Noors design steelt de harten in Milaan

Toen afgelopen zondag de deuren aan de Via Ventura 6 in Milaan sloten, kon Noorwegen terugkijken op een uitstekende performance tijdens de prestigieuze Salone del Mobile. Hét design evenement waar de hele wereld naar kijkt, vond dit jaar plaats van 12 tot 17 april. Noorwegen was er present met 26 ontwerpers. Omdat de mogelijkheden om hun ontwerpen in productie te krijgen in eigen land beperkt zijn, hoopten zij in Milaan onder meer de aandacht te trekken van producenten uit het buitenland.

Ook vorig jaar presenteerde Noors design zich in Milaan, toen onder de noemer Norwegian Presence. Dit jaar was Structure het overkoepelende thema. Verscheidene organisaties sloegen voor deze expositie de handen ineen: Klubben (Noorse designers), Norwegian Crafts (hedendaagse kunstnijverheid) en de verffabrikant Jotun, die de kleurstelling ontwikkelde. De styling en inrichting van de ruimte was in handen van het duo Kråkvik & D’Orazio en van Hanna Nova Beatrice, chef-redacteur van het Zweedse designmagazine Residence.

De ontwerpen in Milaan waren van meest jonge Noorse designers. Inspiratie haalden zij van over de hele wereld, soms ook heel dichtbij huis. Vera & Kyte, de designstudio van Vera Kleppe and Åshild Kyte uit Bergen, liet zich inspireren door de vormen en kleuren van de steden Los Angeles, Tokyo en Rome. Ze maakten sets van grafische tegels die kunnen dienen als onderzetter, pannenonderzetter of dienblad.

Tiles VITRA.indd

Navigate. Ontwerp Vera & Kyte. (Foto Siren Lauvdal)

In de archieven van de gerenommeerde Noorse zilversmid Theodor Olsen trof Lars Beller Fjetland een oud ontwerp voor een bestek aan. Het dateert uit de jaren 1950, maar het bestek werd nooit in productie genomen. Fjetland bewerkte het design. De hartvormige bladen en de lange stelen van de monstera (gatenplant) inspireerden hem tot het ontwerp van de asymmetrische bestekonderdelen: een weerspiegeling van de gatenplant, die in staat is om twee soorten bladeren te laten groeien: dichte en vingervormige.

salone_norwegian_004-1050x700, foto Siren Lauvdal_1

Monstera. Ontwerp Lars Beller Fjetland. (Foto Siren Lauvdal)

Het is geen sofa en evenmin een armstoel. Sara Polmar ontwierp Between, een zitmeubel dat uitnodigt tot het ontdekken van nieuwe vormen van ‘zitten’, alleen of met anderen. Noorse meubeldesigners gooiden vanaf de jaren zestig al hoge ogen met het zoeken naar nieuw zitcomfort. Sara Polmar ging opnieuw op zoek. De zitting, rug en armleuning van haar meubel zijn uitgevoerd in Noorse wol en hebben verschillende kleuren en structuren.

Structure-produkt-21_1

Between. Ontwerp Sara Polmar. (Foto Siren Lauvdal)

Noorwegen zou Noorwegen niet zijn als op deze designtentoonstelling de experimenten met materialen en technieken niet zouden overheersen. Anja Borgersrud ontwierp Shake: drie strooivaten voor zout, peper en suiker. Ze lijken op kiezelstenen en degene die het vat vasthoudt, zou er een moment van meditatieve kalmte door ervaren.

Structure-produkt-3_1

Shake. Ontwerp Anja Borgersrud. (Foto Siren Lauvdal)

Een boeiende uitdaging ging Anette Krogstad aan. Zij slaagde erin steengoed te creëren met een oppervlakte die lijkt op korstmossen. Ze vormde de borden met de hand en glazuurde ze in drie tot vier lagen om het bedoelde effect te krijgen.

Structure-produkt-2_1

Steinlav. Ontwerp Anette Krogstad. (Foto Siren Lauvdal)

Opvallend veel ontwerpers vonden hun kracht in de combinatie van materialen. Het designduo gunzler.polmar maakte Pour, een klassieke set bestaande uit een waterkan en bijbehorend bekken. De kan is van porselein, het bekken van ruw steengoed. Aanvulling en contrast in een.

salone_norwegian_002-1050x700, foto Siren Lauvdal

Pour. Ontwerp gunzler.polmar. (Foto Siren Lauvdal)

Kristine Bjaadal combineerde in Sfera twee verschillende materialen: essenhout en het unieke Noorse gesteente larvikite, dat bij de zuidelijke kustplaats Larvik gewonnen wordt. Een soortgelijke combinatie liet ze eerder ook zien in de series Hegne (houten potten met deksels van keramiek) en Hold (glazen potten met houten deksels).

Bjaadal_Sfera_3_WEB, foto Lasse Fløde_1

Sfera. Ontwerp Kristine Bjaadal. (Foto Lasse Fløde)

Een onverwachte combinatie van materialen maakte Barmen & Brekke met Kveik. Kveik – het Noorse woord voor ontbranden – is een serie van drie kaarsenstandaards, die vijf soorten klei en vijf in Noorwegen voorkomende houtsoorten verenigt. Elk object is gemaakt met de techniek van het draaien, een van de oudste methoden om materialen in een vorm te dwingen.

kveik-kirsebc3a6r-alm-ask, foto Barmen & Brekke

Kveik. Ontwerp en foto Barmen & Brekke.

De sporen die ambachtelijke technieken nalaten, geven de producten die ermee zijn gemaakt karakter en levendigheid. Ze ontbreken vaak in producten die met moderne industriële of computergestuurde technieken zijn gemaakt. Sverre Uhnger echter liet de groeven en afdrukken van de CNC-freesmachine intact. Ze zeggen iets over het maakproces en hebben tegelijkertijd een decoratieve functie. Trace is een collectie van houten serveerbladen en planken.

Trace_SverreUhnger_3, foto Siren Lauvdal_1

Trace. Ontwerp Sverre Uhnger. (Foto Siren Lauvdal)

En last but not least springt de bronzen vaas Vigeland in het oog, ontworpen door Andreas Engesvik, een van de grootste namen uit de hedendaagse Noorse designwereld. De vaas is zijn antwoord op het Vigeland Park in Oslo, dat gewijd is aan de imponerende sculpturen van de kunstenaar Gustav Vigeland. Met de vaas onderzoekt Engesvik de relatie tussen het fundamentele en het door mensenhanden gemaakte. De zwaarte en het ogenschijnlijk onveranderlijke van het object plaatst hij als het ware naast het veranderlijke karakter van de inhoud.

Structure-produkt-1_1

Vigeland. Ontwerp Andreas Engesvik. (Foto Siren Lauvdal)

De expositie Structure trok veel aandacht in de internationale designwereld. Toonaangevende media besteedden er aandacht aan: Wallpaper, Dezeen, Disegno en AnOther bijvoorbeeld. Noorwegen heeft opnieuw zijn visitekaartje afgegeven.

Kijk voor alle ontwerpen op www.norwegianstructure.com.

Advertenties

Bunad: streekdracht tussen historische precisie en rijke fantasie

Veel Noren hebben het kostuum in hun kast hangen: de bunad. Het verbindt hen met hun familie, de streek waar hun familie vandaan komt en met hun land. De trotse bezitters trekken hun bunad aan op hoogtijdagen van de familie en op 17 mei, de nationale feestdag van Noorwegen. De bunad is een kostbaar kostuum met een grote historische betekenis, maar veel minder oud dan je misschien zou denken.

17 mai in Trondheim, bunad Trøndelag, 2008, foto Sigmund, cc by 2.0

Vrouwen in de bunad van Trøndelag tijdens de 17 mei viering in Trondheim. (Foto Sigmund, CC BY 2.0)

Nationale romantiek

Het model van de kledingstukken, de stoffen en het kleurgebruik van de bunads doen denken aan de traditionele streekdrachten die op het Noorse platteland werden gedragen. In sommige gebieden verdween deze traditionele kleding pas in de loop van de twintigste eeuw. In andere regio’s was dit proces al vóór het midden van de negentiende eeuw volop gaande. Juist in die tijd gingen stedelingen anders kijken naar het platteland – een ontwikkeling die zich elders in Europa ook voordeed. De snelle maatschappelijke veranderingen als gevolg van de opkomst van de industrie en nieuwe communicatiemiddelen bracht met name onder de stedelijke burgerij een behoefte teweeg aan stabiliteit en continuïteit. Die vond men in de oude boerensamenleving die al eeuwen onveranderd leek. Elementen daaruit werden salonfähig gemaakt. Kunstenaars wierpen zich in hun ateliers op de ruige natuur, de vaak grove vertellingen uit de volkscultuur gingen door een literair filter en volksmuziek werd omgezet in verfijndere muziekstukken. Ook de belangstelling voor streekdrachten groeide. In toneel- en dansvoorstellingen traden mensen in gereconstrueerde oude kostuums op en tentoonstellingen presenteerden de traditionele kleding als museumstukken. Ook kunstschilders die werkten in de stijl van de nationale romantiek – een nieuwe kunststroming in die tijd – beeldden mensen in traditionele plattelandskledij af.

Adolph_Tidemand_-_Portrait_of_Gunild_Olsdatter_from_Tinn_-1848_Google_Art_Project_1

Geschilderd portret van Gunild Olsdatter door Adolph Tidemand, 1848.

Hardanger levert de nationale dracht

Vrouwen uit de burgerij gingen als eerste bij feestelijke gelegenheden een streekdrachtkostuum dragen. Dat waren geen oude kledingstukken, maar een nieuw ontworpen kostuum. Dit was geënt op de streekdracht uit Hardanger, de regio die ook in de nationaal-romantische kunststroming veruit favoriet was. Zo’n nieuw kostuum werd een ‘bunad’ genoemd. Een belangrijke rol bij de verspreiding van de bunad speelden de vrijzinnige volkshogescholen, die juist in die tijd werden opgericht. Leerlingen leerden op school een eigen bunad te naaien. De Hardangerbunad werd in die jaren omgevormd tot de nationale dracht van Noorwegen.

A Hardanger girl Hardanger Fjord Norway

Portretfoto van jonge vrouw in Hardanger kostuum. (CC BY 2.0)

Een bunad was Noors genoeg als hij bestond uit een zwarte rok met een rood lijfje en een geborduurde beuk daarin. De hemden met lange mouwen die daaronder werden gedragen, varieerden van modeblouses en nachthemden tot geborduurde hemden zoals vrouwen in Hardanger die droegen. Het borduurwerk was soms identiek aan het borduurwerk van het Hardanger kostuum, maar kon ook zijn gemaakt naar patronen die op dat moment in de burgermode populair waren. De toeristenindustrie gaf een impuls aan het succes van de (Hardanger)bunad, onder meer doordat er veel postkaarten verschenen waarop meisjes in dit kostuum waren afgebeeld. De bunad raakte ook in zwang als kleding voor serveersters in cafés.

17 mei 1914, coll. Nasjonalbiblioteket

17 mei optocht in 1914 met meisjes in Hardangerbunad. (Collectie Nasjonalbiblioteket Oslo)

Politieke betekenis

In de late jaren 1880 kreeg de bunad ook politieke betekenis. Hij werd het symbool van het streven naar een autonome Noorse staat. Sinds 1814 was Noorwegen in een unie verenigd met Zweden en vóór die tijd had het land meer dan vierhonderd jaar onder Deense heerschappij gestaan. In de laatste decennia van de negentiende eeuw groeide het verzet tegen de unie. De Noorse nationalistische beweging voerde een felle campagne voor een onafhankelijke Noorse staat, die er in 1905 ook daadwerkelijk kwam, en voor alles wat specifiek Noors heette te zijn. Daaronder de bunad. Voorstanders van de unie met Zweden beschouwden het dragen van een bunad als een opstandige daad. De reacties waren heftig; meisjes in bunad werden zelfs bespuugd. In de Tweede Wereldoorlog werd de bunad als nationaal symbool ook omarmd door Noren die het nazisme waren toegedaan. Maar de populariteit van de bunad leed er niet onder en na de oorlog was hij opnieuw een krachtig symbool van de Noorse nationale identiteit. Voor het laatst werd hij als politiek (ex)pressiemiddel gebruikt bij de referenda over het lidmaatschap van de Europese Economische Gemeenschap (1972) en de Europese Unie (1994), waartegen een meerderheid van de Noren in beide gevallen nee zei.

Noors alternatief voor de Europese mode

Een actieve propagandiste voor de bunad was de Noorse schrijfster Hulda Garborg (1862-1934). Zij maakte zich in het algemeen sterk voor het Noorse cultuurgoed en was onder meer actief op het terrein van theater en volksdans. Gebaseerd op een traditioneel kostuum uit Valdres ontwierp Garborg in 1914 een compleet nieuw kostuum. Ze veranderde de snit en nam het borduurwerk van een oude fluwelen hoed als uitgangspunt voor de versiering. Mede dankzij dit populaire kostuum raakten steeds meer stedelingen geïnteresseerd in kostuums die op traditionele kleding waren gebaseerd. Garborg wilde een alternatief neerzetten voor de modejaponnen uit Parijs en Rome, die gemeengoed waren geworden. Haar op traditie gebaseerde kleding moest met de hand zijn gemaakt van wollen stoffen die in Noorwegen waren geweven en gekleurd met verfstoffen van in Noorwegen voorkomende planten. Garborg wilde wel dat de traditie zich zou vernieuwen. De nieuwe kostuums moesten geen overblijfsel zijn van een oude volkscultuur, maar innovatief en modern. Een andere voorvechtster van de bunad was Klara Semb (1884-1970), die actief was in de jeugdbeweging en er daardoor mede voor zorgde dat de bunad in brede kringen werd verspreid.

no-nb_sml_ 1830

Hulda Garborg. (Collectie Nasjonalbiblioteket Oslo)

In de jaren 1920 kwamen de bunads geleidelijk meer in gebruik en werden er in veel gebieden ook nieuwe gecreëerd, zo mogelijk met elementen uit de oude drachten. Lokaal wierpen zich experts op, die aan de basis stonden van de nieuwe bunads, en het leren naaien van een eigen bunad ging op meer scholen deel uitmaken van het (meisjes)onderwijs. Begin jaren veertig ontstond ook een daagse bunad, een kostuum dat elke dag gedragen kon worden, en ook een dergelijk kostuum zou in grote delen van het land in gebruik raken.

Nieuwe inspiratie

Na de Tweede Wereldoorlog raakten Garborgs opvattingen op de achtergrond. Het werd nu belangrijk gevonden dat de kostuums historisch verantwoord waren en verbonden met lokale tradities. Musea en volkskundigen deden al langer onderzoek naar de kleedgewoonten in de verschillende regio’s. Het Norsk Institutt for Bunad og Folkedrakt verzamelt de documentatie en zet zich in voor de ontsluiting ervan. Systematisch onderzoek naar de oude streekdrachten leverde veel nieuwe kennis op en die werd het startpunt voor nieuwe bunads. Rosemaling (een schildertechniek), borduurwerk en ander traditioneel handwerk leverden bovendien nieuwe inspiratie.

bunad, mogelijk telemark, cc by 2.0, foto Bosc d'Anjou

De meeste bunads zijn rijk aan kleur en versiering. (Foto Bosc d’Anjou, CC BY 2.0)

De meeste gebieden hebben nu hun eigen bunad, zelfs als van de traditionele kleding weinig of niets meer bekend was. Soms waren van de oude streekdracht nog onderdelen overgeleverd, bijvoorbeeld in museumcollecties, of bestond er nog informatie over. De bunad kon dan gereconstrueerd worden. Was door gebrek aan informatie niet het hele kostuum te reconstrueren, dan ontwierp men nieuwe elementen die goed bij de andere kledingstukken pasten. Sommige bunads zijn zelfs helemaal nieuw ontworpen. Was er niets meer bekend over de lokale traditionele kleding dan konden andere zaken een inspiratiebron zijn voor het nieuwe kostuum: een oud geborduurd beursje bijvoorbeeld of zelfs planten en dieren uit de omgeving.

Young_girls_in_bunad, Akershus, foto Elin, cc by 2.0

Jonge vrouwen in diverse bunads, Akershus, (Foto Elin, CC BY 2.0)

Kostbaar kostuum

Vandaag de dag telt Noorwegen 400 tot 500 verschillende bunads. Een flink aantal mensen maakt de bunad of die voor familieleden zelf. Sommige kostuumonderdelen worden van generatie op generatie doorgegeven. Ook zijn er ateliers waar iemand een bunad op maat kan laten maken. Daarmee zijn weken, zo niet maanden werk gemoeid. Zo’n handgemaakt kostuum kost omgerekend enkele duizenden euro’s.

Haugesund_1

Interieur van winkel en naaiatelier in Haugesund, waar de lokale bunad kan worden aangeschaft.

Zo’n 60 tot 70 procent van de Noorse vrouwen en ook een groot aantal mannen bezit nu een bunad. Ze trekken het kostuum aan op bijzondere dagen die in familiesfeer worden gevierd, bijvoorbeeld bij doop- en huwelijksfeesten, als jongeren belijdenis in de kerk doen en bij het kerstfeest. Ook op 17 mei, de nationale feestdag van Noorwegen, komt het kostuum uit de kast. Dan trekken feestelijke optochten met muziek, vlagvertoon en mensen in bunad door de straten om te herdenken dat Noorwegen op die dag in 1814 een eigen grondwet kreeg. Voor alle trotse bezitters is de bunad niet weg te denken uit hun leven. Hij bevestigt hun identiteit en verbindt hen met hun familie, streek van herkomst en hun land. Hulda Garborg, die een Noors antwoord wilde geven op de Europese confectiemode, kan tevreden zijn.

Bronnen:
Bjørn Sverre Hol Haugen (red.), Bunad; Norsk Bunadleksikon, alle bunader og Samiske folkedrakter, Oslo 2013.
Kari-Anne Pedersen, Folkedrakt blir bunad, Oslo 2013.
Siw Ellen Jakobsen, When rebels dressed in national costumes, op de website www.sciencenordic.com.
The Norwegian Institute of bunad and folk costume (Norsk institutt for bunad og folkedrakt), op de website www.bunadogfolkedrakt.no.

Kijk voor afbeeldingen van bunads en oude Noorse streekdrachten ook eens op het pinterestbord Streekdracht en bunad van Bryggen. Aan dit bord worden regelmatig nieuwe afbeeldingen toegevoegd.

Koper en dekens uit Røros

Het oude mijnstadje Røros, in het oosten van Noorwegen, ademt geschiedenis en is tegelijkertijd een centrum van moderne Noorse wolfabricage. De ongeveer tweeduizend huizen, veel daarvan met karakteristieke zwarte houten gevels, werden in de 17de en 18de eeuw gebouwd. Ze waren in 1980 voor Unesco reden om het stadje op de Werelderfgoedlijst te plaatsen. Achter de gevels gaan verhalen schuil van nijpende armoede, van een weldoener die zich het lot van de minder bedeelden aantrok en van een innovatieve nijverheid die daaruit voortkwam.

Lillegaten in Røros na een sneeuwstorm, olieverfschilderij door Harald Sohlberg, 1903. (Nasjonalmuseet Oslo)

Lillegaten in Røros na een sneeuwstorm, olieverfschilderij door Harald Sohlberg, 1903. (Nasjonalmuseet Oslo)

Toen in 1644 werd ontdekt dat er bij Røros koper in de grond zat, leidde dat tot een bloeiende mijnindustrie. Tot die tijd lagen hier in de omgeving verspreid een aantal boerderijen. Op de zomerweiden in de bergen liep wat vee. Behalve boeren woonden er in deze streek ook Sami. Na de opening van de kopermijnen vertrokken zij en legden ze zich toe op een nomadisch bestaan als rendierhouder.

Mijnbouw

De eerste van de in totaal veertig kopermijnen rond Røros ging in 1646 open. Het gedolven koper werd ter plekke gesmolten. Er waren twaalf smelterijen. De grootste stond in Røros zelf. Duitse, Deense en Zweedse immigranten vonden in het stadje werk. Zij bezaten veel kennis over mijnbouw en die kennis kon hier goed worden benut. Al met al was de koperwinning 333 jaar lang bestaansbron nummer één in Røros. De kopermijnen gingen in 1977 failliet. De smelterij was al in 1953 gesloten.

De opbrengsten van de mijnbouw waren in de 17de eeuw zeer lucratief voor de Deense koning, die ook koning van Noorwegen was. De lokale boeren daarentegen hadden er weinig voordeel van. Zij waren verplicht om in de mijnen te gaan werken. Daar stond wel enige betaling tegenover, maar veel was het niet. Noodgedwongen moesten zij ook omzien naar aanvullende middelen van bestaan. Daarvoor kregen ze één dag per week en één maand per jaar vrij. De mijnwerkers combineerden het werk in de mijn met landbouw. Anderen legden zich mede toe op houthakkerswerk. In de smelterijen was veel hout nodig en dat was in de bossen rondom Røros volop voorradig. Vrouwen verdienden bij in de huishoudens van de beter gesitueerden. Maar rijk werden de arbeiders er niet van. Ze leefden in armoede en in extreme omstandigheden. Het gebied rond Røros was erg afgelegen. Een berglandschap met lange winters, waarin het erg koud kon zijn.

Textiel

Peder Hiort, directeur van de kopermijn, trok zich het lot van de mijnwerkers aan. Na zijn dood in 1789 bleek hij een fortuin te hebben nagelaten dat was bedoeld voor de stichting van een fonds waaruit de scholing van armen tot textielarbeiders kon worden betaald. Ook bekostigde het fonds de aanschaf van de benodigde wol. De arbeiders maakten zich het textielvak eigen en begonnen kleding te maken. Het fonds kocht de kleding van hen op en schonk deze eenmaal per jaar – in de zomer – aan de armen. Menig arbeider ontving zo de door hem zelf gemaakte kledingstukken weer terug.

Sleggvegen in Røros in de moderne tijd. (foto Randi Hausken, cc by-sa 2.0)

Sleggvegen in Røros in de moderne tijd. (foto Randi Hausken, cc by-sa 2.0)

Volledig Noors

Hiort legde in Røros de grondslag voor een belangrijke traditie van ambachtelijke textielproductie. Lange tijd bleef dit handwerk. In 1940 vestigde zich een verkoopkantoor in Røros, dat het toen nog handgemaakte textiel ging verkopen. In de tweede helft van de 20ste eeuw groeide het verkoopkantoor uit tot een volwaardige, moderne fabriek, waar behalve dekens en plaids ook wollen sierkussens worden gemaakt. De productieketen begint met de wol van schapen die op de Noorse bergweiden grazen en is verder ook 100 procent Noors.

Meer informatie is te vinden op:
Røros Mining Town and the Circumference, op de website van Unesco.
Website van Røros Tweed.