Zeg het met tulpen in Noorwegen

Tulpen zijn vandaag de dag de meest populaire snijbloem in Noorwegen. Eind zestiende eeuw pronkte de bloem al in Noorse tuinen, tientallen jaren vóórdat hij in de rest van Scandinavië zijn intrede zou doen. Hoe de tulp in Noorwegen terechtkwam? Vanuit het tulpenland bij uitstek natuurlijk: Nederland.

In Nederland was de tulp overigens ook geen inheemse bloem. Hij was hier in de zestiende eeuw vanuit het huidige Turkije terechtgekomen. De belangstelling voor deze exotische plant kwam in de eerste plaats vanuit de geneeskunde, maar vanaf het begin van de zeventiende eeuw werd de bloem ook gewaardeerd om zijn schoonheid als tuinplant en snijbloem. Tulpen pronkten in gloednieuwe tulpenvazen van Delfts blauw en verschenen in geschilderde bloemstillevens, op tegels en serviesgoed. De bloem werd in Nederland zo populair dat in de jaren 1630 een ware ‘tulpenmanie’ ontstond. Tulpenbollen werden handelswaar en statussymbool ineen. Voor één tulpenbol werden duizenden guldens neergeteld, een bedrag waarmee je toen ook een huis aan een van de Amsterdamse grachten kon kopen.

RP-T-1950-266-12-1_1

Tekenaars tekenden de vele soorten tulpen na en bundelden die in ‘tulpenalbums’ – een soort plantenencyclopedie avant la lettre. Twee tulpen met waterjuffer en sprinkhaan, Jacob Marrel, 1637. Tekening op perkament. Collectie Rijksmuseum.

 

Arts in Bergen

Zo ver had de gekte nog niet toegeslagen toen Henrik Høyer in 1596 vanuit het Noorse Bergen naar Leiden reisde. Høyer had zich enkele jaren eerder in de Noorse havenstad gevestigd. Zijn wieg stond in Stralsund, een Duitse stad aan de Oostzee, waar hij omstreeks 1565 werd geboren. Hij ging in 1587 medicijnen studeren aan de universiteit in Rostock. Nadat hij met goed gevolg zijn examen had afgelegd, verhuisde hij in 1593 naar Bergen, waar hij introk bij koopman Nicolaus de Freund, een Nederlander van geboorte. Vanuit diens huis begon Høyer zijn praktijk als geneesheer.

Høyer was bevriend met de Lutherse bisschop van Bergen, Anders Foss (1543-1607), een ontwikkeld man met een enorme boekenverzameling en een grote belangstelling voor geschiedenis. Ook Høyer, die met de jongste dochter van de bisschop zou trouwen, was geïnteresseerd in de Noorse historie en deed daar onderzoek naar in oude manuscripten.
In Bergen liepen in die tijd de spanningen hoog op. De geestelijkheid, met bisschop Foss als boegbeeld, stond recht tegenover de stedelijke burgerij en stadsraad, die zich vertegenwoordigd zagen in Peder Thott, de bewindvoerder over de vesting Bergenhus. De twee partijen bevochten elkaars juridische bevoegdheden en misgunden elkaar economische voordelen. De controverse liep hoog op. Thott had in 1590 de echtgenote van bisschop Foss zelfs beschuldigd van hekserij; ze zou pas in 1598 worden vrijgesproken.

Na zijn aankomst in Bergen werd ook Høyer slachtoffer van Thotts geldingsdrang. Deze verbood de enige apotheker in de stad om aan patiënten van Høyer medicijnen te verkopen. Høyer werd het zo erg moeilijk gemaakt om zijn werk te doen. Rechter Poul Helliesen nam het voor hem op en bepleitte zijn zaak tot voor de koning in Kopenhagen, en met succes. In 1594 kreeg Høyer officieel toestemming om in Bergen als geneesheer te praktizeren. En koopman De Freund mocht medicijnen uit het buitenland invoeren, die op recept van Høyer aan de inwoners van Bergen werden verkocht. De Freund zou tot zijn dood in 1618 – hij stierf aan de pest – als apotheker werkzaam blijven.

Plantgoed uit Leiden

In het voorjaar van 1596 reisde Høyer, in gezelschap van bisschop Foss en diens vrouw en dochter, naar Leiden. Hier ontmoette hij Carolus Clusius, die daar enkele jaren eerder hoogleraar was geworden. Clusius had op zijn reizen door Europa planten verzameld en beschreef, kweekte en bestudeerde die. Eerder werkte hij aan het keizerlijk hof in Wenen en in die jaren had hij tijdens diplomatieke missies naar de sultan van Turkije in Constantinopel kennis gemaakt met zeldzame bloembollen uit het Midden Oosten. Naast bollen van hyacinten, narcissen, blauwe druifjes en lelies was Clusius in het bezit gekomen van tulpenbollen. Eenmaal aangesteld aan de Leidse universiteit legde hij in de Hollandse stad een hortus botanicus aan. Die bevatte niet alleen een verzameling medicinale kruiden, maar was ook een botanische tuin met zeldzame planten uit alle delen van Europa en de Levant en zelfs van elders uit de wereld.

RP-P-BI-5113X_1

Portret van Carolus Clusius, door Cornelis Galle (I), gravure, 1669, naar een laat 16de-eeuws portret door Jean Jacques Boissard. Collectie Rijksmuseum.

Clusius schonk aan vrienden door heel Europa zaden, stekjes en bollen van zeldzame, niet-Europese planten. Zij kweekten die in hun eigen tuinen op, iets waarvoor de geleerde de nodige aanwijzingen verschafte. Ook Høyer verliet Leiden niet zonder het nodige plantgoed. Onder de knollen en bloembollen bevonden zich bollen van tulpen. Clusius was benieuwd of ze het goed zouden doen in het barse noordelijke klimaat.

De eerste bloembollen

Terug in Bergen plantte Høyer de bollen uit. Ze kregen een plekje in de tuin van de Svaneapotek van De Freund, waar deze zijn medicinale planten kweekte. Hoogstwaarschijnlijk lag de apotheek, die doorgaat voor de oudste van Noorwegen, toen al aan de Strandgaten, waar hij ook later gevestigd was. De Strandgaten was in die tijd een moderne, brede straat en de belangrijkste van de Hanzestad. De apothekerstuin lag tevens in de nabijheid van het Lungegårdsvann, een water dat aansloot op het Puddefjord, de zeearm waarin zich nu onder meer de Hurtigruten-terminal bevindt. Een overblijfsel van het Lungegårdsvann is het Lille Lungegårdsvann, de achthoekige vijver met fontein die in het stadspark ligt. Aan de zuidzijde ervan liggen de kunstmusea KODE en aan het eind staat de muziekkiosk.

Svaneapoteket_i_Bergen, foto Nina Aldin Thune

Het pand van de Svaneapotek aan de Strandgaten in Bergen. (Foto Nina Aldin Thune, CC BY-SA 3.0)

Mogelijk heeft Høyer ook nog bloembollen geplant in twee andere tuinen. Een daarvan zou de tuin van de bisschop zijn geweest. Die tuin was al aangelegd door de eerste Lutherse bisschop van Noorwegen, Gjeble Pederssøn (circa 1490-1556/57), die wordt gezien als de eerste botanicus van Noorwegen.

Drie jaar nadat in de Leidse hortus de eerste tulpen tot bloei waren gekomen, bloeiden ook in Noorwegen de eerste tulpen. Vermoedelijk verschenen, na een strenge winter, op 14 of 15 februari 1597 de eerste bloemen. De tulpen waren er in verschillende kleuren rood. Ook bloeide er één gele en één witte tulp. Tussen de tulpen stak in maart ook één keizerskroon de kop op. De krokussen lieten het afweten, ondanks het feit dat het in maart en april niet meer bijzonder koud was geweest. Begin april piepten er van de krokussen alleen een paar blaadjes boven de grond. De hyacinten kwamen wel in bloei, evenals een anemoon. Ook een Turkse lelie gaf bloemen.

Dat jaar viel er halverwege augustus veel regen. Høyer groef de bollen op om te voorkomen dat ze zouden rotten. Hij plantte ze opnieuw in grond die zanderiger was, maar veel succes had dit niet. Alleen de keizerskroon gaf nieuwe bollen. Geen enkele van de tulpen deed dat en ook de andere planten vermenigvuldigden zich niet.

tulpen in bergen, 2009, foto blue-quartz, cc by sa 2.0

Tulpen in Bergen in 2009. (Foto Blue Quartz, CC BY-SA 2.0)

Uitwisseling: bloembol en rendierkaas

Høyer ontving in augustus en september twee nieuwe ladingen bollen en zaden. Hij plantte alles conform de instructies die Clusius in zijn brieven gaf en schreef terug dat hij zich al verheugde op het voorjaar, wanneer de bollen tot bloei zouden komen. Mogelijk was Høyer aanvankelijk nog geïnteresseerd in de geneeskrachtige werking van de planten, maar hij koesterde ook belangstelling voor de botanie en gaandeweg ging zijn fascinatie voor horticultuur overheersen.

Høyer hield Clusius in brieven op de hoogte van het wel en wee van het pootgoed. In 1603 kampte hij, net als Clusius in Leiden overigens, met diefstal van bloembollen, waardoor onder meer tulpen, keizerskronen en anemonen verloren gingen. Høyer was woedend dat zijn “lievelingen” hem waren afgenomen. Ze zijn hem, zo schreef hij Clusius, dierbaarder dan goud en hij wenste de dief eeuwig lijden toe.

De correspondentie tussen Clusius en Høyer handelde niet alleen over bloembollen. Al vóór zijn reis naar Leiden had Høyer met Clusius gecorrespondeerd over onder andere moltebær (Rubus chamaemorus), de kruipbraam of gele bosbraam die in Noorwegen nog steeds als een delicatesse geldt. Uit de briefwisseling valt ook op te maken dat het de bedoeling was dat Høyer voor Clusius onderzoek zou doen naar inheemse planten in Noorwegen. Høyers drukke artsenpraktijk belette hem echter om de bergen in te trekken. Het doorkruisen van het Noorse berglandschap was volgens hem sowieso een “herculische taak”. Later informeerde Høyer Clusius over de “zee-struik” (Erica marina) en de vogels op de Faeröer, Shetland en Orkney eilanden. Høyer was lyrisch over de zee en vooral over zeewieren. “De zee produceert zoveel wonders,” schreef hij Clusius.

Høyer beval bij Clusius ook een Noorse student aan die naar Leiden reisde om aan de universiteit te gaan studeren. De jongeman stamde uit een vooraanstaande familie in het noorden van Noorwegen en via zijn verwanten zou hij Clusius allerlei informatie kunnen verstrekken over de volkeren daar. Høyer gaf de student enkele geschenken voor zijn Leidse vriend mee: twee rendierhuiden, een paar bontlaarzen (mogelijk Sámi laarzen van rendierbont) en een aantal ‘valse robijnen’, vermoedelijk gesteente dat voorkwam in de omgeving van Trondheim. Ook gingen er enkele gedroogde, in papier gevouwen planten voor Clusius mee en bladen uit een herbarium. In zijn begeleidende brief verontschuldigde Høyer zich voor deze geschenken, iets beters had hij niet kunnen vinden.

Clusius was niet de enige in Nederland met wie Høyer contact onderhield. Hij correspondeerde ook met de Leidse anatomicus Pieter Paaw (Pavius), van wie hij enkele tuinplanten ontving. Paaw kende hij mogelijk nog uit Rostock, waar deze in 1587, het jaar waarin Høyer daar ging studeren, tot doctor in de medicijnen promoveerde. Hij hield zich er vooral met ontleedkundig onderzoek bezig. Paaw moet in Rostock ook les hebben gegeven. In 1589 werd hij in Leiden aangesteld. Hoewel zijn verdiensten vooral in de anatomie liggen, was Paaw al in zijn studietijd ook geïnteresseerd in botanie. Sinds 1598 was hij belast met het toezicht op de Leidse hortus botanicus en hij schreef de eerste catalogus van de kruidentuin (in 1601 of 1603). In 1604 stuurde Høyer verschillende naturalia aan Paaw, waaronder rendierkaas en een zeevogel, verwant aan de jan-van-gent.

Høyer liet na zijn dood, in 1615 of 1616, een aanzienlijke verzameling documenten en geschriften na. Op last van de koning werd deze verzameling Noorse ‘antiquiteiten’ naar Kopenhagen gezonden, waar ze werd opgenomen in de collectie van de universiteitsbibliotheek. Daar verbrandden de documenten bij de grote stadsbrand van 1728. Ook Clusius’ brieven aan Høyer gingen daarbij verloren. Høyers brieven aan Clusius – zeven in totaal – zijn wel bewaard gebleven.

tulpen in oslo, 2014, foto Ana Gutiérrez, cc by nd 2.0

Tulpen in Oslo, 2014. (Foto Ana Gutiérrez, CC BY-ND 2.0)

Ballast

Klimaat noch bodem in Bergen zijn eigenlijk geschikt voor tulpen, maar ze houden hier toch al meer dan vierhonderd jaar stand. De tulp werd vermeld in het eerste Noorse tuinboek, Horticultura, dat werd geschreven door Christian Gartner en in 1694 verscheen. Blijkens het boek bestonden er toen al enkele honderden kleuren tulpen. Gartner gaf ook aanwijzingen wanneer en hoe de tulpenbollen geplant moesten worden: in oktober of november bij volle maan, voordat de grond bevroor, een handbreedte diep en op enige afstand van elkaar.

In de zeventiende en achttiende eeuw, toen Nederland en Noorwegen volop handel met elkaar dreven en er een druk scheepvaartverkeer tussen beide landen bestond, deed nog een andere tulpensoort vanuit Nederland zijn intrede. Schepen die naar havens aan de Noorse zuidkust voeren, hadden als ballast grond aan boord die in die havens (of vlak voor de kust in zee) werd gelost. In die aarde konden zich bollen van de bostulp (Tulipa sylvestris) bevinden, de enige tulpensoort die in Nederland in het wild voorkwam. Op die manier heeft de bostulp zich in het zuiden van Noorwegen verspreid. Arendal, een havenstad aan de Noorse zuidkust, heeft de bostulp (in het Noors villtulipan genoemd) in 1994 als bloem voor de gemeente gekozen.

Tulipa_sylvestris, cc by 2.5, foto Bernd Haynold

Bostulp. (Foto Bernd Haynold, CC BY 2.5)

Van de Scandinavische landen maakte Noorwegen als eerste kennis met de tulp. Denemarken en Zweden zouden pas rond 1630 voor deze bloem vallen. Tegenwoordig ontspruiten er in Noorwegen ieder jaar zo’n tachtig miljoen tulpen. De meeste tulpen die nu in dit land worden verkocht zijn daar ook geteeld. En op Tulipanens Dag, de derde vrijdag in januari, vieren de Noren hun veruit populairste snijbloem. Een Nederlandse twist heeft die nog altijd. De leus van de gezamenlijke tulpproducenten in Noorwegen klinkt menig Nederlander ongetwijfeld bekend in de oren: ‘Si det med tulipaner’ (Zeg het met tulpen).

Bronnen:
Baumann, Paaw, Pieter, lemma in Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, 1051-1052. 
Anders Bjarne Fossen, Henrik Høyer, in: Norsk Biografisk Leksikon. 
Anders Bjarne Fossen, Nicolaus de Freund, in: Norsk Biografisk Leksikon.
Anders Bjarne Fossen, Anders Foss, in: Norsk Biografisk Leksikon.
Kjell Lundquist, Lilies to Norway and cloudberry jam to the Netherlands; on the relationship, correspondence and exchange of naturalia between Carolus Clusius and Henrik Høyer, in: Florike Egmond, Paul Hoftijzer en Robert P.W. Visser, Carolus Clusius; towards a cultural history of a Renaissance naturalist, Amsterdam 2007, 145-169.
Kasper van Ommen, The Exotic World of Carolus Clusius (1526-1609); catalogue of an exhibition on the quatercentenary of Clusius’ death, Leiden 2009.
Anna Pavord, The tulip; the story of a flower that has made men mad, London 1999.
Svaneapoteket i Bergen, op Wikipedia.
www.tulipantips.no, website van de gezamenlijke Noorse tulpenproducenten. 
Tulipaner – hoffblomst, tulipanmani og ballastplante, op website www.skogoglandskap.no.
Tusenvis av tulipaner på Milde, op website van de Universiteit in Bergen, www.uib.no.

De briefwisseling (in het Latijn) tussen Høyer en Clusius is gepubliceerd op de website van het Huygens Instituut.

Advertenties

Een Hollandse zeeman in het barre Noorden (slot) – Over land naar huis

Marineofficier Cornelius de Jong belandde in het najaar van 1795 met het konvooi Oostindiëvaarders dat hij naar Nederland begeleidde in de haven van Trondheim. Oorlogsomstandigheden hadden hem doen uitwijken naar het neutrale Noorwegen, waar hij nadere orders uit Nederland afwachtte. Maandenlang verbleef hij hier en leerde hij het leven in het hoge Noorden van dichtbij kennen. In brieven aan een denkbeeldige vriend, die later werden gepubliceerd, beschreef hij zijn wederwaardigheden.

Een oude mismaakte matrone

Na bijna acht maanden in Trondheim ontving De Jong orders om de thuisreis te aanvaarden. Op 14 mei 1796 lichtten de schepen hun ankers. Omdat twee Engelse oorlogsschepen de achtervolging op hen hadden ingezet, zocht De Jong met zijn schepen ruim twee weken later beschutting in de haven van Bergen. Hij voelde zich er niet veilig. De Noorse versterkingen waren in zijn ogen onvoldoende en hij twijfelde of zijn eigen oorlogsfregatten aan de ingang van de haven sterk genoeg waren om vijandelijke schepen te beletten de haven binnen te dringen. Bovendien had hij gehoord dat de neutraliteit van de Noorse havens elders een wassen neus was gebleken. Hij voelde zich in Bergen slecht op zijn gemak en de stad zelf deed daar weinig goed aan. Het regenachtige Bergen was als “een oude mismaakte matrone, wier gemelijk humeur, vervelendheid en lastige etiquette alle menschen van zich verwijdert”. Wat een verschil met het bevallige Trondheim.

bergen 2001, foto Dean Morley, cc by nd 2.0

Ondanks zijn besloten ligging was de haven van Bergen weinig veilig voor de schepen van De Jong. Foto uit 2001. (Foto Dean Morley, CC BY-ND 2.0)

Midzomer

De viering van Sankthansaften, het midzomerfeest, op 23 juni maakte iets goed. Tegen een berghelling vlakbij de stad werden manden en tonnen op stokken gezet en in brand gestoken. Er waren kraampjes met bier, brandewijn en jenever en tafels waar koek, brood met kaas, worst en saucijzen, varkenskluifjes en andere versnaperingen werden verkocht. Vioolspelers en potsenmakers vermaakten het publiek. Intussen had men op het water en de omliggende bergen grote hopen hout en stro in brand gestoken. Ze brandden de hele nacht, terwijl het publiek joelde, sprong en danste. Het tafereel stemde De Jong wat milder over Bergen. Hij constateerde dat wanorde en onbetamelijk gedrag achterwege bleven en dat er zelfs geen ordebewakers nodig waren. “Een nieuw bewijs van de geschiktheid van den gemeenen man in Noorwegen.”

Net als in Trondheim verkeerde De Jong in Bergen in de hoogste kringen. Hij bezocht de Hollandse consul te Bergen, Jan Hendrik Fasmer, op diens buitenverblijf en woonde de huwelijksplechtigheid bij van de zoon van de Franse consul. Het oponthoud in Bergen duurde veel langer dan verwacht. Engelse fregatten kruisten onophoudelijk voor de kust. Het leek onmogelijk om Noorwegen over zee te verlaten. Daarom kreeg De Jong opdracht om de terugreis over land aan te vatten. Hij droeg het bevel van zijn schip de Scipio over aan de eerste luitenant en nam “niet zonder aandoening” afscheid van zijn bemanning. Op 17 juli vertrok hij onder elf daverende saluutschoten en een driewerf hoezee van de bemanning. Zijn reisgezelschap bestond uit een bediende en luitenant Akkerman, die hij als kadet vanaf Kaap de Goede Hoop had meegenomen.

Per boot en paard

Op zijn tocht, die per boot tot het eind van de Sognefjord en daarna met paarden over land tot aan de Zweedse grens bij Svinesund voerde, noteerde De Jong tal van wetenswaardigheden over het landschap, de natuur en de boerenbevolking. Ook noteerde hij details over de staat van de wegen en het comfort van de verblijven waar hij onderweg op was aangewezen.

Yttre-Kroken_i_Sogn, J.F. Eckersberg, tekening litho, 1848

Sognefjord. Tekening J.F. Eckersberg uit 1858.

Reizen in Noorwegen was toentertijd geen sinecure. De Jong besloot over Lærdal te reizen, waar hij grotendeels per boot door de Sognefjord naar toe kon. Hij had echter veel te stellen met de roeiers die een koopman in Bergen hem ter beschikking had gesteld. Als loods noch als matroos bezaten ze de juiste kwaliteiten, waardoor het gezelschap meerdere malen verdwaalde en door ongelukkige manoeuvres in levensgevaarlijke omstandigheden terechtkwam.

Vanaf het eind van de Sognefjord ging het verder over land: via Lærdal, Borgund (waar hij de nu nog beroemde staafkerk aanschouwde), langs de Randsfjord naar Christiania (het huidige Oslo) en van daaruit naar Fredrikstad en Svinesund. Dit deel van de reis werd per paard afgelegd. De Jong was onder de indruk van de behendigheid van de dieren. Ze wisten als geen ander hoe ze zich op de steile hellingen moesten bewegen en een berijder die dacht het beter te weten liep grote kans in de afgrond te belanden. Er waren in Noorwegen geen stalhouders, wel verspanplaatsen, waar reizigers hun paarden konden achterlaten en verse konden nemen. Daarom ging er altijd een man vooruit die op een verspanplaats zoveel paarden en mensen bestelde als er nodig waren, zodat de rest van het gezelschap die bij aankomst gereed vond. Voor de paarden werd per mijl betaald en daarboven nog per persoon. Er was een standaardtarief voor heel Noorwegen. Daarbovenop deed men naar believen nog een fooi, want, zo had De Jong ervaren, “alles vliegt voor een enkel dubbeltje”.

1183px-Norske_Folkelivsbilleder_-_no-nb_digibok_2007101713001-15

Reizen per paard was toentertijd in Noorwegen de meest geëigende manier om over land langere afstanden te overbruggen. (Tekening Adolph Tidemand, 1848)

Logies

Luxe verblijven waren er niet onderweg. Herbergen ontbraken nagenoeg, de reizigers waren aangewezen op logementhouders en de kwaliteit ervan wisselde sterk. Het meest ellendige verblijf vonden De Jong en zijn mannen in Sognefest. Hier moesten ze zelf hun aardappels schillen en koken en er was slechts één bed voor hen gedekt. De Jong rolde zich van arren moede in zijn reismantel, luitenant Akkermans kreeg het dekbed en de knecht lag op de kussens van de boot. Hoe anders was het in Lærdal. Daar vonden de heren op de ontbijttafel koffie, room, eieren en twee gebraden kippen (die ze inpakten voor de lunch). En vlakbij Hestekind hield een nette vrouw er een prima gastenverblijf op na. Ze zette een uitstekende fricassée van kip op tafel, alsmede omelet, “heerlijke” room, aardbeien, betere wijn dan De Jong ergens in Noorwegen had geproefd en brood. Dat laatste aten de mannen daar voor het eerst sinds hun vertrek uit Bergen. En zoals hun wel vaker overkwam: de dame wilde geen geld hebben.

Leven op het Noorse platteland

Onderweg gaf De Jong zijn ogen en oren goed de kost. Toen hij nog in Trondheim verbleef, had hij wetenswaardigheden over het leven op het platteland genoteerd. Hem was opgevallen dat de boeren er grotendeels zelfvoorzienend waren. Ze weefden hun eigen linnen kleding, maakten hun eigen schoenen, brouwden hun eigen bier en stookten hun eigen brandewijn. Zelfs de meubels in huis waren zelf vervaardigd en “en dat niet geheel zonder smaak”. De eenvoudige huizen waren van hout maar hadden desondanks iets aanzienlijks. Bij de boerenwoningen stonden een stal en – hoog van de grond om het ongedierte buiten te houden – schuren voor de opslag van graan, boter, kaas en andere levensmiddelen.

Ook de kleding van de boerenbevolking interesseerde De Jong. De boeren rond Trondheim droegen een kort leren wambuis met slobkousen en rode kousenbanden, de boerinnen een jak en rokken en over het hoofd een doek. De Jong verbaasde zich erover dat de boeren zich niet anders kleden als het koud was. Hij zag boeren met “open boezem, de ijskegels aan de hairen van de borst hangende”, terwijl ze zich in hun huizen in overmatig verwarmde vertrekken ophielden. Het temperatuurverschil tussen binnen en buiten kon oplopen tot wel 40 graden. Naarmate de reis vorderde, werd het land vruchtbaarder en nam de welvaart onder de boerenbevolking toe. Dat was ook te zien aan de kleding van de landlieden. Mannen kleedden zich in korte jasjes van karsaai en ten noorden van Oslo langs de Randsfjord zelfs in lange rokken (jassen) van laken (een zware wollen stof). In sommige gebieden schoren de boeren zich, in andere hadden ze baarden. De boerinnen droegen een linnen of katoenen jak en hadden een muts op het hoofd met een doek daaroverheen. In elk gebied had hun kleding eigen karakteristieken.

Norske Folkelivsbilleder

Enigszins geromantiseerd beeld van het plattelandsleven in Noorwegen rond het midden van de negentiende eeuw. (Tekening Adolph Tidemand, 1848)

Tegenaan de steile bergen was nauwelijks grond te vinden die bebouwd kon worden. Op de schaarse plekjes groen waar dat wel mogelijk was, was dan ook meteen een boer te vinden en hier en daar een kudde schapen of geiten. Aan de huizen, in bomen en tegenaan de rotsen werden berkentakken met bladeren gedroogd, die als voer voor deze dieren dienden. Omdat er zo weinig gras was, werden paarden en koeien soms de bergen in gejaagd om zelf hun kostje bij elkaar te zoeken. Het vee werd geweid op enkele uren, soms op enkele dagen afstand van huis. Een meid of knecht ging mee. In de lange winters stond het vee op stal.

Watervallen

In het landschap vielen de watervallen bij De Jong het meest in de smaak. Hij ervoer een mengeling van gevaar en schoonheid: “Het schuimend gebruisch en verdoovend ruischen van het neerstortend water, vereenigd met het gezicht der puntige rotzen, stijle klippen en hemelhooge bergen, die hier in eene dreigende gedaante op het vallen staan, ginds in afgescheurde brokken voor de voeten liggen, overrompelt de bedwelmde en getroffen zintuigen: voeg hierbij de bijzondere spelingen der konstige natuur, die men allerwegen, waar het gezicht zich ook henen wendt, in deze klippen en gevallen steenen ontdekt, en gij zult moeten erkennen, dat men het drijgend gevaar vergeet om in enkele bewondering weg te zinken.” Op veel plekken profiteerden de Noren van het vallende water door er watermolens te bouwen. Sommige watervallen telden wel zeven of acht molens.

foto Roman Königshofer, uit 2011

Watervallen dwongen diepe bewondering af bij De Jong. (Foto uit 2011 door Roman Königshofer, CC BY-ND 2.0)

Verkwisting

De Jong verbaasde zich over de verkwisting van hout in Noorwegen. Overal zag hij houten schuttingen waarvoor onnodig veel hout was gebruikt: dubbele palen die in de grond waren geslagen met daartussen schuin gelegde planken. Hij constateerde ook dat bij het omhakken van bomen geen rekening werd gehouden met de ouderdom van de boom. Daardoor ruimden jonge bomen, die werden gebruikt voor stokken, vroegtijdig het veld. Nog meer verbaasde De Jong zich over een ander risicovolle gewoonte van Noorse boeren. In de herfst hakten zij struiken om en legden deze met onder meer stro en heide op het land. In de volgende zomer werd dit in brand gestoken. Dat bevorderde de vruchtbaarheid van de grond, maar was niet zonder risico. Omdat het branden in de zomer geschiedde wanneer alles heel droog was, was het vuur niet altijd te controleren en richtte het in de nabijgelegen dennenbossen soms grote verwoestingen aan. De Jong pleitte voor een duurzaam gebruik van deze natuurlijke bron. Bij Moss zag hij stenen schuttingen. Een veel beter idee, vond hij. Hoewel het meer werk was om ze te plaatsen en het bouwmateriaal ook duurder was, waren ze op den duur toch voordeliger. Ze gingen langer mee en het hout dat voorheen in de schuttingen verdween werd nu te gelde gemaakt in de zaagmolens.

boydell, p. 271, christiania_1

Dichterbij Christiania leek alles welvarender. Gravure John William Edy in Boydell’s picturesque scenery of Norway (Londen 1820).

Terug naar zijn vaderland

Alles leek beter te worden naarmate Christiania dichterbij kwam. De wegen en bruggen werden beter, de boeren gingen welvarender gekleed en ze reden op wagens getrokken door een of twee paarden. De huizen hadden er glazen ramen, de schoorstenen waren er hoger en het brood was er witter en lekkerder. In de stad zelf aten De Jong en zijn reisgenoten zelfs een maaltijd die ze in een jaar niet hadden gezien, met bloemkool, doperwten, wortelen en kersen. Vanuit Oslo reisden ze via Fredrikstad verder naar de Zweedse grens bij Svinesund. Die bereikten ze op 30 juli 1796. Een veerpont bracht hen naar de overkant. Aan het Noorse avontuur van De Jong was een einde gekomen. Hij reisde via Göteborg, Kopenhagen en Hamburg naar Den Haag.

Drie jaar later zou De Jong – verdacht van verraad aan de Engelsen – huisarrest krijgen en later verbannen worden. Hij woonde toen in Kleve en Vught. In deze periode stelde hij zijn reisbeschrijvingen op schrift. Hij werd in 1813 gerehabiliteerd, maar zou niet meer in actieve dienst bij de marine terugkeren. Op 11 februari 1838 overleed hij in Den Haag.

Bronnen:
Carla van Baalen en Dick de Mildt (red.), ‘Weest wel met alle menschen’; de Kaapse brieven van Cornelius de Jong van Rodenburgh, Hilversum 2012.
Jaap R. Bruijn, Naval captain Cornelius de Jong’s unforeseen stay in Norway (1795-1796), in: Louis Sicking, Harry de Bles, Erlend des Bouvrie (eds.), Duth light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 93-112.
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ‘s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 2, Haarlem 1802 (ook online).
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ‘s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 3, Haarlem 1803 (ook online).

Een Hollandse zeeman in het barre Noorden (2) – Verblijf in de hogere kringen van Trondheim

Cornelius de Jong, die in 1794 als bevelhebber een konvooi Oostindiëvaarders naar Nederland begeleidde, moest vanwege oorlogsomstandigheden uitwijken naar het neutrale Noorwegen. Hij verliet dit land pas negen maanden later, na het van west naar oost te hebben doorkruist. Van zijn reis hield De Jong aantekeningen bij. Hij verwerkte die in brieven aan een denkbeeldige vriend, die in 1802 en 1803 werden uitgegeven. Ze geven een boeiend inkijkje in de avonturen van deze zeeman in het ‘barre Noorden’. Alle reden dus om in de Bryggenblogs De Jongs reis te volgen. In de eerste van de reeks bereikte De Jong over zee Trondheim. Deze tweede blog is gewijd aan zijn ruim zeven maanden durende verblijf in de Noorse havenstad.

De Jong bereikte met zijn fregat Scipio in de avond van 6 oktober 1795 de haven van Trondheim. Bij wijze van groet liet hij elf saluutschoten afvuren, die met negen schoten vanaf de vesting Munkholmen werden beantwoord. De Jong verbaasde zich erover dat de Noren de vlag niet hesen en liet navragen wat de reden daarvan was. Moest hij dit als een belediging opvatten? Een foutje, zo bleek, de Noren waren dit eenvoudigweg vergeten.

Trondheim_Munkholmen, foto Clemenz Franz, cc by sa 3.0

Munkholmen voor Trondheim. (Foto Clemenz Franz, CC-BY-SA 3.0)

De dag na zijn nachtelijke aankomst begaf De Jong zich aan wal en vervoegde hij zich bij de belangrijkste bestuurders van de stad. Zijn eerste zorg was de veiligheid van de schepen en hun kostbare lading. De Jong wendde zich tot de burgemeester van Trondheim, die toevallig viceconsul van Holland was geweest. Bij dit gesprek was ook de Noorse generaal Georg Frederik von Krogh aanwezig. Von Krogh meldde dat hij de haven al had voorzien van een militaire versterking. De Jong was nu verzekerd van bescherming door de Noren. Verder zat er weinig anders op dan orders uit Nederland af te wachten. Hij verbleef daarna zelden nog aan boord van de Scipio, maar nam zijn intrek in een burgerwoning in de stad, een adres dat hij kreeg via zijn zojuist gemaakte connecties.

Havenstad zonder herberg

Voor passerende reizigers moet het destijds een hele toer zijn geweest om in Trondheim een slaapplaats te vinden. Er waren geen herbergen. Reizigers waren aangewezen op de gastvrijheid van particulieren. Had je geen relaties in de stad, dan maakte je kans van deur naar deur te worden gestuurd, want niemand was verplicht om een vreemdeling onderdak te verschaffen. Voor een Hollandse bevelhebber die op grond van zijn positie gemakkelijk toegang had tot de hoogste kringen, was dit minder een probleem. De Jong werd meteen geïntroduceerd bij de vrienden van de burgemeester en bij een van hen werd een kamer voor hem vrijgemaakt.

Een Noors vriendenmaal

De Jong was die eerste middag al te gast in het buitenhuis van een van de rijkste kooplieden van Trondheim, ene heer Mencke. Dit zal hoogstwaarschijnlijk Henrik Meincke zijn geweest, op dat moment de belangrijkste koopman en reder in Trondheim en tevens een van de grootste aandeelhouders in de kopermijnen van Røros. Net als andere welgestelde inwoners van Trondheim had Meincke buiten de stad een landgoed, waar hij zich vermaakte met het buitenleven en verdiende aan de opbrengsten van de houtkap en het graan en de groenten die er werden verbouwd. Op zijn landgoed, dat zo’n vijftien tot twintig minuten buiten de stad lag, gaf Meincke die middag een feest ter ere van de verjaardag van generaal Von Krogh. Het was een mannenaangelegenheid, de vrouw en dochters des huizes lieten zich alleen even zien om “en chorus” enige liederen te zingen. Na de maaltijd en thee speelden de heren omber, een kaartspel dat zowel de Noren als de Nederlanders kenden, maar met andere spelregels.

Georg_F_von_Krogh_1732_1818_c_medium

Generaal Georg Frederik von Krogh (1732-1818) versterkte de militaire verdediging van de haven toen De Jong er met zijn schepen beschutting had gezocht.

De Jong voegde zich naar de etiquette van de Noren. Hij leerde hun wijze van begroeten (vrouwen omhelsden elkaar, mannen ook en gaven elkaar daarbij de rechterhand, vrouwen werden door hen begroet met een handkus), en nam hun gewoonte over om een vrouw aan de arm naar de eetzaal te leiden en staande achter de stoel te bidden alvorens aan tafel te gaan. Op het menu stonden vlees- en visschotels, waarbij groente en bessen (multibær en tyttebær) werden geserveerd. Tijdens de maaltijd wandelde de gastvrouw rond – soms ook de gastheer – om waar nodig gesprekken te verlevendigen en in de gaten te houden of iedereen wel voldoende te eten had. De wijn was van abominabele kwaliteit, aldus De Jong, en hij verwonderde zich over de gewoonte om de glazen nooit helemaal leeg te drinken. Bij het uitbrengen van een toost werd “Skål” gezegd, hetgeen volgens De Jong verwees naar ‘schaal’ of ‘schedel’ en afstamde van een oud gebruik toen men “er nog een wellust in stelde om uit de schaal of hersenpan van een overwonnen vijand te mogen drinken”. Na de maaltijd begaf het gezelschap zich naar een andere zaal, waar ze elkaar opnieuw omhelsden, een hand of handkus gaven en de gastvrouw bedankten met een ‘Takk for maten’ (volgens De Jong: “Tak for male”). Nadat er tussen twee uur en half vier was gegeten, werden er nu koffie en vervolgens thee gedronken, daarna kaartspelen gedaan, brandewijn en likeur gedronken, om vervolgens rond negen uur nogmaals aan tafel te gaan. Gewoonlijk duurde zo’n visite tot elf uur ’s avonds.

Het lijkt De Jong weinig moeite te hebben gekost om zich in deze kringen te bewegen. Hun cultuur was ook niet wezensvreemd van de zijne. De meeste van de mensen die hij ontmoette spraken Duits en Frans, sommigen ook Engels. In hun vriendennetwerken deelden ze dezelfde voorkeuren: muziek, dansen en de speeltafel. De kleding van de Noorse upper ten was zoals elders in Europa. Maar vanwege de kou droegen mannen buiten vaak nog een pels van rendiervellen en geen vrouw verliet het huis zonder een bontgevoerde jas.

Leven in Trondheim

Trondheim leefde van de visserij en de handel in hout, vis en koper. Hout kwam uit de bossen rond de stad, waar ook menige zaagmolen stond. Koper werd gewonnen in de mijnen bij Røros. En vissers brachten vanaf de zee en uit de rivier Nidelva, die dwars door Trondheim stroomde, allerlei soorten vis aan land. Zalm bijvoorbeeld, al vreesde De Jong dat zijn schepen met de ankers, touwen en het heen en weer varen van de sloepen dit jaar voor teveel onrust in het water hadden gezorgd en de zalm hadden verjaagd.

bryggerekka nidelva, ca. 1955, dia Johan Alme, GA Trondheim, cc by 2.0

Pakhuizen in Trondheim aan de Nidelva, circa 1955. (Collectie Gemeentearchief Trondheim, foto Johan Alme, CC-BY-2.0)

De Jong lijkt niet erg warm te lopen voor de stad zelf. De straten waren weliswaar ruim en breed, maar ongelijk en slecht bestraat. Ook de straatverlichting liet veel te wensen over en dat was vooral in de winter vervelend als het elke dag maar zo’n vier uur licht was. Behalve de domkerk waren er weinig bezienswaardige openbare gebouwen. Wel had De Jong oog voor enkele sociale voorzieningen die zich op een opmerkelijk hoog peil bevonden. De in 1767 overleden Thomas Angell, afkomstig uit een rijke koopmansfamilie, had een behoorlijke som geld aan de stad nagelaten, waarmee onder meer de aanleg van de waterleiding en -pompen was betaald. De stinkende grachten waren gedempt, omdat men ervan overtuigd was dat het stilstaande water ziekten veroorzaakte. Ook was met het geld uit de nalatenschap van Angell het weeshuis gerestaureerd en een vrouwenklooster gesticht.

Alle huizen in de stad waren van hout en De Jong verbaasde zich erover dat ook de rijke kooplieden van zulke houten huizen luxe verblijven hadden gemaakt. Er stonden imposante houtgestookte kachels en zelfs de slaapkamers werden verwarmd – bepaald geen overbodige luxe in een stad waar het een deel van het jaar “nijpend koud” was. De huizen waren er aangenaam warm, aldus De Jong, niet benauwd. Bij het slapen echter broeide het hem teveel onder de aldaar gangbare zachte donzen dekbedden. Twee dekens vond hij verkieslijker.

Domkerk, steendruk Carl Johan Fahlcrantz, 1821, GA Trondheim, cc by 2.0

Domkerk van Trondheim in 1821. Steendruk van Johan Carl Fahlcrantz. (Collectie Gemeentearchief Trondheim, CC-BY-2.0)

Een exotisch geschenk

Tijdens zijn verblijf bracht De Jong een bezoek aan de bibliotheek van het Koninklijk Noors Genootschap van Wetenschappen en Letterkunde (Det Kongelige Norske Videnskabers Selskab), dat in 1760 in Trondheim was opgericht. De bibliotheek imponeerde hem niet, al waren er toch wel enige goede werken op de planken terechtgekomen. Ieder lid was verplicht om bij toetreding een boek te schenken. Ook had het Genootschap een klein kabinet van naturalia, waarvoor de verzameling van een van de oprichters, bisschop Johan Ernst Gunnerus, de grondslag had gelegd. Het kabinet bevatte onder meer vissen, schelpen en insecten en ook noteerde De Jong “eenige aardige Noordsche koralen”. Tot de verzamelingen behoorden voorts een herbarium en een collectie mineralen, die voornamelijk afkomstig waren uit de kopermijnen van Røros en Meldal en uit de zilvermijn van Kongsberg.

J.C. Schønheyder, 1742-1803, GA Trondheim cc by 2.0

Bisschop Johan Christian Schønheyder (1742-1803), tevens vicepresident van het Noorse wetenschappelijk genootschap. (Foto collectie Gemeentearchief Trondheim, CC-BY-2.0)

De Jong had op zijn reis naar Kaap de Goede Hoop enige exotica verworven. Vermoedelijk had hij deze bij de Kaap gekocht, aangezien hij niet in de Oost was geweest. Bij het zien van de verzameling in Trondheim besloot hij zijn collectie aan te bieden aan het Noorse genootschap. De vicepresident, bisschop Johan Christian Schønheyder accepteerde de schenking “met greetig genoegen”. Zo werd de Noorse verzameling dankzij een Nederlander in één klap uitgebreid met huiden van hyena’s, luipaarden, leeuwen en andere dieren, alsmede zo’n twintig vogels van Kaap de Goede Hoop, insecten uit Indië en China, vissen op sterk water (brandewijn!) en gedroogde zeegewassen. De leden van het genootschap kwamen enkele dagen later in een buitengewone vergadering bijeen om de aanwinsten te bekijken. Daags erna stond de bisschop weer voor De Jong om hem namens alle leden te bedanken voor de vele ‘zeldzaamheden’ en hem het lidmaatschap van het genootschap aan te bieden. De Jong stemde dankbaar toe met dit “vleijend en verpligtend aanbod”.

astragalus alpinus, van Tromsø, 1767, Gunnerus herbarium, NTNU Vitenskapsmuseet, cc by 2.0

Astragalus alpinus, uit het herbarium van Gunnerus. (Collectie NTNU Wetenschapsmuseum)

In de volgende blog tart De Jong de elementen als hij – ingepakt in berenvellen – op een slede naar Røros afreist om er de kopermijnen te gaan bekijken.

Bronnen:
Jaap R. Bruijn, Naval captain Cornelius de Jong’s unforeseen stay in Norway (1795-1796), in: Louis Sicking, Harry de Bles, Erlend des Bouvrie (eds.), Duth light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 93-112.
Norsk Biografisk Leksikon (Henrik Meincke
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ‘s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 2, Haarlem 1802 (ook online).

Noorse kerstbomen voor vrede en vriendschap

In Gouda prijkt hij straks weer in al zijn pracht op de Markt. De kerstboom uit het Noorse Kongsberg. Ook andere steden in Nederland en Europa ontvangen elk jaar een kerstboom uit Noorwegen. Waar komt die traditie vandaan? En wat willen de Noren ermee zeggen?

Oorlog

Noorwegen begon na de Tweede Wereldoorlog met het schenken van kerstbomen aan andere landen waarmee het vriendschappelijke betrekkingen onderhield. Het land was toen nog een jonge natie. Als autonome staat bestond het pas sinds 1905. Dankzij een neutraliteitspolitiek was het buiten de Eerste Wereldoorlog gebleven en datzelfde streefden de Noren na toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Tevergeefs, de Duitsers bezetten het land. De koninklijke familie en regering weken uit naar Engeland. Ook de Noorse vloot werd in Engelse havens ondergebracht. Na de oorlog leken de Noren aanvankelijk weer voor een neutraliteitspolitiek te kiezen. Enigszins aarzelend aanvaardden ze de Marshallhulp. Maar weldra zette Noorwegen de eerste stappen naar de vorming van een militair bondgenootschap. Met de Scandinavische landen mislukte dat, maar Noorwegen was in 1949 een van de eerste landen die toetraden tot de NAVO. En de Noor Trygve Lie was sinds 1945 de eerste secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

Voorbereidingen in de bossen bij Oslo voor het omzagen van de boom die als geschenk naar Londen zal afreizen. (Foto Oslo kommune/Sturlason)

Voorbereidingen in de bossen bij Oslo voor het omzagen van de boom die als geschenk naar Londen zal afreizen. (Foto Oslo kommune/Sturlason)

Symbool van hoop

In deze jaren stuurde Noorwegen de eerste kerstbomen naar buitenlandse steden. In 1947 ging voor het eerst een Noorse fijnspar naar Londen, als dank voor de hulp tijdens de oorlog. Rotterdam viel in 1951 de eer te beurt. Oslo schonk Rotterdam een grote spar om hoop en steun te geven bij de wederopbouw van de stad, die in de oorlog zwaar getroffen was. Ook andere steden in Europa en de Verenigde Staten ontvingen eenzelfde geschenk. Een gebaar van hoop en vriendschap naar andere landen die – net na de Tweede Wereldoorlog – de betekenis van vrede, vrijheid en internationale solidariteit opnieuw aan het definiëren waren. En Noorwegen zelf benadrukte daarmee zijn nieuwe rol op het wereldtoneel.

Allengs raakte het verband met de oorlog op de achtergrond. Het uitdelen van de kerstbomen werd meer in het algemeen een uiting van vriendschap met andere landen en steden. Dat paste bij het kerstfeest dat zich in de twintigste eeuw in de westerse wereld ontwikkelde tot een feest van vrede en solidariteit.

trafalgar tree oslo, 19-11-2014, foto Oslo kommune, Sturlason

De boom voor Londen is door de burgemeesters van Oslo en Westminster omgezaagd en wordt onder het toeziend oog van schoolkinderen op een vrachtauto geladen. (Foto Oslo kommune/Sturlason)

Iele bomen uit Trondheim

Jarenlang ontving ook Amsterdam een kerstboom uit Noorwegen. De boom werd geplaatst voor het Paleis op de Dam. De stad Trondheim bood de boom voor het eerst in 1963 aan, als dank voor de vriendelijke wijze waarop Amsterdam het jeugdorkest Bispenhaugen uit Trondheim had ontvangen. Zo’n honderd jongens en meisjes waren eerder dat jaar voor een optreden naar Amsterdam gereisd, maar er was verzuimd onderdak voor hen te regelen. Alle hotels zaten vol, maar de gemeente regelde in allerijl toch slaapplaatsen. Jaar na jaar kwam er vanuit Trondheim een spar richting Amsterdam. Maar gaandeweg leek het wel of de gulle gevers wat minder nauw keken bij het uitzoeken van de boom. Die werd naar de mening van de Amsterdammers steeds lelijker. En toegegeven, uit foto’s blijkt dat ze niet helemaal ongelijk hadden. Het exemplaar van 1992 had zulke iele takken dat er geen lampjes in konden en dat uit 1999 leverde alleen in gezelschap van zes andere bomen nog een beetje volle aanblik. In het jaar 2000, toen de Dam toch al op de schop ging, gaf het Amsterdamse gemeentebestuur aan Trondheim te kennen geen nieuwe boom meer te willen ontvangen. Tegenwoordig komt de kerstboom op de Dam uit de Ardennen.

Vriendschapsbanden

De teleurstellende ervaring van de Amsterdammers daargelaten bezegelden de Noorse kerstbomen de vriendschapsbanden met andere landen en steden. Dat deden ook de jumelages (stedenbanden), die na de Tweede Wereldoorlog werden aangegaan. Ze waren gebaseerd op het idee dat toenadering en samenwerking tussen landen noodzakelijk zijn om de vrede te bewaren. Geen wonder dus dat de twee Nederlandse gemeenten die een jumelage met een Noorse stad hebben elk jaar een kerstboom uit Noorwegen ontvangen.

Gouda, 2007, foto Raymond Bosma, CC BY-ND 2.0

De kerstboom uit Kongsberg voor het stadhuis op de Markt in Gouda. (Foto Raymond Bosma, CC BY-ND 2.0)

Gouda en Kongsberg zijn sinds 1956 zustersteden en de Noorse stad levert sinds dat jaar de grote kerstboom die in Gouda op de Markt voor het stadhuis staat. De banden waren een aantal jaren eerder al gesmeed toen het Byorkester uit Kongsberg – alweer een orkest! – deelnam aan een muziekconcours in Gouda. Naar verluidt vroeg Gouda enkele jaren later zelf om een boom – een verzoek dat de Noren inwilligden. Sinds die tijd wordt de boom, die 18 tot 24 meter hoog is, medio november in de bossen bij Kongsberg omgezaagd, op een vrachtwagen geladen en vanuit de haven van Brevik per boot via een Engelse haven naar Rotterdam vervoerd om van daaruit op een dieplader naar Gouda te worden gereden. Op Kaarsjesavond, die in Gouda sinds 1958 wordt gevierd, worden de lichtjes in de boom ontstoken. Als dank gaf Gouda in 2005, toen ze voor de vijftigste keer een boom had ontvangen, een kerstboom van glazen pegels aan Kongsberg.

Ook Emmeloord pronkt in de kersttijd met een spar uit Noorwegen. De boom van ongeveer 10 meter hoog komt uit Ringerike, sinds 1970 partnergemeente van de gemeente Noordoostpolder. Ringerike ontvangt elk jaar tulpenbollen uit de Noordoostpolder. Ook schonk de Nederlandse gemeente een historisch anker aan de Noorse gemeente en omgekeerd zijn de zwerfkeien voor het museum in Schokland weer een geschenk uit Noorwegen.

Ceremonieel

Rond het omhakken van de boom en het ontsteken van de lichtjes groeiden verscheidene ceremonies, waarin de vriendschapsbanden tussen Noorwegen en Nederland telkens werden bezegeld. Vanuit sommige gemeenten reisde midden november de burgemeester of een andere afgevaardigde van het gemeentebestuur naar Noorwegen om er het omhakken van de boom bij te wonen. De ceremonie werd veelal opgeluisterd door zingende Noorse schoolkinderen. Omgekeerd kwamen delegaties uit Noorwegen naar Nederland om het ontsteken van de lichtjes bij te wonen.

zingende schoolkinderen oslo, trafalgar tree 2014, foto Oslo kommune, Sturlason

Zingende schoolkinderen bij het omhakken van de boom voor Trafalgar Square in de bossen bij Oslo, 2014. (Foto Oslo kommune/Sturlason)

De traditie is behalve in Amsterdam ook in Rotterdam gestopt. In 2013 kwam er voor het laatst een boom uit de bossen bij Oslo naar Rotterdam. De Noren, die behalve het omzagen ook het transport van de boom betaalden, gaven te kennen het jaarlijkse cadeau te duur te vinden en te belastend voor het milieu. In Gouda en Emmeloord arriveert de boom nog wel elk jaar.

Bronnen:
Dank voor kerstboom, door Monique Snoeijen, in NRC 11 december 2000.
Noorse kerstboom verlicht hart van Emmeloord, 19 december 2013, op www.flevopost.nl.
Over Gouda bij Kaarslicht – ‘de traditie‘ en ‘over de kerstboom‘ op website goudabijkaarslicht.nl. 
Kerstmis, op www.jefdejager.nl.
Diverse landelijke kranten.

De kerstboom die voor Londen is bedoeld, is momenteel op zijn reis vanuit Oslo te volgen via zijn eigen Twitteraccount: @trafalgartree.

Hoe een Fries de klipvis naar Noorwegen bracht

Noorwegen is de grootste leverancier van klipvis ter wereld. De droge, zoute vis kreeg vooral bekendheid als bacalao en wordt door koks over de hele wereld bereid. De export van klipvis is al eeuwenlang van grote betekenis voor Noorwegen. Dat hebben de Noren onder meer te danken aan een Friese koopman, die eind zeventiende eeuw in Kristiansund een nieuwe conserveermethode van vis introduceerde.

Het drogen van klipvis op de rotsen met zicht op Kristiansund (1922). (Norsk Folkemuseum, foto Anders Beer Wilse)

Het drogen van klipvis op de rotsen met zicht op de haven van Kristiansund (1922). (Norsk Folkemuseum, foto Anders Beer Wilse)

Geleerd van de Basken

Klipvis was al aan het eind van de middeleeuwen in Spanje en Portugal bekend. Basken voeren naar Newfoundland om in de wateren daar te vissen. De vis werd gezouten, zodat deze op de terugreis niet zou bederven. Jappe Ippes, een Fries van geboorte, maakte op Newfoundland kennis met deze methode. Ippes’ vader was koopman in Trondheim. Hijzelf vestigde zich in Lille-Fosen, een kleine havenplaats aan de westkust van Noorwegen, ten zuiden van Trondheim. Het plaatsje zou uitgroeien tot Kristiansund. Ippes startte hier met de productie van klipvis.

Tot die tijd was in Noorwegen een andere methode in gebruik om kabeljauw (of witvis) te conserveren. Daarbij werd de vis in de wintermaanden aan houten rekken te drogen gehangen. Die vis kennen we als stokvis. Anders dan bij klipvis kwam aan de bereiding van stokvis geen zout te pas. Klipvis wordt gemaakt van kabeljauw, ook wel van leng, lom, schelvis of koolvis. Volgens kenners geeft kabeljauw die gepaaid heeft de beste klipvis.

Handelsgeest

Ippes bleek over een uitstekende handelsgeest te beschikken en schatte goed in hoe gunstig de omstandigheden waren om juist op die plek klipvis te maken. In Europa was er veel vraag naar klipvis en Noorwegen lag voor deze markt veel gunstiger dan bijvoorbeeld Noord-Amerika. Bovendien werkte de natuur een handje mee. De kale, platte rotsen aan de kust waren ideale plekken om de vis te drogen. En niet in het minst zorgde de koude noordenwind in het voorjaar voor prima omstandigheden voor dit droogproces. Arbeidskracht was er in de omgeving voldoende en die was naar alle waarschijnlijkheid ook nog eens heel goedkoop.

Wassen en zouten

De kabeljauwvisserij voor de Noorse westkust ging begin februari van start en duurde tot eind april. Zodra de vissersboten in de haven arriveerden, kwamen de vrouwen naar de kade om de vis te wassen. Aanvankelijk gebeurde dat in het zeewater, later kwam er een speciale wasruimte op de kade. Daarna werd de vis vanaf de buik tot aan de rug opengesneden. Zo kon een zo groot mogelijke oppervlakte te drogen worden gelegd. De opengesneden vis werd naar speciale pakhuizen gebracht om te worden gezouten. Daarna werd de vis laag voor laag gestapeld en bewaard in afwachting van de juiste weersomstandigheden om de vis buiten te drogen te leggen.

Klipvis wordt op de rotsen bij Kristiansund te drogen gelegd. Foto uit 1922 door Anders Beer Wilse. (Collectie Norsk Folkemuseum)

Klipvis wordt op de rotsen bij Kristiansund te drogen gelegd (1922). (Norsk Folkemuseum, foto Anders Beer Wilse)

Drogen op de rotsen

De ronde, kale rotsen aan de kust waren een uitstekende plek om de vis in de voorjaarszon verder te laten drogen. Ook hier werd de vis op den duur in lagen opgestapeld. Zeskantige schermen dekten de stapels af. Het droogproces nam een tot enkele maanden in beslag, afhankelijk van de weersomstandigheden. Met de duizenden, soms zelfs enkele honderdduizenden vissen die hier op de rotsen lagen, kon in die maanden heel wat misgaan. Als het te warm werd op de rotsen verbrandde de vis. En als er neerslag viel, kon de vis nat worden. De arbeid(st)ers moesten dus goed opletten, want de kwaliteit en daarmee ook de prijs van het eindproduct stonden op het spel.

De stapels klipvis onder de houten schermen bij Kristiansund (1922). (Norsk Folkemuseum, foto Anders Beer Wilse)

De stapels klipvis onder houten schermen bij Kristiansund (1922). (Norsk Folkemuseum, foto Anders Beer Wilse)

Handel

Al tijdens het drogen werd de klipvis gesorteerd naar grootte. Later volgde een selectie op droogtegraad en uiterlijk. Daarna kon de klipvis in de handel worden gebracht. Vooral Spanje, Portugal en de voormalige kolonies van deze landen in Afrika en Latijns-Amerika waren grote afnemers.

De klipvisproductie en -handel aan de kust van Møre og Romsdal werd een groot succes. Aangetrokken door de rijke visgronden en de ideale klimatologische omstandigheden vestigden zich hier vanaf 1730 Engelse en Schotse kooplieden die zich toelegden op de export van klipvis. Dat legde de havenplaats Lille-Fosen geen windeieren. Deze kreeg in 1742 stadsrechten en heette vanaf dat moment Christiansund, naar koning Christian VI, die de stadsrechten had verleend. Behalve Kristiansund profiteerden ook de vissersdorpen aan de kust van de bloeiende nieuwe bedrijfstak.

Opslag van klipvis in Kristiansund (1922). (Norsk Folkemuseum, foto Anders Beer Wilse)

Opslag van klipvis in Kristiansund (1922). (Norsk Folkemuseum, foto Anders Beer Wilse)

De klipvishandel bouwde voort op de contacten die de Noren in de eeuwen daarvoor hadden gelegd in de hout- en haringhandel. Ze deden zaken met kooplieden uit de grote Europese landen, vooral veel Nederlanders. Lokale boeren, vissers, kooplieden en ook ambtenaren was het handelsbedrijf zodoende niet vreemd. Ook bestond er daardoor al een tol- en exportsysteem.

De klipvisproductie bleef zo’n tweehonderd jaar van grote betekenis voor Kristiansund. De stad was in de negentiende eeuw de op drie na grootste exporthaven van Noorwegen. In economisch belang streefde de klipvishandel de hout- en haringhandel voorbij. In de jaren tachtig van de negentiende eeuw ontstond een concurrentiestrijd tussen kooplieden uit Molde en Kristiansund. Inzet was de controle over de zuidelijke vissersdorpen. Dat bleef niet zonder gevolgen: de handel in klipvis stortte in. Later herstelde hij zich weer. Tegenwoordig is niet Kristiansund de grootste exporthaven voor klipvis, maar het zuidelijker gelegen Ålesund. Het drogen van de vis gebeurt inmiddels overigens op industriële wijze.

De haven van Kristiansund in 1848. Tekening door Arne Larsen.

De haven van Kristiansund in 1848. (Tekening Arne Larsen)

Klipvis met kerst

Noorwegen werd wereldwijd de grootste leverancier van klipvis, maar de Noren zelf aten het gerecht aanvankelijk niet. In de omgeving van Kristiansund werd – voor zover we weten – pas rond het midden van de negentiende eeuw klipvis gegeten. Het gaat om een vermelding bij een kerstmaaltijd, maar uit alles blijkt hoe uitzonderlijk dit eigenlijk toen nog was. Pas in de twintigste eeuw zou klipvis zijn intrede doen in de Noorse keuken. Dat gebeurde vanuit Spanje toen de mediterrane keuken de noordelijke landen veroverde. Nu kun je in heel wat Noorse restaurants bacalao bestellen, een gerecht van klipvis met tomaten, paprika, olijfolie, uien, aardappelen en Spaanse peper.

Onfortuinlijke afloop

En Jappe Ippes? Voor hem draaide het klipvisavontuur uit op een regelrechte ramp. Hij ging failliet. Vermoedelijk werd hij het slachtoffer van de wet van de remmende voorsprong. In Nederland lijkt hij totaal vergeten. Wie weet vandaag de dag dat een Fries de klipvis in Noorwegen introduceerde? In Noorwegen daarentegen klinkt zijn naam nog wel. Zo houdt Kristiansund de herinnering aan hem levend met een naar hem vernoemde weg: de Jappe Ippes vei.

Bronnen:
Hvordan kom klippfisken til Kristiansund?, op: www.klippfiskbutikken.no.
Jarle Sanden, Klippfisk, mathistorie på tvers av landegrenser, op: www.saltkyst.no.
Klippfish Museum, op: www.nordmore.museum.no.