Een Hollandse zeeman in het barre Noorden (slot) – Over land naar huis

Marineofficier Cornelius de Jong belandde in het najaar van 1795 met het konvooi Oostindiëvaarders dat hij naar Nederland begeleidde in de haven van Trondheim. Oorlogsomstandigheden hadden hem doen uitwijken naar het neutrale Noorwegen, waar hij nadere orders uit Nederland afwachtte. Maandenlang verbleef hij hier en leerde hij het leven in het hoge Noorden van dichtbij kennen. In brieven aan een denkbeeldige vriend, die later werden gepubliceerd, beschreef hij zijn wederwaardigheden.

Een oude mismaakte matrone

Na bijna acht maanden in Trondheim ontving De Jong orders om de thuisreis te aanvaarden. Op 14 mei 1796 lichtten de schepen hun ankers. Omdat twee Engelse oorlogsschepen de achtervolging op hen hadden ingezet, zocht De Jong met zijn schepen ruim twee weken later beschutting in de haven van Bergen. Hij voelde zich er niet veilig. De Noorse versterkingen waren in zijn ogen onvoldoende en hij twijfelde of zijn eigen oorlogsfregatten aan de ingang van de haven sterk genoeg waren om vijandelijke schepen te beletten de haven binnen te dringen. Bovendien had hij gehoord dat de neutraliteit van de Noorse havens elders een wassen neus was gebleken. Hij voelde zich in Bergen slecht op zijn gemak en de stad zelf deed daar weinig goed aan. Het regenachtige Bergen was als “een oude mismaakte matrone, wier gemelijk humeur, vervelendheid en lastige etiquette alle menschen van zich verwijdert”. Wat een verschil met het bevallige Trondheim.

bergen 2001, foto Dean Morley, cc by nd 2.0

Ondanks zijn besloten ligging was de haven van Bergen weinig veilig voor de schepen van De Jong. Foto uit 2001. (Foto Dean Morley, CC BY-ND 2.0)

Midzomer

De viering van Sankthansaften, het midzomerfeest, op 23 juni maakte iets goed. Tegen een berghelling vlakbij de stad werden manden en tonnen op stokken gezet en in brand gestoken. Er waren kraampjes met bier, brandewijn en jenever en tafels waar koek, brood met kaas, worst en saucijzen, varkenskluifjes en andere versnaperingen werden verkocht. Vioolspelers en potsenmakers vermaakten het publiek. Intussen had men op het water en de omliggende bergen grote hopen hout en stro in brand gestoken. Ze brandden de hele nacht, terwijl het publiek joelde, sprong en danste. Het tafereel stemde De Jong wat milder over Bergen. Hij constateerde dat wanorde en onbetamelijk gedrag achterwege bleven en dat er zelfs geen ordebewakers nodig waren. “Een nieuw bewijs van de geschiktheid van den gemeenen man in Noorwegen.”

Net als in Trondheim verkeerde De Jong in Bergen in de hoogste kringen. Hij bezocht de Hollandse consul te Bergen, Jan Hendrik Fasmer, op diens buitenverblijf en woonde de huwelijksplechtigheid bij van de zoon van de Franse consul. Het oponthoud in Bergen duurde veel langer dan verwacht. Engelse fregatten kruisten onophoudelijk voor de kust. Het leek onmogelijk om Noorwegen over zee te verlaten. Daarom kreeg De Jong opdracht om de terugreis over land aan te vatten. Hij droeg het bevel van zijn schip de Scipio over aan de eerste luitenant en nam “niet zonder aandoening” afscheid van zijn bemanning. Op 17 juli vertrok hij onder elf daverende saluutschoten en een driewerf hoezee van de bemanning. Zijn reisgezelschap bestond uit een bediende en luitenant Akkerman, die hij als kadet vanaf Kaap de Goede Hoop had meegenomen.

Per boot en paard

Op zijn tocht, die per boot tot het eind van de Sognefjord en daarna met paarden over land tot aan de Zweedse grens bij Svinesund voerde, noteerde De Jong tal van wetenswaardigheden over het landschap, de natuur en de boerenbevolking. Ook noteerde hij details over de staat van de wegen en het comfort van de verblijven waar hij onderweg op was aangewezen.

Yttre-Kroken_i_Sogn, J.F. Eckersberg, tekening litho, 1848

Sognefjord. Tekening J.F. Eckersberg uit 1858.

Reizen in Noorwegen was toentertijd geen sinecure. De Jong besloot over Lærdal te reizen, waar hij grotendeels per boot door de Sognefjord naar toe kon. Hij had echter veel te stellen met de roeiers die een koopman in Bergen hem ter beschikking had gesteld. Als loods noch als matroos bezaten ze de juiste kwaliteiten, waardoor het gezelschap meerdere malen verdwaalde en door ongelukkige manoeuvres in levensgevaarlijke omstandigheden terechtkwam.

Vanaf het eind van de Sognefjord ging het verder over land: via Lærdal, Borgund (waar hij de nu nog beroemde staafkerk aanschouwde), langs de Randsfjord naar Christiania (het huidige Oslo) en van daaruit naar Fredrikstad en Svinesund. Dit deel van de reis werd per paard afgelegd. De Jong was onder de indruk van de behendigheid van de dieren. Ze wisten als geen ander hoe ze zich op de steile hellingen moesten bewegen en een berijder die dacht het beter te weten liep grote kans in de afgrond te belanden. Er waren in Noorwegen geen stalhouders, wel verspanplaatsen, waar reizigers hun paarden konden achterlaten en verse konden nemen. Daarom ging er altijd een man vooruit die op een verspanplaats zoveel paarden en mensen bestelde als er nodig waren, zodat de rest van het gezelschap die bij aankomst gereed vond. Voor de paarden werd per mijl betaald en daarboven nog per persoon. Er was een standaardtarief voor heel Noorwegen. Daarbovenop deed men naar believen nog een fooi, want, zo had De Jong ervaren, “alles vliegt voor een enkel dubbeltje”.

1183px-Norske_Folkelivsbilleder_-_no-nb_digibok_2007101713001-15

Reizen per paard was toentertijd in Noorwegen de meest geëigende manier om over land langere afstanden te overbruggen. (Tekening Adolph Tidemand, 1848)

Logies

Luxe verblijven waren er niet onderweg. Herbergen ontbraken nagenoeg, de reizigers waren aangewezen op logementhouders en de kwaliteit ervan wisselde sterk. Het meest ellendige verblijf vonden De Jong en zijn mannen in Sognefest. Hier moesten ze zelf hun aardappels schillen en koken en er was slechts één bed voor hen gedekt. De Jong rolde zich van arren moede in zijn reismantel, luitenant Akkermans kreeg het dekbed en de knecht lag op de kussens van de boot. Hoe anders was het in Lærdal. Daar vonden de heren op de ontbijttafel koffie, room, eieren en twee gebraden kippen (die ze inpakten voor de lunch). En vlakbij Hestekind hield een nette vrouw er een prima gastenverblijf op na. Ze zette een uitstekende fricassée van kip op tafel, alsmede omelet, “heerlijke” room, aardbeien, betere wijn dan De Jong ergens in Noorwegen had geproefd en brood. Dat laatste aten de mannen daar voor het eerst sinds hun vertrek uit Bergen. En zoals hun wel vaker overkwam: de dame wilde geen geld hebben.

Leven op het Noorse platteland

Onderweg gaf De Jong zijn ogen en oren goed de kost. Toen hij nog in Trondheim verbleef, had hij wetenswaardigheden over het leven op het platteland genoteerd. Hem was opgevallen dat de boeren er grotendeels zelfvoorzienend waren. Ze weefden hun eigen linnen kleding, maakten hun eigen schoenen, brouwden hun eigen bier en stookten hun eigen brandewijn. Zelfs de meubels in huis waren zelf vervaardigd en “en dat niet geheel zonder smaak”. De eenvoudige huizen waren van hout maar hadden desondanks iets aanzienlijks. Bij de boerenwoningen stonden een stal en – hoog van de grond om het ongedierte buiten te houden – schuren voor de opslag van graan, boter, kaas en andere levensmiddelen.

Ook de kleding van de boerenbevolking interesseerde De Jong. De boeren rond Trondheim droegen een kort leren wambuis met slobkousen en rode kousenbanden, de boerinnen een jak en rokken en over het hoofd een doek. De Jong verbaasde zich erover dat de boeren zich niet anders kleden als het koud was. Hij zag boeren met “open boezem, de ijskegels aan de hairen van de borst hangende”, terwijl ze zich in hun huizen in overmatig verwarmde vertrekken ophielden. Het temperatuurverschil tussen binnen en buiten kon oplopen tot wel 40 graden. Naarmate de reis vorderde, werd het land vruchtbaarder en nam de welvaart onder de boerenbevolking toe. Dat was ook te zien aan de kleding van de landlieden. Mannen kleedden zich in korte jasjes van karsaai en ten noorden van Oslo langs de Randsfjord zelfs in lange rokken (jassen) van laken (een zware wollen stof). In sommige gebieden schoren de boeren zich, in andere hadden ze baarden. De boerinnen droegen een linnen of katoenen jak en hadden een muts op het hoofd met een doek daaroverheen. In elk gebied had hun kleding eigen karakteristieken.

Norske Folkelivsbilleder

Enigszins geromantiseerd beeld van het plattelandsleven in Noorwegen rond het midden van de negentiende eeuw. (Tekening Adolph Tidemand, 1848)

Tegenaan de steile bergen was nauwelijks grond te vinden die bebouwd kon worden. Op de schaarse plekjes groen waar dat wel mogelijk was, was dan ook meteen een boer te vinden en hier en daar een kudde schapen of geiten. Aan de huizen, in bomen en tegenaan de rotsen werden berkentakken met bladeren gedroogd, die als voer voor deze dieren dienden. Omdat er zo weinig gras was, werden paarden en koeien soms de bergen in gejaagd om zelf hun kostje bij elkaar te zoeken. Het vee werd geweid op enkele uren, soms op enkele dagen afstand van huis. Een meid of knecht ging mee. In de lange winters stond het vee op stal.

Watervallen

In het landschap vielen de watervallen bij De Jong het meest in de smaak. Hij ervoer een mengeling van gevaar en schoonheid: “Het schuimend gebruisch en verdoovend ruischen van het neerstortend water, vereenigd met het gezicht der puntige rotzen, stijle klippen en hemelhooge bergen, die hier in eene dreigende gedaante op het vallen staan, ginds in afgescheurde brokken voor de voeten liggen, overrompelt de bedwelmde en getroffen zintuigen: voeg hierbij de bijzondere spelingen der konstige natuur, die men allerwegen, waar het gezicht zich ook henen wendt, in deze klippen en gevallen steenen ontdekt, en gij zult moeten erkennen, dat men het drijgend gevaar vergeet om in enkele bewondering weg te zinken.” Op veel plekken profiteerden de Noren van het vallende water door er watermolens te bouwen. Sommige watervallen telden wel zeven of acht molens.

foto Roman Königshofer, uit 2011

Watervallen dwongen diepe bewondering af bij De Jong. (Foto uit 2011 door Roman Königshofer, CC BY-ND 2.0)

Verkwisting

De Jong verbaasde zich over de verkwisting van hout in Noorwegen. Overal zag hij houten schuttingen waarvoor onnodig veel hout was gebruikt: dubbele palen die in de grond waren geslagen met daartussen schuin gelegde planken. Hij constateerde ook dat bij het omhakken van bomen geen rekening werd gehouden met de ouderdom van de boom. Daardoor ruimden jonge bomen, die werden gebruikt voor stokken, vroegtijdig het veld. Nog meer verbaasde De Jong zich over een ander risicovolle gewoonte van Noorse boeren. In de herfst hakten zij struiken om en legden deze met onder meer stro en heide op het land. In de volgende zomer werd dit in brand gestoken. Dat bevorderde de vruchtbaarheid van de grond, maar was niet zonder risico. Omdat het branden in de zomer geschiedde wanneer alles heel droog was, was het vuur niet altijd te controleren en richtte het in de nabijgelegen dennenbossen soms grote verwoestingen aan. De Jong pleitte voor een duurzaam gebruik van deze natuurlijke bron. Bij Moss zag hij stenen schuttingen. Een veel beter idee, vond hij. Hoewel het meer werk was om ze te plaatsen en het bouwmateriaal ook duurder was, waren ze op den duur toch voordeliger. Ze gingen langer mee en het hout dat voorheen in de schuttingen verdween werd nu te gelde gemaakt in de zaagmolens.

boydell, p. 271, christiania_1

Dichterbij Christiania leek alles welvarender. Gravure John William Edy in Boydell’s picturesque scenery of Norway (Londen 1820).

Terug naar zijn vaderland

Alles leek beter te worden naarmate Christiania dichterbij kwam. De wegen en bruggen werden beter, de boeren gingen welvarender gekleed en ze reden op wagens getrokken door een of twee paarden. De huizen hadden er glazen ramen, de schoorstenen waren er hoger en het brood was er witter en lekkerder. In de stad zelf aten De Jong en zijn reisgenoten zelfs een maaltijd die ze in een jaar niet hadden gezien, met bloemkool, doperwten, wortelen en kersen. Vanuit Oslo reisden ze via Fredrikstad verder naar de Zweedse grens bij Svinesund. Die bereikten ze op 30 juli 1796. Een veerpont bracht hen naar de overkant. Aan het Noorse avontuur van De Jong was een einde gekomen. Hij reisde via Göteborg, Kopenhagen en Hamburg naar Den Haag.

Drie jaar later zou De Jong – verdacht van verraad aan de Engelsen – huisarrest krijgen en later verbannen worden. Hij woonde toen in Kleve en Vught. In deze periode stelde hij zijn reisbeschrijvingen op schrift. Hij werd in 1813 gerehabiliteerd, maar zou niet meer in actieve dienst bij de marine terugkeren. Op 11 februari 1838 overleed hij in Den Haag.

Bronnen:
Carla van Baalen en Dick de Mildt (red.), ‘Weest wel met alle menschen’; de Kaapse brieven van Cornelius de Jong van Rodenburgh, Hilversum 2012.
Jaap R. Bruijn, Naval captain Cornelius de Jong’s unforeseen stay in Norway (1795-1796), in: Louis Sicking, Harry de Bles, Erlend des Bouvrie (eds.), Duth light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 93-112.
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ‘s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 2, Haarlem 1802 (ook online).
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ‘s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 3, Haarlem 1803 (ook online).

Advertenties

Een Hollandse zeeman in het barre Noorden (2) – Verblijf in de hogere kringen van Trondheim

Cornelius de Jong, die in 1794 als bevelhebber een konvooi Oostindiëvaarders naar Nederland begeleidde, moest vanwege oorlogsomstandigheden uitwijken naar het neutrale Noorwegen. Hij verliet dit land pas negen maanden later, na het van west naar oost te hebben doorkruist. Van zijn reis hield De Jong aantekeningen bij. Hij verwerkte die in brieven aan een denkbeeldige vriend, die in 1802 en 1803 werden uitgegeven. Ze geven een boeiend inkijkje in de avonturen van deze zeeman in het ‘barre Noorden’. Alle reden dus om in de Bryggenblogs De Jongs reis te volgen. In de eerste van de reeks bereikte De Jong over zee Trondheim. Deze tweede blog is gewijd aan zijn ruim zeven maanden durende verblijf in de Noorse havenstad.

De Jong bereikte met zijn fregat Scipio in de avond van 6 oktober 1795 de haven van Trondheim. Bij wijze van groet liet hij elf saluutschoten afvuren, die met negen schoten vanaf de vesting Munkholmen werden beantwoord. De Jong verbaasde zich erover dat de Noren de vlag niet hesen en liet navragen wat de reden daarvan was. Moest hij dit als een belediging opvatten? Een foutje, zo bleek, de Noren waren dit eenvoudigweg vergeten.

Trondheim_Munkholmen, foto Clemenz Franz, cc by sa 3.0

Munkholmen voor Trondheim. (Foto Clemenz Franz, CC-BY-SA 3.0)

De dag na zijn nachtelijke aankomst begaf De Jong zich aan wal en vervoegde hij zich bij de belangrijkste bestuurders van de stad. Zijn eerste zorg was de veiligheid van de schepen en hun kostbare lading. De Jong wendde zich tot de burgemeester van Trondheim, die toevallig viceconsul van Holland was geweest. Bij dit gesprek was ook de Noorse generaal Georg Frederik von Krogh aanwezig. Von Krogh meldde dat hij de haven al had voorzien van een militaire versterking. De Jong was nu verzekerd van bescherming door de Noren. Verder zat er weinig anders op dan orders uit Nederland af te wachten. Hij verbleef daarna zelden nog aan boord van de Scipio, maar nam zijn intrek in een burgerwoning in de stad, een adres dat hij kreeg via zijn zojuist gemaakte connecties.

Havenstad zonder herberg

Voor passerende reizigers moet het destijds een hele toer zijn geweest om in Trondheim een slaapplaats te vinden. Er waren geen herbergen. Reizigers waren aangewezen op de gastvrijheid van particulieren. Had je geen relaties in de stad, dan maakte je kans van deur naar deur te worden gestuurd, want niemand was verplicht om een vreemdeling onderdak te verschaffen. Voor een Hollandse bevelhebber die op grond van zijn positie gemakkelijk toegang had tot de hoogste kringen, was dit minder een probleem. De Jong werd meteen geïntroduceerd bij de vrienden van de burgemeester en bij een van hen werd een kamer voor hem vrijgemaakt.

Een Noors vriendenmaal

De Jong was die eerste middag al te gast in het buitenhuis van een van de rijkste kooplieden van Trondheim, ene heer Mencke. Dit zal hoogstwaarschijnlijk Henrik Meincke zijn geweest, op dat moment de belangrijkste koopman en reder in Trondheim en tevens een van de grootste aandeelhouders in de kopermijnen van Røros. Net als andere welgestelde inwoners van Trondheim had Meincke buiten de stad een landgoed, waar hij zich vermaakte met het buitenleven en verdiende aan de opbrengsten van de houtkap en het graan en de groenten die er werden verbouwd. Op zijn landgoed, dat zo’n vijftien tot twintig minuten buiten de stad lag, gaf Meincke die middag een feest ter ere van de verjaardag van generaal Von Krogh. Het was een mannenaangelegenheid, de vrouw en dochters des huizes lieten zich alleen even zien om “en chorus” enige liederen te zingen. Na de maaltijd en thee speelden de heren omber, een kaartspel dat zowel de Noren als de Nederlanders kenden, maar met andere spelregels.

Georg_F_von_Krogh_1732_1818_c_medium

Generaal Georg Frederik von Krogh (1732-1818) versterkte de militaire verdediging van de haven toen De Jong er met zijn schepen beschutting had gezocht.

De Jong voegde zich naar de etiquette van de Noren. Hij leerde hun wijze van begroeten (vrouwen omhelsden elkaar, mannen ook en gaven elkaar daarbij de rechterhand, vrouwen werden door hen begroet met een handkus), en nam hun gewoonte over om een vrouw aan de arm naar de eetzaal te leiden en staande achter de stoel te bidden alvorens aan tafel te gaan. Op het menu stonden vlees- en visschotels, waarbij groente en bessen (multibær en tyttebær) werden geserveerd. Tijdens de maaltijd wandelde de gastvrouw rond – soms ook de gastheer – om waar nodig gesprekken te verlevendigen en in de gaten te houden of iedereen wel voldoende te eten had. De wijn was van abominabele kwaliteit, aldus De Jong, en hij verwonderde zich over de gewoonte om de glazen nooit helemaal leeg te drinken. Bij het uitbrengen van een toost werd “Skål” gezegd, hetgeen volgens De Jong verwees naar ‘schaal’ of ‘schedel’ en afstamde van een oud gebruik toen men “er nog een wellust in stelde om uit de schaal of hersenpan van een overwonnen vijand te mogen drinken”. Na de maaltijd begaf het gezelschap zich naar een andere zaal, waar ze elkaar opnieuw omhelsden, een hand of handkus gaven en de gastvrouw bedankten met een ‘Takk for maten’ (volgens De Jong: “Tak for male”). Nadat er tussen twee uur en half vier was gegeten, werden er nu koffie en vervolgens thee gedronken, daarna kaartspelen gedaan, brandewijn en likeur gedronken, om vervolgens rond negen uur nogmaals aan tafel te gaan. Gewoonlijk duurde zo’n visite tot elf uur ’s avonds.

Het lijkt De Jong weinig moeite te hebben gekost om zich in deze kringen te bewegen. Hun cultuur was ook niet wezensvreemd van de zijne. De meeste van de mensen die hij ontmoette spraken Duits en Frans, sommigen ook Engels. In hun vriendennetwerken deelden ze dezelfde voorkeuren: muziek, dansen en de speeltafel. De kleding van de Noorse upper ten was zoals elders in Europa. Maar vanwege de kou droegen mannen buiten vaak nog een pels van rendiervellen en geen vrouw verliet het huis zonder een bontgevoerde jas.

Leven in Trondheim

Trondheim leefde van de visserij en de handel in hout, vis en koper. Hout kwam uit de bossen rond de stad, waar ook menige zaagmolen stond. Koper werd gewonnen in de mijnen bij Røros. En vissers brachten vanaf de zee en uit de rivier Nidelva, die dwars door Trondheim stroomde, allerlei soorten vis aan land. Zalm bijvoorbeeld, al vreesde De Jong dat zijn schepen met de ankers, touwen en het heen en weer varen van de sloepen dit jaar voor teveel onrust in het water hadden gezorgd en de zalm hadden verjaagd.

bryggerekka nidelva, ca. 1955, dia Johan Alme, GA Trondheim, cc by 2.0

Pakhuizen in Trondheim aan de Nidelva, circa 1955. (Collectie Gemeentearchief Trondheim, foto Johan Alme, CC-BY-2.0)

De Jong lijkt niet erg warm te lopen voor de stad zelf. De straten waren weliswaar ruim en breed, maar ongelijk en slecht bestraat. Ook de straatverlichting liet veel te wensen over en dat was vooral in de winter vervelend als het elke dag maar zo’n vier uur licht was. Behalve de domkerk waren er weinig bezienswaardige openbare gebouwen. Wel had De Jong oog voor enkele sociale voorzieningen die zich op een opmerkelijk hoog peil bevonden. De in 1767 overleden Thomas Angell, afkomstig uit een rijke koopmansfamilie, had een behoorlijke som geld aan de stad nagelaten, waarmee onder meer de aanleg van de waterleiding en -pompen was betaald. De stinkende grachten waren gedempt, omdat men ervan overtuigd was dat het stilstaande water ziekten veroorzaakte. Ook was met het geld uit de nalatenschap van Angell het weeshuis gerestaureerd en een vrouwenklooster gesticht.

Alle huizen in de stad waren van hout en De Jong verbaasde zich erover dat ook de rijke kooplieden van zulke houten huizen luxe verblijven hadden gemaakt. Er stonden imposante houtgestookte kachels en zelfs de slaapkamers werden verwarmd – bepaald geen overbodige luxe in een stad waar het een deel van het jaar “nijpend koud” was. De huizen waren er aangenaam warm, aldus De Jong, niet benauwd. Bij het slapen echter broeide het hem teveel onder de aldaar gangbare zachte donzen dekbedden. Twee dekens vond hij verkieslijker.

Domkerk, steendruk Carl Johan Fahlcrantz, 1821, GA Trondheim, cc by 2.0

Domkerk van Trondheim in 1821. Steendruk van Johan Carl Fahlcrantz. (Collectie Gemeentearchief Trondheim, CC-BY-2.0)

Een exotisch geschenk

Tijdens zijn verblijf bracht De Jong een bezoek aan de bibliotheek van het Koninklijk Noors Genootschap van Wetenschappen en Letterkunde (Det Kongelige Norske Videnskabers Selskab), dat in 1760 in Trondheim was opgericht. De bibliotheek imponeerde hem niet, al waren er toch wel enige goede werken op de planken terechtgekomen. Ieder lid was verplicht om bij toetreding een boek te schenken. Ook had het Genootschap een klein kabinet van naturalia, waarvoor de verzameling van een van de oprichters, bisschop Johan Ernst Gunnerus, de grondslag had gelegd. Het kabinet bevatte onder meer vissen, schelpen en insecten en ook noteerde De Jong “eenige aardige Noordsche koralen”. Tot de verzamelingen behoorden voorts een herbarium en een collectie mineralen, die voornamelijk afkomstig waren uit de kopermijnen van Røros en Meldal en uit de zilvermijn van Kongsberg.

J.C. Schønheyder, 1742-1803, GA Trondheim cc by 2.0

Bisschop Johan Christian Schønheyder (1742-1803), tevens vicepresident van het Noorse wetenschappelijk genootschap. (Foto collectie Gemeentearchief Trondheim, CC-BY-2.0)

De Jong had op zijn reis naar Kaap de Goede Hoop enige exotica verworven. Vermoedelijk had hij deze bij de Kaap gekocht, aangezien hij niet in de Oost was geweest. Bij het zien van de verzameling in Trondheim besloot hij zijn collectie aan te bieden aan het Noorse genootschap. De vicepresident, bisschop Johan Christian Schønheyder accepteerde de schenking “met greetig genoegen”. Zo werd de Noorse verzameling dankzij een Nederlander in één klap uitgebreid met huiden van hyena’s, luipaarden, leeuwen en andere dieren, alsmede zo’n twintig vogels van Kaap de Goede Hoop, insecten uit Indië en China, vissen op sterk water (brandewijn!) en gedroogde zeegewassen. De leden van het genootschap kwamen enkele dagen later in een buitengewone vergadering bijeen om de aanwinsten te bekijken. Daags erna stond de bisschop weer voor De Jong om hem namens alle leden te bedanken voor de vele ‘zeldzaamheden’ en hem het lidmaatschap van het genootschap aan te bieden. De Jong stemde dankbaar toe met dit “vleijend en verpligtend aanbod”.

astragalus alpinus, van Tromsø, 1767, Gunnerus herbarium, NTNU Vitenskapsmuseet, cc by 2.0

Astragalus alpinus, uit het herbarium van Gunnerus. (Collectie NTNU Wetenschapsmuseum)

In de volgende blog tart De Jong de elementen als hij – ingepakt in berenvellen – op een slede naar Røros afreist om er de kopermijnen te gaan bekijken.

Bronnen:
Jaap R. Bruijn, Naval captain Cornelius de Jong’s unforeseen stay in Norway (1795-1796), in: Louis Sicking, Harry de Bles, Erlend des Bouvrie (eds.), Duth light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 93-112.
Norsk Biografisk Leksikon (Henrik Meincke
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ‘s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 2, Haarlem 1802 (ook online).

Een Hollandse zeeman in het barre Noorden (1) – De reis langs de Noorse westkust

Hij was de oudste zoon uit een gegoede Hollandse familie en had een glansrijke carrière opgebouwd als marineofficier. Cornelius de Jong (1762-1838) was in 1794 met het fregat Scipio naar Kaapstad gevaren om een konvooi van VOC-schepen naar Nederland te begeleiden. Hij belandde uiteindelijk in Noorwegen en verliet het land pas negen maanden later, na het van west naar oost te hebben doorkruist. Van zijn reis hield De Jong aantekeningen bij, die hij later verwerkte in brieven aan een denkbeeldige vriend. Deze brieven, die in 1802 en 1803 werden uitgegeven, geven een boeiend inkijkje in de avonturen van deze zeeman in het ‘barre Noorden’. De komende Bryggenblogs zijn gewijd aan De Jongs reis. De eerste blog verhaalt over zijn tocht langs de westkust naar Trondheim.

C. de Jong, Rijksmuseum

Portret van Cornelius de Jong. Ets door L.G. Portman. (Collectie Rijksmuseum)

In mei 1795 hadden de negen Oostindiëvaarders en twee fregatten bij Kaap de Goede Hoop de ankers gelicht, maar weldra bereikte hen het bericht dat de Fransen Nederland waren binnengevallen en dat zich in het land een revolutie had voltrokken. Bevelhebber De Jong vreesde dat de schepen op de Noordzee niet veilig zouden zijn nu Engeland een vijandelijke mogendheid was geworden en besloot een omweg te maken via de Shetland eilanden. Hij kon niet voorkomen dat drie schepen, waaronder het andere fregat, in handen vielen van de Engelsen. De Jong besloot daarop om met zijn verzwakte vloot naar een haven in het neutrale Noorwegen te varen en daar nadere orders af te wachten.

Op 17 september bereikten zij de Noorse wateren. Een paar lokale vissers bleken bereid om als loods te fungeren tijdens de moeilijke vaartocht in deze wateren. Geteisterd door dichte mist, dan weer door een harde aflandige wind en het ontbreken van goede ankerplaatsen gingen de schepen op 19 september voor anker bij het eiland Valderøya (De Jong schrijft dit als ‘Walderhow’). De schepen trokken veel bekijks, voor zover daarvan op de schaars bewoonde eilandjes sprake kon zijn. Ze werden rijkelijk voorzien van verse groenten en vis en de belangrijkste bestuurder van het gebied, de ‘hupsche heer’ Andreas Norlow, bracht De Jong een beleefdheidsbezoek. Norlow was in gezelschap van enkele heren en dames, waarvan De Jong vermoedde dat het ‘alle de fatzoenlijke lieden van den geheelen omtrek’ betrof.

1024px-Tueneset_Valderøya_foto Rolf Ganger, cc-by-sa 3.0

Valderøya in 2010. (Foto Rolf Ganger, CC-BY-SA 3.0)

Een onsmakelijke gewoonte

Twee dagen later volgde het tegenbezoek van De Jong en een aantal officieren. Per sloep voeren zij tussen de vele eilandjes door naar het huis van Norlow, waar hun een uitgebreide ontvangst ten deel viel. De heren dronken brandewijn, madeira en koffie, rookten een pijpje en daarna volgde nog thee met gebak. Op aandringen van de gastheer nuttigde het gezelschap ook de avondmaaltijd bij hem thuis. Op het menu stond een flink stuk gebraden rendiervlees. De Jong was zeer te spreken over de gastvrijheid, maar ergerde zich aan één ding: de gewoonte van Noorse mannen om op de grond te spuwen. Hoewel de houten vloeren bestrooid waren met zand en dennennaalden liet deze gewoonte zichtbare sporen na in de onderste randen van de lange rokken die de vrouwen droegen, iets waarvan De Jonge vermoedde dat zij er een ‘wezenlijk ongemak door leden’.

Vervolg van de reis naar het noorden

Omdat hij had vernomen dat Engelse en Russische schepen het op de Oostindiëvaarders hadden voorzien, zette De Jong zijn tocht voort richting Trondheim. De vaarweg stond als uiterst moeilijk bekend en De Jong had het niet hoog op met zijn loodsen. Hij vond hen ‘onkundige, bange menschen’ en ‘volstrekt niet gewoon met schepen te werken’. Op het eiland Harøya sneden zijn bemanningsleden wilde zuring, een effectief middel tegen de scheurbuik waaraan een aantal van hen leed. Na nieuwe tijdingen over de politieke en militaire omstandigheden te hebben ingewacht, liet De Jong op 28 september de ankers lichten en zeilde hij verder naar het noorden. In regen en wind ging het gevaarlijk dicht langs de klippen, maar om vier uur bereikten de schepen veilig het eiland Edøya. De plaatselijke geestelijke had bij zijn huis de vlag gehesen, een groet die De Jong liet beantwoorden. Aan de oostzijde van het eiland gingen de schepen die nacht voor anker.

1024px-Edoey_gl_krk_ne, foto Olve Utne, cc by sa 2.5

De oude kerk van Edøya zoals die er tegenwoordig bij staat. (Foto Olve Utne, CC-BY-SA 2.5)

De volgende dag werd de reis voortgezet langs ‘klippig land en oogschijnelijke dorre rotzen’. De Jong verbaasde zich erover dat hier toch graan verbouwd kon worden en liet zich imponeren door de talrijke watervallen. Onderweg moest een afgezant van een koopman uit Trondheim afgewimpeld worden, die zich aan boord had gemeld met het verzoek als commissionair te mogen optreden en een vervalste brief uit Holland bij zich had. Die avond ging De Jong voor anker bij Ørland, gelegen op een schiereiland recht tegenover de ingang van de Trondheimsfjord.

Ørland

Vlakbij de kerk van Ørland woonde de geestelijke die deze uitgebreide parochie bediende. De Jong ontmoette hem na een jachtpartij. Hij bleek een belezen man die Hoogduits sprak. Zijn gemeente bestond uit ruim 2200 lidmaten, die verspreid over de eilanden woonden. Deze eilanden lagen niet ver van elkaar, maar om ’s zondags naar de eredienst te komen moesten de gelovigen per boot toch een flinke afstand afleggen. Omgekeerd was het voor de prediker ook een hele toer om zijn parochianen te bezoeken. Vooral in de winter, wanneer kou en harde wind voor veel ongemak zorgden en sneeuwval het zicht ontnam. Kinderen in deze verspreide gemeente kregen les van een van de vier rondreizende onderwijzers, die vaak door de geestelijke zelf waren onderricht. Zo’n onderwijzer woonde een tijdlang in bij een boer, waar de kinderen uit de buurt zich dan verzamelden om les te krijgen.

1024px-Bruholmen_rusaset_austrattlunden, Ørland, 2005, GA Ørland

Ørland. (Collectie Gemeentearchief Ørland)

De mensen die op deze eilanden woonden, waren boer of dagloner en tevens visser. Haring vond veel aftrek onder arme mensen. Ze maakten er soep van en aten de vis bovendien bij de pap die ze kookten van havermeel. Haver werd in deze omgeving veel verbouwd en van het havermeel werd flatbrød gebakken, grote ronde dunne koeken die werden bestrooid met roggemeel. Rijke mensen bakten het flatbrød dunner en van haverbloem, dus zonder zemelen. Daarnaast werd in deze contreien zwart roggebrood gegeten, waarin komijnzaad was verwerkt om de smaak en geur een oppepper te geven.

Doodskisten op een landgoed

Tijdens zijn verblijf bij Ørland gaf De Jong gehoor aan een uitnodiging van Eiler Hagerup Holtermann, eigenaar van het landgoed Austrått (in de brieven geschreven als Osterraad). De Jong legde een grote belangstelling aan de dag voor de geschiedenis van het huis en zijn bewoners. Rond het midden van de zeventiende eeuw waren de gebouwen in opdracht van de toenmalige eigenaar Ove Bjelke nieuw opgetrokken. Maar de eerste vermeldingen van Austrått dateren reeds uit de tiende eeuw (De Jong meende de twaalfde eeuw). De Jong betrad het gebouw door de gewelfde poort, die versierd is met wapens en familienamen, bekeek de galerijen met aan weerszijden houten beelden en ging de – naar zijn zeggen – twintig trappen op om het huis binnen te gaan. Hij waande zich in de tijd van de oude kastelen: smalle lage deuren, kleine vensters, nauwe gangen en weinig licht.

Austrattborgen entree, foto Karin Størseth, cc by 2.5

De poort van het landgoed Austrått. (Foto Karin Størseth, CC-BY 2.5)

Vervolgens daalde hij af in de kleine kapel, waar hij een aantal schilderijen bewonderde, die er door ouderdom of achterstallig onderhoud overigens niet al te best bij hingen. In een vertrek achter het altaar stonden vijf doodskisten. Daarin rustten bouwheer Ove Bjelke en diens vader Jens Bjelke, evenals Oves drie vrouwen. Van Helena Lindenow, Bjelkes in 1675 gestorven, laatste echtgenote, was de kist geopend en kon De Jong het opmerkelijk gaaf gebleven lijk aanschouwen, alsmede haar eveneens opmerkelijk gaaf gebleven linnen hemden en de bekleding van de kist. De Jong schreef de uitstekende conditie toe aan de zeer droge lucht in de kapel, waar de deuren bijna altijd openstonden.

Na de kapel bezocht De Jong nog een kleine gevangenis in het complex. Hij besteedde voorts aandacht aan de stenen piramide bij het huis, die ter ere van de vader van Ove Bjelke was opgericht. Een woordspeling op de plaquette ontging hem niet. De Jong meende dat de piramide in opdracht van Bjelke zelf was gebouwd, maar inmiddels wordt aangenomen dat alleen de gedenksteen uit diens tijd stamt en dat de piramide kort vóór 1774 moet zijn gebouwd, slechts enkele decennia voor het bezoek van onze zeeman dus. Het bezoek werd afgesloten met een maaltijd, waarbij een overvloed aan vlees en vis werd geserveerd en weinig groente en fruit, al liet De Jong zich de kersen, die in de omgeving waren geplukt, goed smaken.

Austrattborgen in 2005, cc by 2.5

Landgoed Austrått in 2005. (CC-BY 2.5)

Op 6 oktober was er eindelijk een gunstige wind en kon de reis naar Trondheim worden voortgezet. Om tien uur die avond bereikte De Jong de havenstad, waar ook vijf van de Oostindiëvaarders op de rede lagen. Zou De Jong toen al hebben bevroed dat hij nog de hele winter en het voorjaar in Noorwegen zou moeten blijven?

In de volgende blog lezen we hoe het De Jong en zijn mannen in Trondheim verging en welke indrukken hij opdeed van het dagelijks leven in deze stad.

Bronnen:
Carla van Baalen en Dick de Mildt (red.), ‘Weest wel met alle menschen’; de Kaapse brieven van Cornelius de Jong van Rodenburgh, Hilversum 2012.
Jaap R. Bruijn, Naval captain Cornelius de Jong’s unforeseen stay in Norway (1795-1796), in: Louis Sicking, Harry de Bles, Erlend des Bouvrie (eds.), Duth light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 93-112.
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ’s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 2, Haarlem 1802 (ook online).

Een Nederlandse toevluchtshaven voor de Noorse aartsbisschop

Het was een grote vloot die in de zomer van 1536 op de rede van Veere voor anker lag. Op de kades van de Zeeuwse stad was het een en al bedrijvigheid. Bemanningsleden werden gemonsterd en voorraden eten, drinken en munitie aan boord gebracht. De schepen werden in gereedheid gebracht om uit te varen naar het Noorden. Maar toen wijzigden plotseling de plannen. Twee schepen werden afgezonderd en gesommeerd naar Noorwegen te varen om daar de Noorse aartsbisschop in veiligheid te brengen.

Strijd tussen de Deense koning en de Noorse aartsbisschop

Wat was er aan de hand? In 1523 was de Unie van Kalmar, waarin Denemarken, Noorwegen en Zweden sinds 1397 verenigd waren, uiteengevallen. Zweden was een onafhankelijke staat geworden en Denemarken en Noorwegen waren als één koninkrijk verdergegaan. De koning van Denemarken, Christiaan II, was al eerder in het nauw geraakt en vluchtte naar de Nederlanden. De Deense troon werd met succes opgeëist door Frederik, hertog van Holstein, die veel sympathie koesterde voor de theologische opvattingen van Luther. Het lukte hem al snel om vrijwel alle edellieden in het zuiden van Noorwegen aan zijn zijde te krijgen. Daarop begon hij in Noorwegen met het onteigenen van bezittingen van de katholieke kerk en plaatste hij loyale Denen op strategische posities.

Aan het hoofd van de katholieke kerk in Noorwegen stond aartsbisschop Olav Engelbrektsson. Hij was tevens voorzitter van de Riksråd (Rijksraad), die samen met de koning het Noorse rijk bestuurde. Engelbrektsson zag de positie van de katholieke kerk en de autonomie van Noorwegen bedreigd door de machtsaspiraties van de protestantse Deense koning. Hij voorzag zich van soldaten en oorlogsschepen, liet een fort (Steinvikholm) bouwen in de Trondheimfjord en zocht steun bij de naar de Nederlanden gevluchte Christiaan II, die zich op zijn beurt had gewend tot de Habsburgse keizer Karel V. Het mocht niet baten. De Deense troepen bereikten in 1532 Trondheim, waar ze het aartsbisschoppelijk paleis platbrandden. Daarna restte de Noorse aartsbisschop weinig meer dan trouw te zweren aan de Deense koning Frederik I.

steinvikholmen, foto Frode Inge Helland, cc by 3.0

Steinvikholm, de versterking voor de kust bij Trondheim die Olav Engelbrektsson liet bouwen. (Foto Frode Inge Helland, CC BY 3.0)

Na de dood van Frederik in 1533 ontstond onenigheid over zijn opvolging. In Denemarken brak een burgeroorlog uit. Frederiks zoon, die eveneens luthers was, wierp zich op als koning Christiaan III. Een belangrijk deel van de Noorse Riksråd en zelfs verscheidene Noorse bisschoppen stelden zich aan de zijde van de nieuwe Deense vorst. Tot groot ongenoegen van Engelbrektsson, die zijn hoop nu richtte op Frederik van de Palts, die door Karel V naar voren was geschoven als gegadigde voor de Deense troon. Inmiddels kalfde de steun voor Engelbrektsson onder de Noorse adel af, vooral nadat hij een edelman zonder deugdelijk proces op de brandstapel had laten brengen. In de laatste dagen van 1535 waren de vertegenwoordiger van de Deense koning in Noorwegen, Vincens Lunge, twee Deense commandanten en de Noorse bisschoppen in Trondheim gearriveerd voor een ontmoeting met Engelbrektsson. Deze had het vuurtje onder zijn aanhangers flink opgestookt en dat bleef niet zonder resultaat. Op 3 januari vermoordden zij Lunge, de belangrijkste Deense bestuurder in Noorwegen. Ook de twee Deense commandanten waren niet veilig. Zij werden in opdracht van Engelbrektsson gearresteerd, evenals de Deensgezinde bisschop van Oslo. Een poging van Engelbrektsson om een aantal strategische forten te bezetten en zijn staatsgreep zo af te maken, mislukte.

Christian_III_of_Denmark

Portret van koning Christiaan III van Denemarken.

Engelbrektsson bood daarop aan de nieuwe Deense vorst te erkennen. Natuurlijk hoopte hij zo het vege lijf te redden, maar vermoedelijk wist hij ook dat op dat moment in de Nederlanden een vloot werd uitgerust om Kopenhagen te veroveren en zo de weg vrij te maken voor Frederik van de Palts als koning van Denemarken en Noorwegen. Dit was de vloot die in de zomer van 1536 bij Veere in gereedheid werd gebracht. Maar nog voordat de schepen hun ankers hadden gelicht, viel Kopenhagen en werd Christiaan III de onbetwiste heerser over Denemarken. Hij voerde meteen het lutherse geloof in en beschouwde Noorwegen niet langer als een zelfstandig koninkrijk, maar als een provincie van het koninkrijk Denemarken.

West-Friese schepen naar Trondheim

Onder de protestantse koning was de positie van de Noorse aartsbisschop onhoudbaar. Engelbrektsson zond twee vertrouwelingen naar de Nederlanden om Maria van Hongarije, de zuster van Karel V en landvoogdes over de Nederlanden, te vragen hem te ontzetten. Zij beval om twee schepen uit de vloot bij Veere, die bedoeld was geweest om Kopenhagen te bevrijden, in gereedheid te brengen. De schippers Clais Jacobszoon Blauhulck en Pieter Symonszoon Maeckschoon, beiden afkomstig uit Enkhuizen, werden aangewezen om de reis te maken. Met de winter op komst was dit een veel gevaarlijkere reis dan de tocht naar Denemarken die hun in het vooruitzicht was gesteld. Na enig onderhandelen over het bedrag dat ze zouden ontvangen, vertrokken de schepen dan toch richting Trondheim. De Blauhulck en de Christoffel van Enkhuizen – vermoedelijk twee driemasters – hadden elk 83 man aan boord. Een kleiner schip, de Boeier van Enkhuizen, met 6 man voegde zich bij hen. Dit schip zou vooropgaan om de gevaarlijke Noorse kustwateren te verkennen. De Noorse edelman Christopher Trondsson – een van de twee vertrouwelingen die Engelbrektsson naar de Nederlanden had gezonden – voerde het bevel over de kleine vloot.

driemaster voor anker bij een stad, gravure, prent Frans Huys, 1561-1565, coll. Rijksmuseum, RP-P-1889-A-14427_1

Driemaster voor anker bij een stad. Gravure, ca. 1561-1565. (Collectie Rijksmuseum)

Engelbrektsson had zich verschanst in zijn fort Steinvikholm. Daar kwamen de schepen begin november 1536 aan. Omdat een groot deel van de reis over open zee ging en deze in de winter te gevaarlijk was om over te steken, was een terugkeer op dat moment niet meer mogelijk. Er zou tot het voorjaar gewacht moeten worden. Engelbrektsson had de grootste moeite om de bemanning al die maanden uit te betalen en van voedsel te voorzien. Mogelijk was het lange oponthoud de reden voor een muiterij die eind 1536 uitbrak. Deze werd neergeslagen en de aanstichters werden gestraft. Op 1 april 1537 – Paaszondag – vertrokken de drie schepen eindelijk uit de haven van Trondheim. Aan boord Olav Engelbrektsson, in gezelschap van de aartsbisschoppelijke archieven en de kerkschatten die hij uit de Nidarosdomkerk in Trondheim en andere kerken had laten ophalen. Daaronder bevonden zich gouden en zilveren kelken en borden, dure liturgische kleding en twee kronen. Ook bracht hij belangrijke relieken in veiligheid: de bijl, drinkbeker en kam van Sint Olav, de tot het christendom bekeerde en in 1164 heilig verklaarde Vikingkoning Olav II. De schrijnen met de stoffelijke resten van Sint Olav bleven achter. Misschien was de aartsbisschop ervan overtuigd dat hij zou terugkeren?

trondheims domkerk, ca. 1850, houtsnede, gemeentearchief trondheim

Nidarosdomkerk van Trondheim omstreeks 1850. Houtsnede. (Collectie Gemeentearchief Trondheim, CC BY 2.0)

Toevlucht in Lier

De schepen kwamen begin mei 1537 in Enkhuizen aan. De kerkschatten en andere goederen werden naar Deventer gebracht. Engelbrektsson zou er zijn schulden mee hebben willen aflossen bij kooplieden aldaar. Zelf vertrok de verdreven aartsbisschop naar Lier, in de Zuidelijke Nederlanden, waar ook Christiaan II zijn toevlucht had gezocht. Het lijkt erop dat Engelbrektsson daar voorbereidingen trof voor een terugkeer naar Trondheim. Zover kwam het echter niet. Olav Engelbrektsson overleed op 6 februari 1538. Hij werd begraven onder het hoogkoor van de Sint-Gummaruskerk in Lier. De Noorse kerkschatten kwamen in handen van Frederik van de Palts, die ze zeer waarschijnlijk liet omsmelten om met het edelmetaal zijn troepen te financieren. De aartsbisschoppelijke archieven zijn wel gered. Ze werden begin negentiende eeuw teruggevonden in München en overgebracht naar bewaarplaatsen in Noorwegen, Denemarken en Zweden. Ze vormen nu de belangrijkste bronnen voor de middeleeuwse geschiedenis van Noorwegen.

Een held

Vijfhonderd jaar na zijn vlucht werd ook Engelbrektsson zelf gered van de vergetelheid. Al in 1814 had Noorwegen zich losgemaakt van Denemarken en toen in 1905 een einde kwam aan de unie met Zweden, werd Noorwegen een autonome staat. Zo’n jonge natie had helden nodig om het identiteitsbesef te schragen. En dus werd de herinnering aan de middeleeuwse aartsbisschop afgestoft. Was het immers niet Engelbrektsson geweest die de zelfstandigheid van Noorwegen tot op het laatst had verdedigd? Terwijl iedereen om hem heen zich al achter de Deense koning had geschaard, had Engelbrektsson fier standgehouden.

Interior_of_the_church_of_Saint_Gummarus,_Lier,_Belgium, foto Eddy Van 3000, cc by 2.0

Interieur van de Sint-Gummaruskerk in Lier. (Foto Eddy van 3000, CC BY 2.0)

Tijdens een officieel bezoek aan België in 2003 onthulde de Noorse koningin Sonja in de Sint-Gummaruskerk in Lier een gedenkplaat voor de laatste Noorse aartsbisschop. Ook werd een opera aan hem gewijd. Om het jaar wordt dit muziekstuk op lange zomeravonden uitgevoerd bij fort Steinvikholm. Terwijl het koor Karel V aanroept en om hulp vraagt, vertrekt Engelbrektsson dan in de slotscène naar de Nederlanden.

Bronnen:
Louis Sicking, New light on the flight of the archbishop Olav Engelbrektsson: a watershed in Norwegian history, in: Louis Sicking e.a. (red.), Dutch light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 13-41.
P.C.M., Procedure over goederen van den aartsbisschop van Drontheim, in: Overijsselsche almanak voor oudheid en letteren 1850, 15 (Deventer 1849), 1-29.
Noors nationale schat verdween naar Deventer, op website Universiteit Leiden.

Hoe een Fries de klipvis naar Noorwegen bracht

Noorwegen is de grootste leverancier van klipvis ter wereld. De droge, zoute vis kreeg vooral bekendheid als bacalao en wordt door koks over de hele wereld bereid. De export van klipvis is al eeuwenlang van grote betekenis voor Noorwegen. Dat hebben de Noren onder meer te danken aan een Friese koopman, die eind zeventiende eeuw in Kristiansund een nieuwe conserveermethode van vis introduceerde.

Het drogen van klipvis op de rotsen met zicht op Kristiansund (1922). (Norsk Folkemuseum, foto Anders Beer Wilse)

Het drogen van klipvis op de rotsen met zicht op de haven van Kristiansund (1922). (Norsk Folkemuseum, foto Anders Beer Wilse)

Geleerd van de Basken

Klipvis was al aan het eind van de middeleeuwen in Spanje en Portugal bekend. Basken voeren naar Newfoundland om in de wateren daar te vissen. De vis werd gezouten, zodat deze op de terugreis niet zou bederven. Jappe Ippes, een Fries van geboorte, maakte op Newfoundland kennis met deze methode. Ippes’ vader was koopman in Trondheim. Hijzelf vestigde zich in Lille-Fosen, een kleine havenplaats aan de westkust van Noorwegen, ten zuiden van Trondheim. Het plaatsje zou uitgroeien tot Kristiansund. Ippes startte hier met de productie van klipvis.

Tot die tijd was in Noorwegen een andere methode in gebruik om kabeljauw (of witvis) te conserveren. Daarbij werd de vis in de wintermaanden aan houten rekken te drogen gehangen. Die vis kennen we als stokvis. Anders dan bij klipvis kwam aan de bereiding van stokvis geen zout te pas. Klipvis wordt gemaakt van kabeljauw, ook wel van leng, lom, schelvis of koolvis. Volgens kenners geeft kabeljauw die gepaaid heeft de beste klipvis.

Handelsgeest

Ippes bleek over een uitstekende handelsgeest te beschikken en schatte goed in hoe gunstig de omstandigheden waren om juist op die plek klipvis te maken. In Europa was er veel vraag naar klipvis en Noorwegen lag voor deze markt veel gunstiger dan bijvoorbeeld Noord-Amerika. Bovendien werkte de natuur een handje mee. De kale, platte rotsen aan de kust waren ideale plekken om de vis te drogen. En niet in het minst zorgde de koude noordenwind in het voorjaar voor prima omstandigheden voor dit droogproces. Arbeidskracht was er in de omgeving voldoende en die was naar alle waarschijnlijkheid ook nog eens heel goedkoop.

Wassen en zouten

De kabeljauwvisserij voor de Noorse westkust ging begin februari van start en duurde tot eind april. Zodra de vissersboten in de haven arriveerden, kwamen de vrouwen naar de kade om de vis te wassen. Aanvankelijk gebeurde dat in het zeewater, later kwam er een speciale wasruimte op de kade. Daarna werd de vis vanaf de buik tot aan de rug opengesneden. Zo kon een zo groot mogelijke oppervlakte te drogen worden gelegd. De opengesneden vis werd naar speciale pakhuizen gebracht om te worden gezouten. Daarna werd de vis laag voor laag gestapeld en bewaard in afwachting van de juiste weersomstandigheden om de vis buiten te drogen te leggen.

Klipvis wordt op de rotsen bij Kristiansund te drogen gelegd. Foto uit 1922 door Anders Beer Wilse. (Collectie Norsk Folkemuseum)

Klipvis wordt op de rotsen bij Kristiansund te drogen gelegd (1922). (Norsk Folkemuseum, foto Anders Beer Wilse)

Drogen op de rotsen

De ronde, kale rotsen aan de kust waren een uitstekende plek om de vis in de voorjaarszon verder te laten drogen. Ook hier werd de vis op den duur in lagen opgestapeld. Zeskantige schermen dekten de stapels af. Het droogproces nam een tot enkele maanden in beslag, afhankelijk van de weersomstandigheden. Met de duizenden, soms zelfs enkele honderdduizenden vissen die hier op de rotsen lagen, kon in die maanden heel wat misgaan. Als het te warm werd op de rotsen verbrandde de vis. En als er neerslag viel, kon de vis nat worden. De arbeid(st)ers moesten dus goed opletten, want de kwaliteit en daarmee ook de prijs van het eindproduct stonden op het spel.

De stapels klipvis onder de houten schermen bij Kristiansund (1922). (Norsk Folkemuseum, foto Anders Beer Wilse)

De stapels klipvis onder houten schermen bij Kristiansund (1922). (Norsk Folkemuseum, foto Anders Beer Wilse)

Handel

Al tijdens het drogen werd de klipvis gesorteerd naar grootte. Later volgde een selectie op droogtegraad en uiterlijk. Daarna kon de klipvis in de handel worden gebracht. Vooral Spanje, Portugal en de voormalige kolonies van deze landen in Afrika en Latijns-Amerika waren grote afnemers.

De klipvisproductie en -handel aan de kust van Møre og Romsdal werd een groot succes. Aangetrokken door de rijke visgronden en de ideale klimatologische omstandigheden vestigden zich hier vanaf 1730 Engelse en Schotse kooplieden die zich toelegden op de export van klipvis. Dat legde de havenplaats Lille-Fosen geen windeieren. Deze kreeg in 1742 stadsrechten en heette vanaf dat moment Christiansund, naar koning Christian VI, die de stadsrechten had verleend. Behalve Kristiansund profiteerden ook de vissersdorpen aan de kust van de bloeiende nieuwe bedrijfstak.

Opslag van klipvis in Kristiansund (1922). (Norsk Folkemuseum, foto Anders Beer Wilse)

Opslag van klipvis in Kristiansund (1922). (Norsk Folkemuseum, foto Anders Beer Wilse)

De klipvishandel bouwde voort op de contacten die de Noren in de eeuwen daarvoor hadden gelegd in de hout- en haringhandel. Ze deden zaken met kooplieden uit de grote Europese landen, vooral veel Nederlanders. Lokale boeren, vissers, kooplieden en ook ambtenaren was het handelsbedrijf zodoende niet vreemd. Ook bestond er daardoor al een tol- en exportsysteem.

De klipvisproductie bleef zo’n tweehonderd jaar van grote betekenis voor Kristiansund. De stad was in de negentiende eeuw de op drie na grootste exporthaven van Noorwegen. In economisch belang streefde de klipvishandel de hout- en haringhandel voorbij. In de jaren tachtig van de negentiende eeuw ontstond een concurrentiestrijd tussen kooplieden uit Molde en Kristiansund. Inzet was de controle over de zuidelijke vissersdorpen. Dat bleef niet zonder gevolgen: de handel in klipvis stortte in. Later herstelde hij zich weer. Tegenwoordig is niet Kristiansund de grootste exporthaven voor klipvis, maar het zuidelijker gelegen Ålesund. Het drogen van de vis gebeurt inmiddels overigens op industriële wijze.

De haven van Kristiansund in 1848. Tekening door Arne Larsen.

De haven van Kristiansund in 1848. (Tekening Arne Larsen)

Klipvis met kerst

Noorwegen werd wereldwijd de grootste leverancier van klipvis, maar de Noren zelf aten het gerecht aanvankelijk niet. In de omgeving van Kristiansund werd – voor zover we weten – pas rond het midden van de negentiende eeuw klipvis gegeten. Het gaat om een vermelding bij een kerstmaaltijd, maar uit alles blijkt hoe uitzonderlijk dit eigenlijk toen nog was. Pas in de twintigste eeuw zou klipvis zijn intrede doen in de Noorse keuken. Dat gebeurde vanuit Spanje toen de mediterrane keuken de noordelijke landen veroverde. Nu kun je in heel wat Noorse restaurants bacalao bestellen, een gerecht van klipvis met tomaten, paprika, olijfolie, uien, aardappelen en Spaanse peper.

Onfortuinlijke afloop

En Jappe Ippes? Voor hem draaide het klipvisavontuur uit op een regelrechte ramp. Hij ging failliet. Vermoedelijk werd hij het slachtoffer van de wet van de remmende voorsprong. In Nederland lijkt hij totaal vergeten. Wie weet vandaag de dag dat een Fries de klipvis in Noorwegen introduceerde? In Noorwegen daarentegen klinkt zijn naam nog wel. Zo houdt Kristiansund de herinnering aan hem levend met een naar hem vernoemde weg: de Jappe Ippes vei.

Bronnen:
Hvordan kom klippfisken til Kristiansund?, op: www.klippfiskbutikken.no.
Jarle Sanden, Klippfisk, mathistorie på tvers av landegrenser, op: www.saltkyst.no.
Klippfish Museum, op: www.nordmore.museum.no.

Amsterdam staat op Noorwegen

‘Amsterdam staaer paa Norge,’ schreef de Deense geleerde Holger Jacobæus in de tweede helft van de 17de eeuw. Tijdens zijn studie in Leiden was hem kennelijk ter ore gekomen hoe in Amsterdam een grote stadsuitbreiding werd gerealiseerd. Aan de grachten werden imposante patriciërshuizen gebouwd. Houten palen uit Noorwegen dienden als fundering. Amsterdam is net een onderaards bos, werd er ook wel gezegd.

Gjermundshavn in Hardanger. Schilderij in romantische stijl door de Noorse landschapsschilder Hans Gude, 1850.

Gjermundshavn in Hardanger. Schilderij in romantische stijl door de Noorse landschapsschilder Hans Gude, 1850.

Voor de vele bouwactiviteiten in de Republiek was vanaf het eind van de 16de eeuw veel hout nodig en Noorwegen werd dé houtleverancier. Het Noorse hout werd in ons land gebruikt bij de bouw van schepen, huizen en boerderijen. Aanvankelijk kwam het hout uit het westen en zuiden van Noorwegen. Dit bleef daar niet zonder gevolgen voor het ecosysteem. Het gebied raakte ontbost en de handel verschoof in de loop van de 17de eeuw naar het dichtbeboste oosten van het land. Vanuit het zuiden en westen bleef hout van kleinere afmetingen geëxporteerd worden. Het moest steeds dieper vanuit het binnenland over rivieren worden aangevoerd.

Houtadel

De Nederlandse kooplieden deden tot begin 17de eeuw rechtstreeks handel met boeren en houtproducenten. Daaronder ook vertegenwoordigers van de zogeheten ‘Plankeadelen’ (houtadel). Dit waren rijke houthandelaren in Agder, Telemark en het gebied ten oosten daarvan. Zij onderhielden contacten met buitenlandse handelaren en bezaten lokaal veel macht.

Houttransport. Illustratie door Johan Fredrik Eckersberg voor het boek Norske Folkelivsbilleder door Adolph Tidemand, 1858. (Nasjonalbiblioteket, Oslo)

Houttransport. Illustratie door Johan Fredrik Eckersberg voor het boek Norske Folkelivsbilleder door Adolph Tidemand, 1858. (Nasjonalbiblioteket, Oslo)

Noorse delen

Het hout onderging ter plekke al een ruwe bewerking. Er werden balken, planken en masten van gezaagd. Ook werden er duigen gemaakt. Langs de kust verrezen houtzaagmolens en het verhaal gaat dat Nederlanders deze noviteit daar introduceerden.

Als ‘Noorse delen’ bereikte het eiken-, grenen- en vurenhout Amsterdam. Daar werd het geveild. Soms was de benaming specifieker en kon uit de naam van het hout worden afgeleid in welke haven het geladen was. Kopers wisten uit welke havens de beste kwaliteit kwam. Hout uit Kopervik stond bekend als het beste hout, omdat het een extra fijne en vaste draad had.

Uit de bewaard gebleven notities van Adriaan Bommenee, die van 1713 tot 1747 stadstimmerman van het Zeeuwse Veere was, kunnen we opmaken welke houtsoorten op de markt waren. Hij noemt onder meer Koperwijkse, Christiaanse, Drontonse en Stavangense delen: geladen in respectievelijk Kopervik aan de zuidwestkust, Christiania (het latere Oslo), Trondheim en Stavanger.

Ook de lijm voor het hout kwam uit Noorwegen. Bommenee schreef dat de lijm daar werd gemaakt van ‘zweymbalgen’ (zwemblazen) van kabeljauw en leng (een vissoort), die een collageen bevatten, of van ‘Noor(t)se lompen’. De laatste lijmsoort hield men voor de beste. Ook met stokvisvellen of gekookte droge vis kon in noodgevallen worden gelijmd.

Monopolie

Rond het midden van de 17de eeuw ontstonden problemen in de houthandel. Christiaan IV, koning van Denemarken en Noorwegen, wilde het beste hout voor zijn eigen vloot bestemmen en trachtte de Noorse houthandel te monopoliseren. Bovendien wilde hij de positie van de stedelijke burgerij in Noorwegen versterken ten opzichte van die van de boeren en landadel. Daarom verleende de koning in 1662 aan de stedelijke burgerij het privilege van de houthandel. Dat maakte een einde aan het recht van vrije handel dat de Nederlanders hier al sinds 1450 hadden.

Tot een confrontatie kwam het in de jaren tachtig, toen de onderhandelingen over een nieuw handelsverdrag tussen Denemarken en de Nederlandse Republiek mislukten. De Deense koning verhoogde de tollen in Noorwegen. De Republiek reageerde met een handelsboycot. De import van Noors hout was met ingang van 28 maart 1687 verboden. Hoewel na meer dan een jaar onderhandelen in juli 1688 een nieuw handelsverdrag tot stand kwam en de boycot werd opgeheven, zou de Noorse houtaanvoer nooit meer de omvang bereiken van daarvoor. Andere productiegebieden, zoals Zweden, waren door de lagere tolgelden interessanter voor Nederland geworden. Wel verliet veel hout nog illegaal de Noorse havens. Maar de neergang was onafwendbaar. Omstreeks 1750 bedroeg de houtimport uit Noorwegen minder dan een derde van wat een eeuw eerder werd aangevoerd.

Bronnen:
Historisch hout in Amsterdamse monumenten, Publicatiereeks Amsterdamse Monumenten 3, uitgave Gemeente Amsterdam 2012.
C. Lesger, Lange-termijn processen en de betekenis van politieke factoren in de Nederlandse houthandel ten tijde van de Republiek, in: Economisch- en sociaal-historisch jaarboek 55, Amsterdam 1992, blz. 105-142.
Sølvi Sogner, Norwegian-Dutch migrant relations in the seventeenth century, in: Louis Sicking e.a. (red.), Dutch light in the ‘Norwegian night’, maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, blz. 43-56.
Het ‘testament’ van Adriaan Bommenee, praktijkervaringen van een Veerse bouw- en waterbouwkundige uit de 18e eeuw, Middelburg 1988.

Hollender in Noorwegen

Hollender werden ze genoemd: de Nederlandse kooplieden die op Noorwegen voeren. En het tijdsbestek waarin de Noren een lucratieve handel met Nederland voerden, heet daar in het Noors ook naar: Hollendertiden. Meerdere malen per jaar arriveerden de Nederlandse koopvaarders in een van de havenplaatsjes aan de Noorse kust. Nog altijd zijn hun sporen hier terug te vinden.

Hollendergaten in Bergen.

Hollendergaten in Bergen.

We ontmoeten de Hollender in namen van wijken en straten. Bergen bijvoorbeeld heeft een Hollendergaten. En Flekkefjord een Hollenderbyen. Letterlijk betekent dat: de Hollandse stad. Het is een kleine wijk vol witte huizen.

Hollenderbyen in Flekkefjord.

Hollenderbyen in Flekkefjord.

In Risør is de verwijzing specifieker: daar bestaat de Kamperhaugveien, een straat genoemd naar de kooplieden uit Kampen die hier zaken kwamen doen.

Kamperhaugveien in Risør.

Kamperhaugveien in Risør.

Nederlandse schippers reisden al in de 16de eeuw naar Noorwegen om er hout te kopen. De gouden jaren duurden van ongeveer 1550 tot 1800. Jaarlijks deden honderden Nederlandse koopvaardijschepen Noorwegen aan. Ze bestreken de hele kustlijn, vanaf Trondheim in het westen tot de Zweedse grens in het oosten. Schippers uit de Noord-Hollandse havensteden zeilden veelal naar de kustplaatsen ten oosten van Mandal. Hun collega´s uit Friesland voeren vooral op de kust ten westen van Mandal. Ze noemden dit gebied Vesterrijsen (Vester-Risør).

Pijpen, kreeften en hout

Het vaarseizoen duurde van april tot december en de schippers voeren in die periode meerdere malen naar Noorwegen. Claes Adriaensz. uit Enkhuizen bijvoorbeeld zeilde tussen 1604 en 1616 elk jaar meerdere keren, soms wel zes maal, naar Naversund op het eiland Lista (Legelandlist in het Nederlands). Net als veel andere schippers ging hij telkens naar dezelfde haven, waar hij de mensen kende. Schippers met een eigen boot namen vaak hun familie mee en verbleven enige tijd aan wal. Zo ontstonden nauwe en langdurige contacten. Veel schippers werden opgevolgd door hun zoon, die de handelsbetrekkingen met de Noren voortzette.

De kooplieden namen een heel arsenaal aan consumptiegoederen mee naar Noorwegen. Daaronder: graan, zout, kaas, stoffen, meubels, bakstenen, dakpannen, tegels, aardewerk, bier, wijn, jenever, specerijen, tabak en Goudse (klei)pijpen. Deze goederen werden verkocht of geruild tegen Noorse producten. Het was de kooplieden in de eerste plaats om hout te doen. Maar ook andere zaken gingen mee naar Nederland: huiden, boter, vetten, wol, vis, levend vee, stenen en kreeften bijvoorbeeld. De Nederlandse handelaren betaalden met zilveren munten of met luxegoederen.

Nederlanders brachten de Noren ook vaardigheden over. Ze leerden hen hoe ze haring op z’n Vlaams konden bereiden, hoe ze zout en klipvis konden maken en ze introduceerden er een nieuwe manier om kreeft te vangen, namelijk met een pot.

Hollandse ondiepten

Om de scheepvaart van goede kaarten te voorzien, brachten Nederlandse cartografen de Noorse wateren in kaart. Behalve op het land verwijzen ook in die Noorse wateren geografische namen naar de aanwezigheid van Nederlanders. Als ze de haven van bestemming naderden, zetten de schippers hun ballastlading overboord. De ondiepten in de kustwateren die daardoor zijn ontstaan, staan bekend als hollenderbåe of hollenderbanke. Middenin het Oslofjord, ter hoogte van Sandefjord en Fredrikstad, ligt zo’n plek: Hollenderbåen. Sinds 1990 staat er een vuurtorentje met dezelfde naam. En op het torentje staat een onbemande camera, die een belangrijke functie heeft voor het scheepvaartverkeer. Hollenderbåen is bovendien het keerpunt in veel regatta’s.

Belangrijkste bron voor dit verhaal: S. Sogner, Popular contacts between Norway and the Netherlands in the Early Modern Period, in: Juliette Roding en Lex Heerma van Voss, The North Sea and Culture (1550-1800), Hilversum 1996, p. 185-198.