie, noorderlichtkoffie, paaskoffie en kerstkoffie. (Foto Dekcuf, CC-BY-SA-2.0)

Nog eenmaal was het Noorse kopje koffie in gevaar. Dat was tijdens de Tweede Wereldoorlog toen koffie op de bon ging en de aanvoer stokte. Noorse handelaren vonden een oplossing door de retourhandel met klipvis op Brazilië nieuw leven in te blazen. Nog steeds komt de helft van alle in Noorwegen geïmporteerde koffie uit dit Zuid-Amerikaanse land. Na de oorlog bleef koffie nog jarenlang schaars. Forse subsidies van de regering op échte koffie konden niet voorkomen dat surrogaatkoffie opnieuw terrein won. Ook bleven de Noren vooralsnog een voorkeur houden voor slappe koffie die lang op het vuur had staan pruttelen, net zoals in de negentiende eeuw gebruikelijk was.

Toen de welvaart in Noorwegen in de jaren zestig in rap tempo toenam, ging het met de koffie hard. Naast koffiebrander Friele werden nieuwe koffiebranderijen opgericht en in de steden kwamen ‘koffiehuizen’ op die vorm gaven aan een nieuwe koffiecultuur. Maar ook in de gewone keuken veranderde het koffiezetten. Koffiezetapparaten waarvoor snelfiltermaling nodig was, deden hun intrede, alsmede percolators. Koffie werd goedkoper en de talrijke variëteiten die op de markt kwamen hadden elk een uniforme smaak, zodat de consument wist wat hij kon verwachten.

Tim Wendelboe, foto djanimal, cc by 2.0

Tim Wendelboe in Oslo, een van de bekendste koffiebars in Noorwegen. (Foto djanimal, CC-BY-2.0)

Ritme en gezelligheid

Koffie maakte deel uit van de huiselijke gezelligheidscultuur, die zich ook in Noorwegen sterk heeft ontwikkeld. Vrouwen – het werd tot hun taak gerekend – bekwaamden zich al aan het eind van de negentiende eeuw in het zetten van een goede kop koffie en er ontwikkelde zich een etiquette rond het serveren ervan. Een goede huisvrouw schonk de koffie in de keuken in de kopjes om die vervolgens in de salon te serveren. Koffie gaf ritme aan de dag en aan het leven. Net als in Nederland was ook in Noorwegen het leren koffie drinken een stap in de ontwikkeling van kind naar volwassene. Daarnaast wordt de koffiecultuur in Noorwegen sinds de jaren zestig vormgegeven door koffiebars in de grote steden. Bekende koffiebars in Oslo als Fuglen en Tim Wendelboe zijn er de aanjagers van. En voor de jacht op het perfecte kopje koffie is er in Oslo zelfs een Barista School. De Noren behoren nog steeds tot de grootste koffieconsumenten ter wereld en ze hebben hun voorkeur voor licht geroosterde koffie behouden. Een ‘Nordic’ smaak en aroma dus, waarmee ook de Noorse koffiebars zich onderscheiden.

Bron:
A history of coffee in Norway, part 1-5, op www.nordiccoffeeculture.com.

Noorse iconen: vergeten meubeldesign uit het Hoge Noorden

Ook in Nederland verschenen ze in de huiskamers. Noorse meubels stonden in het midden van de twintigste eeuw in binnen- en buitenland hoog aangeschreven. In die jaren rolden er van de tekentafels en werkbanken in Noorwegen designproducten van hoge kwaliteit met een nieuwe vormgeving. Wie zijn de belangrijkste meubelontwerpers uit die tijd, hoe onderscheiden hun meubels zich en waarom hoorden we nauwelijks nog van hen?

Na de Tweede Wereldoorlog lieten Noorse ontwerpers, net als Deense en Zweedse, de rationele, ordelijke ontwerpen uit het functionalisme, dat vóór de oorlog hoogtij had gevierd, achter zich. In plaats daarvan introduceerden zij organische vormen met golvende lijnen. Voorboden ervan waren al in de vroege twintigste eeuw zichtbaar in de art nouveau. Elegantie, schoonheid en ambachtelijkheid keerden als waarden terug, al verdween het belang van praktische functionaliteit niet.

599, kayser, norwegianicons

Schommelstoel model 599, ontwerp Fredrik Kayser. (Foto www.norwegianicons.com)

Fredrik Kayser

De Noorse ontwerper die de organische vormentaal in het meubeldesign tot grote hoogte stuwde, was Fredrik Kayser (1924-1968). De door hem ontworpen stoel Kryss (1955) en schommelstoel 599 (1958) kenmerken zich door hun esthetisch lijnenspel en behoren tot de top van wat Noorwegen midden twintigste eeuw te bieden had.

Van timmermansknecht tot meubeldesigner

Maar het was niet Kayser die het pionierswerk verrichtte. Dat deed de timmermansknecht Alf Sture (1915-2000). Sture kwam in 1940 in dienst bij ontwerpbureau Hiort & Østlyngen en ontwierp nog in datzelfde jaar model 1036. Deze stoel markeert de overgang van het harde functionalisme naar meer organische vormen. Sture liet in het ontwerp alle onnodige details achterwege, zodat alleen de functionele delen het ontwerp uitmaakten. Maar de lijnen zijn niet hard en strak, eerder zacht en organisch. De zitvorm was gebaseerd op studies van de menselijke anatomie. Model 1036 werd een voorbeeld voor veel andere Noorse stoelen.

model 1036, sture, norwegianicons_1

Model 1036, ontwerp Alf Sture. (Foto www.norwegianicons.com)

Comfort

Comfort had in het vooroorlogse functionalisme weinig aandacht gekregen. De ‘organische’ meubelen die nu werden ontworpen, boden mogelijkheden om te worden afgestemd op het menselijk lichaam. Dergelijke meubels werden populair toen televisietoestellen zich een weg baanden naar de huiskamers. Mensen wilden ’s avonds ontspannen televisiekijken en het zitmeubilair werd daarop aangepast. Een goed voorbeeld van zo’n stoel is Siesta (1965) van Ingmar Relling (1920-2002): eenvoudig, harmonieus, klassiek, zonder onnodige details en bovenal… comfortabel. Siesta werd een groot commercieel succes. Meubelfabriek LK Hjelle produceert de stoel nog en Relling verwierf er internationale bekendheid mee.

Siesta_Classic_brown_canvas-1400x678

Siesta, ontwerp Ingmar Relling, productie LK Hjelle. (Foto www.hjelle.no)

Ook in de jaren zeventig en tachtig onderscheidden Noorse meubelontwerpers zich met ergonomische ontwerpen. Jens Ekornes ontwierp Stressless (1971) en Terje Ekstrøm tekende voor Ekstrem (1972), een stoel die pas in de jaren tachtig een succes zou worden. Peter Opsvik werd in Nederland bekend met de populaire Tripp Trapp kinderstoel (1973). Een peuter lekker laten zitten en dat direct aan tafel, dat was het idee achter deze stoel. Later werd Opsviks Balans-serie geïntroduceerd. De eerste zitmeubels uit deze serie kwamen in 1979 op de markt. Ze waren revolutionair, omdat ze de gebruiker tot nieuwe zitposities dwongen.

tripp trapp, opsvik, norwegianicons_1

Tripp Trapp, ontwerp Peter Opsvik. (Foto www.norwegianicons.com)

Ambacht en industrie

Niet alleen de gewoonten van consumenten en de vormentaal van designers waren vanaf de jaren vijftig aan verandering onderhevig. Ook met materialen en technieken werd volop geëxperimenteerd. Eeuwenoude tradities in het meubelambacht hadden een schat aan kennis opgeleverd, maar de veranderde tijden stelden nieuwe eisen. De meubels moesten in serie geproduceerd kunnen worden en er waren nauwkeurige constructietekeningen nodig.

Noorse ontwerpers zochten naar wegen om ambacht en industrie met elkaar te verzoenen. Alf Sture leverde met stoel 1036 als een van de eersten een fraaie combinatie van traditioneel handwerk en industriële productie. Een andere stoel op dit kruispunt is Bambi (1950) van het ontwerpbureau Rastad & Relling. Bambi wordt gerekend tot de mooiste en meest artistieke stoelen die in Noorwegen zijn gemaakt.

bambi, rastad & relling, norwegianicons_1

Bambi, ontwerp Rastad & Relling. (Foto www.norwegianicons.com)

De industrie vroeg rationele productiemethoden en een van de meest begaafde meubeltekenaars die daaraan voldeed, was Sven Ivar Dysthe (1931). Heel bekend werden zijn stoelen 1001 (1960) en Popcorn (1968). Dysthes meubels werden over de hele wereld verkocht.

Popcorn, dysthe, dysthedesign_1

Popcorn, ontwerp Sven Ivar Dysthe. (Foto www.dysthedesign.no)

Nieuwe materialen

Ook werd in deze jaren volop geëxperimenteerd met materialen. Hout had tot die tijd de meubelindustrie gedomineerd, maar nu verschenen ook meubels van kunststof en metaal, materialen die geschikt waren voor industriële serieproductie. Bendt Winge (1907-1983) ontwierp de kunststof stoel R-49. Omdat deze stoel stapelbaar was, werd hij een geliefd item in cafetaria’s. Deze en andere stoelen in de R-serie worden nog steeds gemaakt.
Bjørn Engø (1920-1981) was wat materiaalgebruik betreft een van de meest radicale Noorse ontwerpers. Hij begon al vroeg (in 1947) staal en aluminium te gebruiken. De stijl waarin hij werkte, werd in Noorwegen wel erg experimenteel gevonden.

Door de toename van de welvaart ontstond er ook belangstelling voor exclusieve materialen. De meubels in palissander en leer van Fredrik Kayser gaan door voor het beste in hun soort uit de jaren vijftig en zestig.

dressoir van rozenhout, kayser, norwegianicons_1

Dressoir van rozenhout, ontwerp Fredrik Kayser. (Foto www.norwegianicons.com)

Ten slotte deed in deze periode ook gelamineerd hout zijn intrede. Hans Brattrud (1933) ontwierp in 1957 zijn Scandia stoelen van gelamineerd multiplex. In de toepassing van gelamineerd hout was Brattrud in Noorwegen een voorloper. Deze technieken deden al in de jaren dertig opgeld in Zweden en Finland, maar beleefden in Noorwegen pas in het midden van de jaren zestig hun doorbraak.

scandia, brattrud, norwegianicons_1

Scandia, ontwerp Hans Brattrud. (Foto www.norwegianicons.com)

Kweekkamer

De grote kweekkamer van het Noorse meubeldesign was de Statens Håndverks- og Kunstindustriskole in Oslo, waar nagenoeg alle vooraanstaande Noorse ontwerpers hun opleiding genoten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was men zich hier gaan richten op het ontwerpen van lichte en functionele meubeltypen. Kayser bijvoorbeeld werd zeer beïnvloed door deze lijn. Hij werkte na zijn opleiding enige tijd bij het al eerder genoemde Rastad & Relling, opgericht in Oslo in 1944. Dit bureau nam tot de jaren zeventig evenzeer een centrale plaats in bij de ontwikkeling van het Noorse meubeldesign. Vele getalenteerde designers begonnen hun carrière hier.

Belangrijk waren de uitstekende contacten die Rastad & Relling had met de snel groeiende meubelindustrie in het westen van Noorwegen. Bijvoorbeeld met Gustav Bahus in Os (bij Bergen), die de eerder vermelde stoel Bambi en andere exclusieve meubels van Rastad & Relling in productie nam.

eettafel Rastad & Relling, Gustav Bahus, norwegianicons_1

Eettafel, ontwerp Rastad & Relling, productie Gustav Bahus. (Foto www.norwegianicons.com)

Ook andere fabrikanten speelden een belangrijke rol. Stryn, een plaatsje aan het Nordfjord, werd een centrum van de Noorse meubelindustrie. In 1939 werd hier Stryn Møbelindustrie opgericht en in 1946 Tonning Møbelfabrikk. De laatste produceerde vanaf begin jaren zeventig de meubels van Alf Sture, die al veel langer voor de fabriek tekende. In 2013 gingen de twee meubelfabrieken in Stryn samen als Tonning & Stryn.

Een ander toonaangevend bedrijf is LK Hjelle, opgericht in het begin van de jaren veertig nabij Ålesund aan de westkust. De fabriek werd aan de kust gebouwd vanwege de gunstige transportmogelijkheden. Tot de jaren tachtig werd veel geëxporteerd, ook naar Nederland. De fabriek bestaat nog steeds en verscheidene modellen maken al dertig jaar deel uit van de collectie.

Inspiratie uit Scandinavië en Japan

Voor Noorse ontwerpers was de traditionele meubelmakerij in eigen land een inspiratiebron, evenals het toenmalige moderne design uit Zweden en Denemarken. Torbjørn Afdal (1917-1999) bijvoorbeeld werd sterk beïnvloed door de Deense meubelkunst. Hij had een verfijnd gevoel voor vorm en materialen en ontwikkelde een architecturale stijl. Zo ontwierp hij de multifunctionele bank Krobo (1960) met verrassende gebruiksmogelijkheden. De bank is nog steeds in productie en het hedendaagse designersduo Anderssen & Voll ontwierp er accessoires bij.

FF_Krobo_150_oak_accessories_6_small, fjordfiesta

Krobo, oorspronkelijke ontwerp Torbjørn Afdal, hedendaagse accessoires ontworpen door Anderssen & Voll. (Foto www.fjordfiesta.com)

Behalve de Scandinavische buurlanden deed ook Japan zijn invloed gelden. De warme, natuurlijke en eenvoudige esthetiek uit Japan vormde evenzeer een antwoord op het strakke en koude modernisme van voor de oorlog. De Japanse invloed is bijvoorbeeld terug te zien in de oorspronkelijke inrichting van Kaffefuglen (1963), een café in Oslo dat zich nu onder de naam Fuglen een groot promotor betoont van het Noors design uit het midden van de twintigste eeuw.

Norwegian Icons

Het iconische Noorse design van de jaren vijftig en zestig raakte later in vergetelheid. Net als elders in Europa was een tijd van overvloed aangebroken, zeker voor Noorwegen dat ook nog eens kon profiteren van zijn oliebronnen. De belangstelling voor het eigen design raakte op de achtergrond. Gebruiksvoorwerpen werden uit het buitenland geïmporteerd, waar ze in massaproductie werden gemaakt. Inmiddels zijn er voor het Noors design betere tijden aangebroken. De ‘Norwegian Icons’ uit het midden van de twintigste eeuw maken nu onderdeel uit van een campagne om Noors design op de (wereld)kaart te zetten. Net als de ontwerpers van toen, die beseften dat traditionele technieken betekenis hadden voor nieuw design, verloochent ook de huidige generatie designers zijn wortels dus niet.

Bronnen:
Norsk Biografisk Leksikon
Norsk Kunstnerleksikon
Katie Treggiden, The return of the icons, op www.norwegianarts.org.uk
Katie Treggiden, Probably Danish, op www.norwegianarts.org.uk
www.norwegianicons.com
www.fuglen.com

Koper en dekens uit Røros

Het oude mijnstadje Røros, in het oosten van Noorwegen, ademt geschiedenis en is tegelijkertijd een centrum van moderne Noorse wolfabricage. De ongeveer tweeduizend huizen, veel daarvan met karakteristieke zwarte houten gevels, werden in de 17de en 18de eeuw gebouwd. Ze waren in 1980 voor Unesco reden om het stadje op de Werelderfgoedlijst te plaatsen. Achter de gevels gaan verhalen schuil van nijpende armoede, van een weldoener die zich het lot van de minder bedeelden aantrok en van een innovatieve nijverheid die daaruit voortkwam.

Lillegaten in Røros na een sneeuwstorm, olieverfschilderij door Harald Sohlberg, 1903. (Nasjonalmuseet Oslo)

Lillegaten in Røros na een sneeuwstorm, olieverfschilderij door Harald Sohlberg, 1903. (Nasjonalmuseet Oslo)

Toen in 1644 werd ontdekt dat er bij Røros koper in de grond zat, leidde dat tot een bloeiende mijnindustrie. Tot die tijd lagen hier in de omgeving verspreid een aantal boerderijen. Op de zomerweiden in de bergen liep wat vee. Behalve boeren woonden er in deze streek ook Sami. Na de opening van de kopermijnen vertrokken zij en legden ze zich toe op een nomadisch bestaan als rendierhouder.

Mijnbouw

De eerste van de in totaal veertig kopermijnen rond Røros ging in 1646 open. Het gedolven koper werd ter plekke gesmolten. Er waren twaalf smelterijen. De grootste stond in Røros zelf. Duitse, Deense en Zweedse immigranten vonden in het stadje werk. Zij bezaten veel kennis over mijnbouw en die kennis kon hier goed worden benut. Al met al was de koperwinning 333 jaar lang bestaansbron nummer één in Røros. De kopermijnen gingen in 1977 failliet. De smelterij was al in 1953 gesloten.

De opbrengsten van de mijnbouw waren in de 17de eeuw zeer lucratief voor de Deense koning, die ook koning van Noorwegen was. De lokale boeren daarentegen hadden er weinig voordeel van. Zij waren verplicht om in de mijnen te gaan werken. Daar stond wel enige betaling tegenover, maar veel was het niet. Noodgedwongen moesten zij ook omzien naar aanvullende middelen van bestaan. Daarvoor kregen ze één dag per week en één maand per jaar vrij. De mijnwerkers combineerden het werk in de mijn met landbouw. Anderen legden zich mede toe op houthakkerswerk. In de smelterijen was veel hout nodig en dat was in de bossen rondom Røros volop voorradig. Vrouwen verdienden bij in de huishoudens van de beter gesitueerden. Maar rijk werden de arbeiders er niet van. Ze leefden in armoede en in extreme omstandigheden. Het gebied rond Røros was erg afgelegen. Een berglandschap met lange winters, waarin het erg koud kon zijn.

Textiel

Peder Hiort, directeur van de kopermijn, trok zich het lot van de mijnwerkers aan. Na zijn dood in 1789 bleek hij een fortuin te hebben nagelaten dat was bedoeld voor de stichting van een fonds waaruit de scholing van armen tot textielarbeiders kon worden betaald. Ook bekostigde het fonds de aanschaf van de benodigde wol. De arbeiders maakten zich het textielvak eigen en begonnen kleding te maken. Het fonds kocht de kleding van hen op en schonk deze eenmaal per jaar – in de zomer – aan de armen. Menig arbeider ontving zo de door hem zelf gemaakte kledingstukken weer terug.

Sleggvegen in Røros in de moderne tijd. (foto Randi Hausken, cc by-sa 2.0)

Sleggvegen in Røros in de moderne tijd. (foto Randi Hausken, cc by-sa 2.0)

Volledig Noors

Hiort legde in Røros de grondslag voor een belangrijke traditie van ambachtelijke textielproductie. Lange tijd bleef dit handwerk. In 1940 vestigde zich een verkoopkantoor in Røros, dat het toen nog handgemaakte textiel ging verkopen. In de tweede helft van de 20ste eeuw groeide het verkoopkantoor uit tot een volwaardige, moderne fabriek, waar behalve dekens en plaids ook wollen sierkussens worden gemaakt. De productieketen begint met de wol van schapen die op de Noorse bergweiden grazen en is verder ook 100 procent Noors.

Meer informatie is te vinden op:
Røros Mining Town and the Circumference, op de website van Unesco.
Website van Røros Tweed.