Alledaags design uit Noorwegen

Wat is de overeenkomst tussen een kaasschaaf, een paperclip en een tandenborstel? Alle drie hebben ze een Noors verhaal. Een Noorse timmerman vond de kaasschaaf uit, een Noorse kantoorbeambte claimde de paperclip en een Noors bedrijf werd wereldleider in tandenborstels. Je zou het misschien niet zeggen, maar dagelijks gaan er een of meer attributen van Noorse origine door onze handen. Behalve dan de paperclip. De kantoorklerk had te vroeg gejuicht.

Johan Vaaler en zijn patent op de paperclip

Johan Vaaler (1866-1910) was een boerenzoon uit Aurskog (Akershus), die als klerk ging werken op een patentbureau in Oslo. In 1892 werd hij kantoorhoofd op het Bryns Patentkontor. Zeven jaar later zou hij zelf een ‘uitvinding’ doen waar hij patent op aanvroeg. Hij ontwierp diverse modellen van gebogen metaaldraad die in staat waren om een bundeltje papieren bij elkaar te houden: een paperclip (binder in het Noors). Hij vroeg er op 12 november 1899 in Duitsland patent op aan, hetgeen hem op 6 juni 1901 werd verstrekt. Twee dagen eerder was zijn patentaanvraag in de Verenigde Staten gehonoreerd.

Johan Vaaler, 1887, als student

Johan Vaaler als student in 1887.

Vaalers ‘uitvinding’ kwam in een periode waarin slimmeriken elders op de wereld ook verschillende soorten paperclips ontwierpen. Vaaler tekende diverse modellen: vierkant, driehoekig en ovaal. Hij zal ongetwijfeld tevreden zijn geweest met wat hij had ontworpen, maar in de praktijk waren zijn paperclips een weinig handig hulpmiddel. De Gem paperclip, het ovale model met de twee bochten, zou uiteindelijk de wereld veroveren. In Vaalers clip ontbrak de tweede bocht, waardoor deze minder praktisch was. Vermoedelijk werd de Gem al in de jaren 1870 geproduceerd. De oudst bekende advertentie ervoor dateert uit september 1893 en in 1899 werd een machine gepatenteerd voor het maken van paperclips bij de Britse Gem Manufacturing Company Ltd.

blog alledaags design

Links een van de ontwerpen van Vaaler, rechts de Gem.

Algemeen wordt aangenomen dat Vaaler geen weet had van de paperclips die reeds in andere landen bestonden. Dat hij als beambte op een octrooibureau de hausse aan paperclippatenten in die jaren niet heeft opgemerkt, lijkt mij echter zeer onwaarschijnlijk. Vermoedelijk wilde Vaaler gewoon het nieuwe model claimen dat hij had ontworpen. En dat is gelukt. Afzet heeft hij er echter niet voor gevonden. Zijn patenten verliepen zonder dat de paperclips ooit in productie zijn genomen.

Desondanks is de paperclip in Noorwegen een icoon geworden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog fungeerde hij als symbool van het verzet, net als in Frankrijk overigens. Toen de nazi’s het dragen van speldjes met nationale symbolen verboden, bevestigden mensen een paperclip aan hun revers ten teken van onderlinge verbondenheid en van verzet. De paperclip die hiervoor werd gebruikt was de Gem, niet Vaalers ontwerp. Dat een Noor een paperclip had ontworpen, werd pas na de oorlog in brede kring bekend. Halvar Foss, een ingenieur werkzaam bij het nationale octrooibureau in Noorwegen (Patentstyret), had in de jaren twintig Vaalers vergeten patent onder ogen gekregen tijdens een reis naar Duitsland. Hij schreef er een artikel over waarin hij de uitvinding van de paperclip claimde voor Vaaler. Toen na de oorlog de belangstelling in Noorwegen groeide voor de oorsprong van de paperclip – hét Noorse verzetssymbool – werd het artikel van Foss ontdekt en de uitvinding van de paperclip toegeschreven aan Vaaler. Zo kwam hij in menige encyclopedie terecht.

Ten onrechte dus, maar de mythe voedde het patriottisme onder de Noren. Zozeer zelfs dat in 1999, honderd jaar nadat Vaaler het patent had verkregen, een postzegel werd uitgebracht ter herinnering aan dat feit. Ongelukkigerwijze is op de postzegel echter de Gem afgebeeld en niet een door Vaaler ontworpen paperclip.

postzegel, foto Kyle MacDonald, cc by 2.0

De gewraakte postzegel met een afbeelding van de Gem. (Foto Kyle MacDonald, CC-BY 2.0)

Met een kunstwerk dat in 1989 ter ere van Vaaler bij een hogeschool in Sandvika werd geplaatst, werd dezelfde fout gemaakt. Ook hier prijkt een gigantische Gem.

paperclip sandvika, foto Kyle MacDonald, cc by 2.0

Het schoolgebouw in Sandvika met rechts de reusachtige Gem. De maker van deze foto was  een toen 26-jarige Canadees die in 2005 de uitdaging aanging om een rode paperclip door ruilen om te zetten in een huis. Negen maanden en tien transacties later was hij in het bezit van een bungalow in Phoenix, Colorado. (Foto Kyle MacDonald, CC-BY 2.0) 

De kaasschaaf van een timmerman

Werd Vaalers paperclip nooit in productie genomen, anders was dat met het gereedschap dat zijn landgenoot Thor Bjørklund een dikke 25 jaar later ontwierp. Bjørklund (1889-1975) was een timmerman en meubelmaker in Lillehammer. Hij had een opleiding genoten in Oslo en werkte als meestertimmerman toen hij op het idee kwam om het principe van de houtschaaf te benutten voor werkzaamheden in de keuken, meer in het bijzonder het snijden van kaas. De Noren hebben een rijke traditie in het maken van kaas. De gulost (de gele kazen) en brunost (de bruine kaas met de karakteristieke caramelsmaak) hebben dezelfde zachte tot wat hardere structuur als veel Nederlandse kazen. Kazen dus die snijdbaar zijn. Naar het verhaal wil irriteerde het Bjørklund dat hij met een gewoon mes zo lastig mooie plakjes kaas kon afsnijden. Daarom ging hij op zoek naar een oplossing. In zijn werkplaats kwamen de eerste (metalen) kaasschaven tot stand. Kennelijk overtuigd van het nut van zijn uitvinding vroeg hij er patent op aan. Dat werd geregistreerd op 27 februari 1925. Twee jaar later begon hij zijn eigen firma onder de naam Thor Bjørklund & Sønner AS.

Geitost_(og_en_gammel_ostehøvel_i_sølv), arnstein bjone, cc by sa 4.0_1

Brunost met een oud model zilveren kaasschaaf. (Foto Arnstein Bjone, CC-BY-SA 4.0)

Bjørklunds prototype van de kaasschaaf bestaat uit vier onderdelen: een schaaf met snijhoek, een hals, een pin en een handvat. De productiemethode, materialen en vormgeving veranderden in de loop van de tijd. In die eerste jaren waren er zo’n 50 tot 60 handelingen nodig voordat één kaasschaaf was gemaakt. Die namen bij elkaar ongeveer een uur in beslag. Inmiddels gaat dat een stuk sneller. Sinds 1925 werden er meer dan vijftig miljoen kaasschaven geproduceerd.

Na de dood van Bjørklund in 1975 bleef de onderneming bestaan. In 2009 volgde echter een faillissement. Gudbrandsdal Industrier AS zette de productie van kaasschaven daarna voort onder Bjørklunds (merk)naam. De ostehøvel is nu een Noors exportproduct en wordt in Noorwegen beschouwd als een symbool van innovatie, kwaliteit en design. Het stuk keukengereedschap wordt in de Scandinavische landen, Nederland, Duitsland, Zwitserland en Frankrijk gebruikt en is met name onder toeristen in Noorwegen en Nederland populair als souvenir.

Van haarkam tot tandenborstel: de firma Jordan

In 1837 arriveerden drie Deense kammenmakers in Oslo, toen nog Christiania geheten. Onder hen Wilhelm Jordan (1809-1879), die het ambacht in Hamburg had geleerd. Een poging om hiermee in zijn geboortestad Kopenhagen de kost te verdienen was mislukt. Nu waagde hij de oversteek naar Noorwegen om er een kammenmakerij op te zetten. Op 5 augustus 1837 ging zijn bedrijf van start. Ruim vijf maanden later verwierf Jordan het Noorse burgerschap en mocht hij zich tevens meesterkammenmaker noemen. De omstandigheden voor zijn bedrijf waren gunstig en hij investeerde daarom in een terrein aan de Skippergaten 44 in Christiania.

Wilhelm_Jordan_(industrialist), cc by sa 3.0

Wilhelm Jordan. (CC-BY-SA 3.0)

Rond 1845 maakte hij plannen om een borstelmakerij te beginnen. Zo’n bedrijf was er op dat moment niet in de stad en Jordan zag er wel brood in. Omdat hij dit vak niet beheerste, ging hij eerst opnieuw in Hamburg in de leer. Samen met een aantal andere borstelmakers keerde hij in Christiania terug en startte daar een goedlopende borstelmakerij. Na de grote stadsbrand in 1858 zag Jordan kansen voor een volgend avontuur. Omdat veel huizen moesten worden herbouwd, zaten meubelmakers verlegen om exotisch hout, in het bijzonder mahoniehout. Aangezien er in de stad geen onderneming was die aan die vraag kon voldoen, richtte Jordan de schreden opnieuw naar Hamburg, waar hij het gevraagde hout inkocht. Daarmee legde hij de basis voor een tweede bedrijf, dat buitenlands hout invoerde en meubelfineer maakte.

3326 Oslo. Parti Skippergaten og Prinsensgate

Rechts Skippergaten in Oslo, waar Jordan zich gevestigd had. (Collectie Nasjonalbiblioteket Oslo)

Het ging Wilhelm Jordan voor de wind. Hij behoorde tot de gegoede burgers van Christiania. Na zijn dood in 1879 nam zijn zoon Fredrik Wilhelm (1841-1911) de kam- en borstelmakerij over. De kammen en borstels werden er nog volledig met de hand gemaakt. Fredrik introduceerde een nieuwe grondstof voor de borstels: piassava (palmvezels). Onder Hjalmar Jordan (1887-1938), die zijn vader na diens dood in 1911 opvolgde, kwamen in het bedrijf sociale voorzieningen tot stand, zoals een pensioenfonds voor de arbeiders. Tegelijkertijd wist Hjalmar door investeringen in moderne machines de productie te optimaliseren. In de jaren twintig was er in heel Noorwegen geen dorp meer te vinden waar geen borstels en bezems van Jordan werden verkocht. Maar toen moest de grote klapper nog komen.

Op zijn reizen had Hjalmar buitenlandse bedrijven gezien waar tandenborstels werden gemaakt. Zakenman die hij was, zag hij hiervoor gunstige perspectieven in zijn eigen land. In 1927 begon hij te experimenteren. De vervaardiging van een tandenborstel bleek een gecompliceerd proces. Er waren heel wat prototypes nodig vooraleer de perfecte tandenborstel de werkplaats verliet. In 1933 bouwde Jordan in Oslo (Sinsen/Løren) de eerste Noorse tandenborstelfabriek. Al snel bediende het bedrijf de helft van de Noorse tandenborstelmarkt en in 1937 zette het met een magazijn in Zweden de eerste stappen in de richting van de buitenlandse markt. Op dat moment produceerde Jordan 225.000 tandenborstels per jaar.

Het bedrijf maakte moeilijke jaren door na de vroege dood van Hjalmar in 1938 en aansluitend de Tweede Wereldoorlog. Maar het herstel volgde spoedig. Jordan voerde tal van innovaties door. In de vroege jaren vijftig werd het varkenshaar in de tandenborstels vervangen door nylon en werden de handvaten in het vervolg van plastic gemaakt. In diezelfde tijd besloot het bedrijf zich volledig te richten op de in karton voorverpakte tandenborstels, die in zelfbedieningswinkels te koop werden aangeboden.

Jordan1952, foto Vilhelm Skappel, Oslo byarkiv, cc by sa 3.0

De bedrijfsgebouwen van Jordan aan de Waldemar Thranesgate in Oslo, 1952. (Collectie Oslo Byarkiv, foto Vilhelm Skappel, CC-BY-SA 3.0)

Eind jaren vijftig kwam bovendien de export nadrukkelijk in beeld, mede om de concurrentie door groeiende import te tackelen die de totstandkoming van een gemeenschappelijke Europese markt met zich meebracht. In 1967 was Jordan wat betreft tandenborstels marktleider in Zweden, Denemarken, Finland, Nederland en Zwitserland. In die tijd kwam er steeds meer oog voor het belang van een goede mondhygiëne en Jordan speelde daar op in met nieuwe producten als tandenstokers, flosdraad en mondwater. De vormgeving van de tandenborstels werd aan ergonomische inzichten aangepast. Ook de verkoop van tandenstokers bleek een groot succes. Daarvoor bouwde Jordan een nieuwe fabriek in Flisa, in het zuidoosten van Noorwegen, dichtbij de plek waar het hout voor de tandenstokers vandaan kwam. In de daaropvolgende jaren zouden meer bedrijfsonderdelen van Oslo naar Flisa verhuizen.

Jordan_børstefabrikk_Unknown_1977_cc by sa 4.0, oslo museum

Het bedrijfsgebouw van Jordan in Oslo, 1977. (Collectie Oslo Museum, CC-BY-SA 4.0)

Omdat Noorwegen geen lid was van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de handel met de lidstaten daarom moeilijker was, besloot Jordan ook een fabriek binnen de EEG te vestigen. De directie koos voor Nederland en liet in 1985 in Kerkrade een fabriek bouwen: Sanodent bv, die onder die merknaam tandenborstels uitbracht. Jordan verkocht Sanodent in 1998 en koos toen voor een Britse vestiging: Wisdom Toothbrush Ltd., waarnaar in 2003 de gehele productie van tandenborstels werd overgebracht. Enkele jaren later zou deze naar Azië worden verplaatst. Naast de producten op het gebied van mondhygiëne maakt Jordan nog steeds huishoudelijke artikelen. Bezems en borstels natuurlijk, maar ook microvezeldoekjes, afwasborstels en keuken- en theedoeken. Bijna alle bedrijfsonderdelen hebben Noorwegen inmiddels verlaten. Alleen de tandenstokers worden nog in Flisa gemaakt.

Bronnen:
Grace Lees-Maffei (ed.), Iconic Designs: 50 Stories about 50 Things, London/New York 2014.
Over de paperclip: websites Early Office Museum, historyblogs en Open Mind.
Over de kaasschaaf: website Bjørklund-1925.
Over Jordan: Jordan’s history op de website van het bedrijf.

Een Hollandse zeeman in het barre Noorden (slot) – Over land naar huis

Marineofficier Cornelius de Jong belandde in het najaar van 1795 met het konvooi Oostindiëvaarders dat hij naar Nederland begeleidde in de haven van Trondheim. Oorlogsomstandigheden hadden hem doen uitwijken naar het neutrale Noorwegen, waar hij nadere orders uit Nederland afwachtte. Maandenlang verbleef hij hier en leerde hij het leven in het hoge Noorden van dichtbij kennen. In brieven aan een denkbeeldige vriend, die later werden gepubliceerd, beschreef hij zijn wederwaardigheden.

Een oude mismaakte matrone

Na bijna acht maanden in Trondheim ontving De Jong orders om de thuisreis te aanvaarden. Op 14 mei 1796 lichtten de schepen hun ankers. Omdat twee Engelse oorlogsschepen de achtervolging op hen hadden ingezet, zocht De Jong met zijn schepen ruim twee weken later beschutting in de haven van Bergen. Hij voelde zich er niet veilig. De Noorse versterkingen waren in zijn ogen onvoldoende en hij twijfelde of zijn eigen oorlogsfregatten aan de ingang van de haven sterk genoeg waren om vijandelijke schepen te beletten de haven binnen te dringen. Bovendien had hij gehoord dat de neutraliteit van de Noorse havens elders een wassen neus was gebleken. Hij voelde zich in Bergen slecht op zijn gemak en de stad zelf deed daar weinig goed aan. Het regenachtige Bergen was als “een oude mismaakte matrone, wier gemelijk humeur, vervelendheid en lastige etiquette alle menschen van zich verwijdert”. Wat een verschil met het bevallige Trondheim.

bergen 2001, foto Dean Morley, cc by nd 2.0

Ondanks zijn besloten ligging was de haven van Bergen weinig veilig voor de schepen van De Jong. Foto uit 2001. (Foto Dean Morley, CC BY-ND 2.0)

Midzomer

De viering van Sankthansaften, het midzomerfeest, op 23 juni maakte iets goed. Tegen een berghelling vlakbij de stad werden manden en tonnen op stokken gezet en in brand gestoken. Er waren kraampjes met bier, brandewijn en jenever en tafels waar koek, brood met kaas, worst en saucijzen, varkenskluifjes en andere versnaperingen werden verkocht. Vioolspelers en potsenmakers vermaakten het publiek. Intussen had men op het water en de omliggende bergen grote hopen hout en stro in brand gestoken. Ze brandden de hele nacht, terwijl het publiek joelde, sprong en danste. Het tafereel stemde De Jong wat milder over Bergen. Hij constateerde dat wanorde en onbetamelijk gedrag achterwege bleven en dat er zelfs geen ordebewakers nodig waren. “Een nieuw bewijs van de geschiktheid van den gemeenen man in Noorwegen.”

Net als in Trondheim verkeerde De Jong in Bergen in de hoogste kringen. Hij bezocht de Hollandse consul te Bergen, Jan Hendrik Fasmer, op diens buitenverblijf en woonde de huwelijksplechtigheid bij van de zoon van de Franse consul. Het oponthoud in Bergen duurde veel langer dan verwacht. Engelse fregatten kruisten onophoudelijk voor de kust. Het leek onmogelijk om Noorwegen over zee te verlaten. Daarom kreeg De Jong opdracht om de terugreis over land aan te vatten. Hij droeg het bevel van zijn schip de Scipio over aan de eerste luitenant en nam “niet zonder aandoening” afscheid van zijn bemanning. Op 17 juli vertrok hij onder elf daverende saluutschoten en een driewerf hoezee van de bemanning. Zijn reisgezelschap bestond uit een bediende en luitenant Akkerman, die hij als kadet vanaf Kaap de Goede Hoop had meegenomen.

Per boot en paard

Op zijn tocht, die per boot tot het eind van de Sognefjord en daarna met paarden over land tot aan de Zweedse grens bij Svinesund voerde, noteerde De Jong tal van wetenswaardigheden over het landschap, de natuur en de boerenbevolking. Ook noteerde hij details over de staat van de wegen en het comfort van de verblijven waar hij onderweg op was aangewezen.

Yttre-Kroken_i_Sogn, J.F. Eckersberg, tekening litho, 1848

Sognefjord. Tekening J.F. Eckersberg uit 1858.

Reizen in Noorwegen was toentertijd geen sinecure. De Jong besloot over Lærdal te reizen, waar hij grotendeels per boot door de Sognefjord naar toe kon. Hij had echter veel te stellen met de roeiers die een koopman in Bergen hem ter beschikking had gesteld. Als loods noch als matroos bezaten ze de juiste kwaliteiten, waardoor het gezelschap meerdere malen verdwaalde en door ongelukkige manoeuvres in levensgevaarlijke omstandigheden terechtkwam.

Vanaf het eind van de Sognefjord ging het verder over land: via Lærdal, Borgund (waar hij de nu nog beroemde staafkerk aanschouwde), langs de Randsfjord naar Christiania (het huidige Oslo) en van daaruit naar Fredrikstad en Svinesund. Dit deel van de reis werd per paard afgelegd. De Jong was onder de indruk van de behendigheid van de dieren. Ze wisten als geen ander hoe ze zich op de steile hellingen moesten bewegen en een berijder die dacht het beter te weten liep grote kans in de afgrond te belanden. Er waren in Noorwegen geen stalhouders, wel verspanplaatsen, waar reizigers hun paarden konden achterlaten en verse konden nemen. Daarom ging er altijd een man vooruit die op een verspanplaats zoveel paarden en mensen bestelde als er nodig waren, zodat de rest van het gezelschap die bij aankomst gereed vond. Voor de paarden werd per mijl betaald en daarboven nog per persoon. Er was een standaardtarief voor heel Noorwegen. Daarbovenop deed men naar believen nog een fooi, want, zo had De Jong ervaren, “alles vliegt voor een enkel dubbeltje”.

1183px-Norske_Folkelivsbilleder_-_no-nb_digibok_2007101713001-15

Reizen per paard was toentertijd in Noorwegen de meest geëigende manier om over land langere afstanden te overbruggen. (Tekening Adolph Tidemand, 1848)

Logies

Luxe verblijven waren er niet onderweg. Herbergen ontbraken nagenoeg, de reizigers waren aangewezen op logementhouders en de kwaliteit ervan wisselde sterk. Het meest ellendige verblijf vonden De Jong en zijn mannen in Sognefest. Hier moesten ze zelf hun aardappels schillen en koken en er was slechts één bed voor hen gedekt. De Jong rolde zich van arren moede in zijn reismantel, luitenant Akkermans kreeg het dekbed en de knecht lag op de kussens van de boot. Hoe anders was het in Lærdal. Daar vonden de heren op de ontbijttafel koffie, room, eieren en twee gebraden kippen (die ze inpakten voor de lunch). En vlakbij Hestekind hield een nette vrouw er een prima gastenverblijf op na. Ze zette een uitstekende fricassée van kip op tafel, alsmede omelet, “heerlijke” room, aardbeien, betere wijn dan De Jong ergens in Noorwegen had geproefd en brood. Dat laatste aten de mannen daar voor het eerst sinds hun vertrek uit Bergen. En zoals hun wel vaker overkwam: de dame wilde geen geld hebben.

Leven op het Noorse platteland

Onderweg gaf De Jong zijn ogen en oren goed de kost. Toen hij nog in Trondheim verbleef, had hij wetenswaardigheden over het leven op het platteland genoteerd. Hem was opgevallen dat de boeren er grotendeels zelfvoorzienend waren. Ze weefden hun eigen linnen kleding, maakten hun eigen schoenen, brouwden hun eigen bier en stookten hun eigen brandewijn. Zelfs de meubels in huis waren zelf vervaardigd en “en dat niet geheel zonder smaak”. De eenvoudige huizen waren van hout maar hadden desondanks iets aanzienlijks. Bij de boerenwoningen stonden een stal en – hoog van de grond om het ongedierte buiten te houden – schuren voor de opslag van graan, boter, kaas en andere levensmiddelen.

Ook de kleding van de boerenbevolking interesseerde De Jong. De boeren rond Trondheim droegen een kort leren wambuis met slobkousen en rode kousenbanden, de boerinnen een jak en rokken en over het hoofd een doek. De Jong verbaasde zich erover dat de boeren zich niet anders kleden als het koud was. Hij zag boeren met “open boezem, de ijskegels aan de hairen van de borst hangende”, terwijl ze zich in hun huizen in overmatig verwarmde vertrekken ophielden. Het temperatuurverschil tussen binnen en buiten kon oplopen tot wel 40 graden. Naarmate de reis vorderde, werd het land vruchtbaarder en nam de welvaart onder de boerenbevolking toe. Dat was ook te zien aan de kleding van de landlieden. Mannen kleedden zich in korte jasjes van karsaai en ten noorden van Oslo langs de Randsfjord zelfs in lange rokken (jassen) van laken (een zware wollen stof). In sommige gebieden schoren de boeren zich, in andere hadden ze baarden. De boerinnen droegen een linnen of katoenen jak en hadden een muts op het hoofd met een doek daaroverheen. In elk gebied had hun kleding eigen karakteristieken.

Norske Folkelivsbilleder

Enigszins geromantiseerd beeld van het plattelandsleven in Noorwegen rond het midden van de negentiende eeuw. (Tekening Adolph Tidemand, 1848)

Tegenaan de steile bergen was nauwelijks grond te vinden die bebouwd kon worden. Op de schaarse plekjes groen waar dat wel mogelijk was, was dan ook meteen een boer te vinden en hier en daar een kudde schapen of geiten. Aan de huizen, in bomen en tegenaan de rotsen werden berkentakken met bladeren gedroogd, die als voer voor deze dieren dienden. Omdat er zo weinig gras was, werden paarden en koeien soms de bergen in gejaagd om zelf hun kostje bij elkaar te zoeken. Het vee werd geweid op enkele uren, soms op enkele dagen afstand van huis. Een meid of knecht ging mee. In de lange winters stond het vee op stal.

Watervallen

In het landschap vielen de watervallen bij De Jong het meest in de smaak. Hij ervoer een mengeling van gevaar en schoonheid: “Het schuimend gebruisch en verdoovend ruischen van het neerstortend water, vereenigd met het gezicht der puntige rotzen, stijle klippen en hemelhooge bergen, die hier in eene dreigende gedaante op het vallen staan, ginds in afgescheurde brokken voor de voeten liggen, overrompelt de bedwelmde en getroffen zintuigen: voeg hierbij de bijzondere spelingen der konstige natuur, die men allerwegen, waar het gezicht zich ook henen wendt, in deze klippen en gevallen steenen ontdekt, en gij zult moeten erkennen, dat men het drijgend gevaar vergeet om in enkele bewondering weg te zinken.” Op veel plekken profiteerden de Noren van het vallende water door er watermolens te bouwen. Sommige watervallen telden wel zeven of acht molens.

foto Roman Königshofer, uit 2011

Watervallen dwongen diepe bewondering af bij De Jong. (Foto uit 2011 door Roman Königshofer, CC BY-ND 2.0)

Verkwisting

De Jong verbaasde zich over de verkwisting van hout in Noorwegen. Overal zag hij houten schuttingen waarvoor onnodig veel hout was gebruikt: dubbele palen die in de grond waren geslagen met daartussen schuin gelegde planken. Hij constateerde ook dat bij het omhakken van bomen geen rekening werd gehouden met de ouderdom van de boom. Daardoor ruimden jonge bomen, die werden gebruikt voor stokken, vroegtijdig het veld. Nog meer verbaasde De Jong zich over een ander risicovolle gewoonte van Noorse boeren. In de herfst hakten zij struiken om en legden deze met onder meer stro en heide op het land. In de volgende zomer werd dit in brand gestoken. Dat bevorderde de vruchtbaarheid van de grond, maar was niet zonder risico. Omdat het branden in de zomer geschiedde wanneer alles heel droog was, was het vuur niet altijd te controleren en richtte het in de nabijgelegen dennenbossen soms grote verwoestingen aan. De Jong pleitte voor een duurzaam gebruik van deze natuurlijke bron. Bij Moss zag hij stenen schuttingen. Een veel beter idee, vond hij. Hoewel het meer werk was om ze te plaatsen en het bouwmateriaal ook duurder was, waren ze op den duur toch voordeliger. Ze gingen langer mee en het hout dat voorheen in de schuttingen verdween werd nu te gelde gemaakt in de zaagmolens.

boydell, p. 271, christiania_1

Dichterbij Christiania leek alles welvarender. Gravure John William Edy in Boydell’s picturesque scenery of Norway (Londen 1820).

Terug naar zijn vaderland

Alles leek beter te worden naarmate Christiania dichterbij kwam. De wegen en bruggen werden beter, de boeren gingen welvarender gekleed en ze reden op wagens getrokken door een of twee paarden. De huizen hadden er glazen ramen, de schoorstenen waren er hoger en het brood was er witter en lekkerder. In de stad zelf aten De Jong en zijn reisgenoten zelfs een maaltijd die ze in een jaar niet hadden gezien, met bloemkool, doperwten, wortelen en kersen. Vanuit Oslo reisden ze via Fredrikstad verder naar de Zweedse grens bij Svinesund. Die bereikten ze op 30 juli 1796. Een veerpont bracht hen naar de overkant. Aan het Noorse avontuur van De Jong was een einde gekomen. Hij reisde via Göteborg, Kopenhagen en Hamburg naar Den Haag.

Drie jaar later zou De Jong – verdacht van verraad aan de Engelsen – huisarrest krijgen en later verbannen worden. Hij woonde toen in Kleve en Vught. In deze periode stelde hij zijn reisbeschrijvingen op schrift. Hij werd in 1813 gerehabiliteerd, maar zou niet meer in actieve dienst bij de marine terugkeren. Op 11 februari 1838 overleed hij in Den Haag.

Bronnen:
Carla van Baalen en Dick de Mildt (red.), ‘Weest wel met alle menschen’; de Kaapse brieven van Cornelius de Jong van Rodenburgh, Hilversum 2012.
Jaap R. Bruijn, Naval captain Cornelius de Jong’s unforeseen stay in Norway (1795-1796), in: Louis Sicking, Harry de Bles, Erlend des Bouvrie (eds.), Duth light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 93-112.
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ‘s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 2, Haarlem 1802 (ook online).
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ‘s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 3, Haarlem 1803 (ook online).

Een Hollandse zeeman in het barre Noorden (3) – “Alwaar de naarheid haar troon gesticht heeft”

Bevelhebber Cornelius de Jong begeleidde in 1794 een konvooi Oostindiëvaarders naar Nederland, maar moest vanwege oorlogsomstandigheden naar het neutrale Noorwegen uitwijken. Wachtend op orders uit Nederland nam hij de gelegenheid te baat om zich uitvoerig op de hoogte te stellen van het leven in Noorwegen. In de brieven die hij schreef aan een denkbeeldige vriend en die later werden gepubliceerd, beschrijft hij zijn belevenissen tijdens zijn negen maanden durende verblijf. Zijn spectaculairste uitstapje was een tocht naar Røros, waar hij een kopermijn en -smelterij bezichtigde. Dit is de derde blog uit de serie die aan De Jongs reis is gewijd.

Rendierpelzen en berenhuiden tegen de kou

Met tien mannen aanvaardden ze per slee de reis naar Røros. Onder hen enkele kapiteins van de VOC-schepen, twee zeekadetten en twee Kaapse jongemannen die De Jong onder zijn hoede had. De Jong kleedde zich op de kou met twee hemden, een borstrok, kamizool (ondervest), rok (jasje), overrok (overjas) en daaroverheen een dikke rendierpels. Drie paar kousen en dikke wijde laarzen moesten zijn voeten warm houden en een slaapmuts diep over de oren met daaroverheen een bontmuts zijn hoofd. De handen verdwenen in achtereenvolgens lederen, wollen en bonten handschoenen. De laatste zaten aan de rendierpels vast. Om de hals gingen een gewone das, twee dikke doeken, daarna de hoog opgeslagen kraag van de pelsmantel en daaroverheen een met watten gevulde zwarte zijden zak, die van achteren werd vastgemaakt en de mond, kin en een deel van de wangen bedekte. Ondanks deze bescherming zou een van de mannen bij aankomst op een wang en oor tekenen vertonen van bevriezing. Toen lokale boeren de witte plekken signaleerden, ondernamen ze meteen actie en wreven de plekken in met sneeuw. Dat was de geijkte methode om bevriezingsverschijnselen tegen te gaan.

Acht sleeën en paarden stonden er klaar en verder nog een slee voor de bepakking (kleding en andere benodigdheden) en twee knechten. Elke slee bood plaats aan één persoon en een voerman die de teugels in handen hield. De sleeën hadden aan de achterzijde grote ijzeren ‘krassers’, waarmee geremd kon worden. De voerman had onder een van de hakken van zijn schoenen ook zo’n ‘krasser’. Met een kruikje brandewijn naast zich, de voeten gestoken in een zak van berenhuid en verder bijna helemaal schuilgaand onder een dikke gevoerde berenvacht, was De Jong klaar voor de reis.

Nidelva 2

De Nidelva in een besneeuwd landschap in 2010. (Foto Jan Richard Tallaksen, CC-BY 2.0)

Reizen over een bevroren rivier

Het was hartje winter en het land bedekt met sneeuw. Het eerste deel van de tocht voerde over de bevroren rivier ‘Elve’ (Nidelva). Op sommige plekken had de wind het ijs in de rivier schoongeveegd en kon het gezelschap zich snel verplaatsen. Op plekken waar zich ijsschotsen hadden gevormd of waar het water door de snelle stroom niet bevroren was, moest een andere weg worden gevonden. Over het ijs aan de zijkant van de rivier bijvoorbeeld, of desnoods over land. De paarden konden de steilste hellingen aan. Het laatste deel van de reis ging over het besneeuwde land. Al met al was het een gevaarlijke tocht en ongelukken bleven dan ook niet uit. Toen kadet Akkerman het paard voor zijn slee zelf mende, sprong het weg. De slee stootte tegen een vastgevroren ijsschots, waardoor hij omviel, rondtolde en door het op hol geslagen paard werd voortgesleept. De kadet stond doodsangsten uit, het toekijkende gezelschap eveneens, maar de jongeman wist uit de slee te komen. Het paard werd een eind verderop door boeren gestopt. De Jong zelf trof een dronken voerman en wild paard en werd tot drie keer toe met zijn slee omvergegooid.

Kopermijn en smelterij

In de avond van de tweede dag bereikten ze in de snijdende kou eindelijk Røros. De onderneming lijkt maar één doel te hebben gehad: bezichtiging van een kopermijn en -smelterij. De koperwinning was een lucratief bedrijf voor de welgestelden uit Trondheim. Zij bezaten aandelen erin, waarvan de waarde overigens afnam omdat de mijn uitgeput raakte. In Røros leerde De Jong de schaduwzijde van het bedrijf kennen.

mijnstad røros, 2014, foto Esther Westerveld, cc by 2.0_1

Restanten van het oude mijnbedrijf nabij Røros in 2014. (Foto Esther Westerveld, CC-BY 2.0)

Het gezelschap bezocht allereerst een van de smelterijen (smeltehytter). De ruwe erts die vanuit de mijn werd aangevoerd, lag op grote hopen voor de smelterij. Daaronder een smeulend vuur. Er hing een ondragelijke zwavelstank. De erts werd verscheidene malen gebrand en gesmolten. Het moet er als een inferno hebben uitgezien. Grote ketels hingen boven vuren, die werden aangewakkerd met op waterkracht aangedreven blaasbalgen. In het laatste stadium werd het ‘zwartkoper’ aan de kook gebracht totdat kleine kegelvormige stukjes koper als vonken uit de borrelende massa wegschoten. Deze ‘koperen regen’ was het signaal dat de massa voldoende gekookt was. Het vuur ging uit en de substantie werd met water geblust, waardoor ze stolde. Met een houten schep werd het koper er in lagen afgeschept. Na te zijn afgekoeld werden de grote ronde schijven in het magazijn opgeslagen tot ze in de winter met sleden (goedkoop en efficiënt) naar Trondheim konden worden getransporteerd. Van daaruit ging het per schip naar onder meer Holland en Engeland.

Olavsgruva Røros, foto Lars Geithe, 2008, cc by 2.0_1

Olavsgruva bij Røros, 2008. (Foto Lars Geithe, CC-BY 2.0)

De stank en hitte maakten de smelterijen tot een hel. In de kopermijnen waren de omstandigheden zo mogelijk nog deprimerender. Uit de ingang kwamen damp en rook hen tegemoet. In de groeve – een doolhof van onderaardse gangen – was het bloedheet en het rook er naar zwavel en buskruit. Sommigen moesten terug om verse lucht “te scheppen”. De bezoekers zagen hoe de kopererts werd gewonnen uit twee aderen van elk een kleine voet (circa 30 cm) breed. Eerst maakten twee arbeiders een gat in de rots. Een van hen zette daartoe een lange, dikke ijzeren staaf in de rotswand en draaide deze om en om, terwijl de andere arbeider er met een grote hamer op sloeg. Als het gat diep genoeg was, werd het gevuld met buskruit. Alvorens dit werd aangestoken, schreeuwden de werkmannen waarschuwingen naar de andere werklieden. Die klonken “akelig hol” in de groeve. Met donderend geraas sprong daarna een deel van de rots. Het losgeslagen gesteente werd in kruiwagens en karren naar de uitgang gebracht.

geoxydeerd koper in Nyberget gruve, foto Lars Geithe 2008, cc by 2.0_1

Geoxydeerd koper in de Nyberget Gruve. (Foto Lars Geithe, CC-BY 2.0)

Alle inwoners van Røros waren op de een of andere manier afhankelijk van de kopermijnen. De Jong was geraakt door de ellendige omstandigheden waarin zij leefden. De smelterij had honderdtwintig arbeiders in dienst: magere, bleke mannen, die een ongezond leven leidden te midden van de zwaveldampen en hete vuren. Ze werden slecht betaald. Hun dagelijks menu bestond uit grutten en melk, ze aten zelden vlees of vis. En dan de arbeiders in de mijnen: “Ik beklaag de smelters te Röraas, maar bejammer de gravers; zij verdienen veel meer medelijden. Waarlijk het lot der galeij-slaven, die ik in Algiers zoo dikwijls gezien en gesproken heb, is dragelijker.” De Jong nam een kijkje in de donkere vertrekken waar de mijnwerkers woonden: plaatsen “alwaar de naarheid haar troon gesticht heeft”.

Hut in Roros, Norway

Huizen van mijnwerkers in Røros. (CC BY SA 3.0)

Saami als attractie

Tijdens het verblijf van De Jong en zijn medereizigers sloeg een kleine groep Saami in Røros zijn tenten op. Na de komst van de kopermijnen meer dan honderd jaar geleden hadden veel Saami, die hier in de winter met hun rendierkudden leefden, het gebied de rug toegekeerd. De Jong nodigde de “Finnen” – drie mannen, twee vrouwen en een kind – uit voor de deur van zijn verblijf plaats te nemen. Hij geeft de lezer een nauwkeurige beschrijving van hen, iets wat overigens past in zijn tijd waarin de belangstelling voor ‘vreemde’ volkeren groot was. Naar hedendaagse maatstaven voelt het ongemakkelijk. Hij aanschouwde hen als waren zij een kermisattractie en bovendien was hij weinig positief over hun fysieke kenmerken. De Saami waren volgens hem klein, bruingeel en onaanzienlijk. Ze hadden uitstekende jukbeenderen (als Hottentotten) en hun ogen waren “lelijk, als die der Chineezen”. Hij had vernomen dat de vrouwen in het algemeen vroeg oud waren en de Saami op vijftigjarige leeftijd blind door hun leven in de sneeuw en de rook in hun tenten.

sami, foto omstreeks 1900, cc by 2.0

Saami op een prentbriefkaart omstreeks 1900. (CC-BY 2.0)

Met bewondering keek De Jong daarentegen naar de behendigheid en snelheid waarmee zij zich in hun sleden voortbewogen. Zelf had hij een paar maal met zijn slee ondersteboven in de sneeuw gelegen, hier zag hij hoe de Saami na zo’n ongeluk vliegensvlug weer in hun slee sprongen – die overigens een andere vorm had en door een rendier werd getrokken – en rap verder gingen. “Nadat de Finnen ons genoeg vermaakt hadden, gaven wij hun eene fooi en meenden onzen dag zeer wel besteed te hebben.” De dag erna aanvaardde De Jong met zijn gezelschap de terugreis naar Trondheim.

In de volgende en laatste blog gaat De Jong op huis aan, een reis die hem dwars door Noorwegen zal voeren.

Enkele jaren voordat De Jong Røros bezocht, was hier met geld uit de nalatenschap van een mijndirecteur een armenfonds gesticht. De Jong maakt hiervan overigens geen melding. Lees over dit initiatief het verhaal Koper en dekens uit Røros.

Bronnen:
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ‘s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 2, Haarlem 1802 (ook online).

Een Hollandse zeeman in het barre Noorden (2) – Verblijf in de hogere kringen van Trondheim

Cornelius de Jong, die in 1794 als bevelhebber een konvooi Oostindiëvaarders naar Nederland begeleidde, moest vanwege oorlogsomstandigheden uitwijken naar het neutrale Noorwegen. Hij verliet dit land pas negen maanden later, na het van west naar oost te hebben doorkruist. Van zijn reis hield De Jong aantekeningen bij. Hij verwerkte die in brieven aan een denkbeeldige vriend, die in 1802 en 1803 werden uitgegeven. Ze geven een boeiend inkijkje in de avonturen van deze zeeman in het ‘barre Noorden’. Alle reden dus om in de Bryggenblogs De Jongs reis te volgen. In de eerste van de reeks bereikte De Jong over zee Trondheim. Deze tweede blog is gewijd aan zijn ruim zeven maanden durende verblijf in de Noorse havenstad.

De Jong bereikte met zijn fregat Scipio in de avond van 6 oktober 1795 de haven van Trondheim. Bij wijze van groet liet hij elf saluutschoten afvuren, die met negen schoten vanaf de vesting Munkholmen werden beantwoord. De Jong verbaasde zich erover dat de Noren de vlag niet hesen en liet navragen wat de reden daarvan was. Moest hij dit als een belediging opvatten? Een foutje, zo bleek, de Noren waren dit eenvoudigweg vergeten.

Trondheim_Munkholmen, foto Clemenz Franz, cc by sa 3.0

Munkholmen voor Trondheim. (Foto Clemenz Franz, CC-BY-SA 3.0)

De dag na zijn nachtelijke aankomst begaf De Jong zich aan wal en vervoegde hij zich bij de belangrijkste bestuurders van de stad. Zijn eerste zorg was de veiligheid van de schepen en hun kostbare lading. De Jong wendde zich tot de burgemeester van Trondheim, die toevallig viceconsul van Holland was geweest. Bij dit gesprek was ook de Noorse generaal Georg Frederik von Krogh aanwezig. Von Krogh meldde dat hij de haven al had voorzien van een militaire versterking. De Jong was nu verzekerd van bescherming door de Noren. Verder zat er weinig anders op dan orders uit Nederland af te wachten. Hij verbleef daarna zelden nog aan boord van de Scipio, maar nam zijn intrek in een burgerwoning in de stad, een adres dat hij kreeg via zijn zojuist gemaakte connecties.

Havenstad zonder herberg

Voor passerende reizigers moet het destijds een hele toer zijn geweest om in Trondheim een slaapplaats te vinden. Er waren geen herbergen. Reizigers waren aangewezen op de gastvrijheid van particulieren. Had je geen relaties in de stad, dan maakte je kans van deur naar deur te worden gestuurd, want niemand was verplicht om een vreemdeling onderdak te verschaffen. Voor een Hollandse bevelhebber die op grond van zijn positie gemakkelijk toegang had tot de hoogste kringen, was dit minder een probleem. De Jong werd meteen geïntroduceerd bij de vrienden van de burgemeester en bij een van hen werd een kamer voor hem vrijgemaakt.

Een Noors vriendenmaal

De Jong was die eerste middag al te gast in het buitenhuis van een van de rijkste kooplieden van Trondheim, ene heer Mencke. Dit zal hoogstwaarschijnlijk Henrik Meincke zijn geweest, op dat moment de belangrijkste koopman en reder in Trondheim en tevens een van de grootste aandeelhouders in de kopermijnen van Røros. Net als andere welgestelde inwoners van Trondheim had Meincke buiten de stad een landgoed, waar hij zich vermaakte met het buitenleven en verdiende aan de opbrengsten van de houtkap en het graan en de groenten die er werden verbouwd. Op zijn landgoed, dat zo’n vijftien tot twintig minuten buiten de stad lag, gaf Meincke die middag een feest ter ere van de verjaardag van generaal Von Krogh. Het was een mannenaangelegenheid, de vrouw en dochters des huizes lieten zich alleen even zien om “en chorus” enige liederen te zingen. Na de maaltijd en thee speelden de heren omber, een kaartspel dat zowel de Noren als de Nederlanders kenden, maar met andere spelregels.

Georg_F_von_Krogh_1732_1818_c_medium

Generaal Georg Frederik von Krogh (1732-1818) versterkte de militaire verdediging van de haven toen De Jong er met zijn schepen beschutting had gezocht.

De Jong voegde zich naar de etiquette van de Noren. Hij leerde hun wijze van begroeten (vrouwen omhelsden elkaar, mannen ook en gaven elkaar daarbij de rechterhand, vrouwen werden door hen begroet met een handkus), en nam hun gewoonte over om een vrouw aan de arm naar de eetzaal te leiden en staande achter de stoel te bidden alvorens aan tafel te gaan. Op het menu stonden vlees- en visschotels, waarbij groente en bessen (multibær en tyttebær) werden geserveerd. Tijdens de maaltijd wandelde de gastvrouw rond – soms ook de gastheer – om waar nodig gesprekken te verlevendigen en in de gaten te houden of iedereen wel voldoende te eten had. De wijn was van abominabele kwaliteit, aldus De Jong, en hij verwonderde zich over de gewoonte om de glazen nooit helemaal leeg te drinken. Bij het uitbrengen van een toost werd “Skål” gezegd, hetgeen volgens De Jong verwees naar ‘schaal’ of ‘schedel’ en afstamde van een oud gebruik toen men “er nog een wellust in stelde om uit de schaal of hersenpan van een overwonnen vijand te mogen drinken”. Na de maaltijd begaf het gezelschap zich naar een andere zaal, waar ze elkaar opnieuw omhelsden, een hand of handkus gaven en de gastvrouw bedankten met een ‘Takk for maten’ (volgens De Jong: “Tak for male”). Nadat er tussen twee uur en half vier was gegeten, werden er nu koffie en vervolgens thee gedronken, daarna kaartspelen gedaan, brandewijn en likeur gedronken, om vervolgens rond negen uur nogmaals aan tafel te gaan. Gewoonlijk duurde zo’n visite tot elf uur ’s avonds.

Het lijkt De Jong weinig moeite te hebben gekost om zich in deze kringen te bewegen. Hun cultuur was ook niet wezensvreemd van de zijne. De meeste van de mensen die hij ontmoette spraken Duits en Frans, sommigen ook Engels. In hun vriendennetwerken deelden ze dezelfde voorkeuren: muziek, dansen en de speeltafel. De kleding van de Noorse upper ten was zoals elders in Europa. Maar vanwege de kou droegen mannen buiten vaak nog een pels van rendiervellen en geen vrouw verliet het huis zonder een bontgevoerde jas.

Leven in Trondheim

Trondheim leefde van de visserij en de handel in hout, vis en koper. Hout kwam uit de bossen rond de stad, waar ook menige zaagmolen stond. Koper werd gewonnen in de mijnen bij Røros. En vissers brachten vanaf de zee en uit de rivier Nidelva, die dwars door Trondheim stroomde, allerlei soorten vis aan land. Zalm bijvoorbeeld, al vreesde De Jong dat zijn schepen met de ankers, touwen en het heen en weer varen van de sloepen dit jaar voor teveel onrust in het water hadden gezorgd en de zalm hadden verjaagd.

bryggerekka nidelva, ca. 1955, dia Johan Alme, GA Trondheim, cc by 2.0

Pakhuizen in Trondheim aan de Nidelva, circa 1955. (Collectie Gemeentearchief Trondheim, foto Johan Alme, CC-BY-2.0)

De Jong lijkt niet erg warm te lopen voor de stad zelf. De straten waren weliswaar ruim en breed, maar ongelijk en slecht bestraat. Ook de straatverlichting liet veel te wensen over en dat was vooral in de winter vervelend als het elke dag maar zo’n vier uur licht was. Behalve de domkerk waren er weinig bezienswaardige openbare gebouwen. Wel had De Jong oog voor enkele sociale voorzieningen die zich op een opmerkelijk hoog peil bevonden. De in 1767 overleden Thomas Angell, afkomstig uit een rijke koopmansfamilie, had een behoorlijke som geld aan de stad nagelaten, waarmee onder meer de aanleg van de waterleiding en -pompen was betaald. De stinkende grachten waren gedempt, omdat men ervan overtuigd was dat het stilstaande water ziekten veroorzaakte. Ook was met het geld uit de nalatenschap van Angell het weeshuis gerestaureerd en een vrouwenklooster gesticht.

Alle huizen in de stad waren van hout en De Jong verbaasde zich erover dat ook de rijke kooplieden van zulke houten huizen luxe verblijven hadden gemaakt. Er stonden imposante houtgestookte kachels en zelfs de slaapkamers werden verwarmd – bepaald geen overbodige luxe in een stad waar het een deel van het jaar “nijpend koud” was. De huizen waren er aangenaam warm, aldus De Jong, niet benauwd. Bij het slapen echter broeide het hem teveel onder de aldaar gangbare zachte donzen dekbedden. Twee dekens vond hij verkieslijker.

Domkerk, steendruk Carl Johan Fahlcrantz, 1821, GA Trondheim, cc by 2.0

Domkerk van Trondheim in 1821. Steendruk van Johan Carl Fahlcrantz. (Collectie Gemeentearchief Trondheim, CC-BY-2.0)

Een exotisch geschenk

Tijdens zijn verblijf bracht De Jong een bezoek aan de bibliotheek van het Koninklijk Noors Genootschap van Wetenschappen en Letterkunde (Det Kongelige Norske Videnskabers Selskab), dat in 1760 in Trondheim was opgericht. De bibliotheek imponeerde hem niet, al waren er toch wel enige goede werken op de planken terechtgekomen. Ieder lid was verplicht om bij toetreding een boek te schenken. Ook had het Genootschap een klein kabinet van naturalia, waarvoor de verzameling van een van de oprichters, bisschop Johan Ernst Gunnerus, de grondslag had gelegd. Het kabinet bevatte onder meer vissen, schelpen en insecten en ook noteerde De Jong “eenige aardige Noordsche koralen”. Tot de verzamelingen behoorden voorts een herbarium en een collectie mineralen, die voornamelijk afkomstig waren uit de kopermijnen van Røros en Meldal en uit de zilvermijn van Kongsberg.

J.C. Schønheyder, 1742-1803, GA Trondheim cc by 2.0

Bisschop Johan Christian Schønheyder (1742-1803), tevens vicepresident van het Noorse wetenschappelijk genootschap. (Foto collectie Gemeentearchief Trondheim, CC-BY-2.0)

De Jong had op zijn reis naar Kaap de Goede Hoop enige exotica verworven. Vermoedelijk had hij deze bij de Kaap gekocht, aangezien hij niet in de Oost was geweest. Bij het zien van de verzameling in Trondheim besloot hij zijn collectie aan te bieden aan het Noorse genootschap. De vicepresident, bisschop Johan Christian Schønheyder accepteerde de schenking “met greetig genoegen”. Zo werd de Noorse verzameling dankzij een Nederlander in één klap uitgebreid met huiden van hyena’s, luipaarden, leeuwen en andere dieren, alsmede zo’n twintig vogels van Kaap de Goede Hoop, insecten uit Indië en China, vissen op sterk water (brandewijn!) en gedroogde zeegewassen. De leden van het genootschap kwamen enkele dagen later in een buitengewone vergadering bijeen om de aanwinsten te bekijken. Daags erna stond de bisschop weer voor De Jong om hem namens alle leden te bedanken voor de vele ‘zeldzaamheden’ en hem het lidmaatschap van het genootschap aan te bieden. De Jong stemde dankbaar toe met dit “vleijend en verpligtend aanbod”.

astragalus alpinus, van Tromsø, 1767, Gunnerus herbarium, NTNU Vitenskapsmuseet, cc by 2.0

Astragalus alpinus, uit het herbarium van Gunnerus. (Collectie NTNU Wetenschapsmuseum)

In de volgende blog tart De Jong de elementen als hij – ingepakt in berenvellen – op een slede naar Røros afreist om er de kopermijnen te gaan bekijken.

Bronnen:
Jaap R. Bruijn, Naval captain Cornelius de Jong’s unforeseen stay in Norway (1795-1796), in: Louis Sicking, Harry de Bles, Erlend des Bouvrie (eds.), Duth light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 93-112.
Norsk Biografisk Leksikon (Henrik Meincke
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ‘s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 2, Haarlem 1802 (ook online).

Een Hollandse zeeman in het barre Noorden (1) – De reis langs de Noorse westkust

Hij was de oudste zoon uit een gegoede Hollandse familie en had een glansrijke carrière opgebouwd als marineofficier. Cornelius de Jong (1762-1838) was in 1794 met het fregat Scipio naar Kaapstad gevaren om een konvooi van VOC-schepen naar Nederland te begeleiden. Hij belandde uiteindelijk in Noorwegen en verliet het land pas negen maanden later, na het van west naar oost te hebben doorkruist. Van zijn reis hield De Jong aantekeningen bij, die hij later verwerkte in brieven aan een denkbeeldige vriend. Deze brieven, die in 1802 en 1803 werden uitgegeven, geven een boeiend inkijkje in de avonturen van deze zeeman in het ‘barre Noorden’. De komende Bryggenblogs zijn gewijd aan De Jongs reis. De eerste blog verhaalt over zijn tocht langs de westkust naar Trondheim.

C. de Jong, Rijksmuseum

Portret van Cornelius de Jong. Ets door L.G. Portman. (Collectie Rijksmuseum)

In mei 1795 hadden de negen Oostindiëvaarders en twee fregatten bij Kaap de Goede Hoop de ankers gelicht, maar weldra bereikte hen het bericht dat de Fransen Nederland waren binnengevallen en dat zich in het land een revolutie had voltrokken. Bevelhebber De Jong vreesde dat de schepen op de Noordzee niet veilig zouden zijn nu Engeland een vijandelijke mogendheid was geworden en besloot een omweg te maken via de Shetland eilanden. Hij kon niet voorkomen dat drie schepen, waaronder het andere fregat, in handen vielen van de Engelsen. De Jong besloot daarop om met zijn verzwakte vloot naar een haven in het neutrale Noorwegen te varen en daar nadere orders af te wachten.

Op 17 september bereikten zij de Noorse wateren. Een paar lokale vissers bleken bereid om als loods te fungeren tijdens de moeilijke vaartocht in deze wateren. Geteisterd door dichte mist, dan weer door een harde aflandige wind en het ontbreken van goede ankerplaatsen gingen de schepen op 19 september voor anker bij het eiland Valderøya (De Jong schrijft dit als ‘Walderhow’). De schepen trokken veel bekijks, voor zover daarvan op de schaars bewoonde eilandjes sprake kon zijn. Ze werden rijkelijk voorzien van verse groenten en vis en de belangrijkste bestuurder van het gebied, de ‘hupsche heer’ Andreas Norlow, bracht De Jong een beleefdheidsbezoek. Norlow was in gezelschap van enkele heren en dames, waarvan De Jong vermoedde dat het ‘alle de fatzoenlijke lieden van den geheelen omtrek’ betrof.

1024px-Tueneset_Valderøya_foto Rolf Ganger, cc-by-sa 3.0

Valderøya in 2010. (Foto Rolf Ganger, CC-BY-SA 3.0)

Een onsmakelijke gewoonte

Twee dagen later volgde het tegenbezoek van De Jong en een aantal officieren. Per sloep voeren zij tussen de vele eilandjes door naar het huis van Norlow, waar hun een uitgebreide ontvangst ten deel viel. De heren dronken brandewijn, madeira en koffie, rookten een pijpje en daarna volgde nog thee met gebak. Op aandringen van de gastheer nuttigde het gezelschap ook de avondmaaltijd bij hem thuis. Op het menu stond een flink stuk gebraden rendiervlees. De Jong was zeer te spreken over de gastvrijheid, maar ergerde zich aan één ding: de gewoonte van Noorse mannen om op de grond te spuwen. Hoewel de houten vloeren bestrooid waren met zand en dennennaalden liet deze gewoonte zichtbare sporen na in de onderste randen van de lange rokken die de vrouwen droegen, iets waarvan De Jonge vermoedde dat zij er een ‘wezenlijk ongemak door leden’.

Vervolg van de reis naar het noorden

Omdat hij had vernomen dat Engelse en Russische schepen het op de Oostindiëvaarders hadden voorzien, zette De Jong zijn tocht voort richting Trondheim. De vaarweg stond als uiterst moeilijk bekend en De Jong had het niet hoog op met zijn loodsen. Hij vond hen ‘onkundige, bange menschen’ en ‘volstrekt niet gewoon met schepen te werken’. Op het eiland Harøya sneden zijn bemanningsleden wilde zuring, een effectief middel tegen de scheurbuik waaraan een aantal van hen leed. Na nieuwe tijdingen over de politieke en militaire omstandigheden te hebben ingewacht, liet De Jong op 28 september de ankers lichten en zeilde hij verder naar het noorden. In regen en wind ging het gevaarlijk dicht langs de klippen, maar om vier uur bereikten de schepen veilig het eiland Edøya. De plaatselijke geestelijke had bij zijn huis de vlag gehesen, een groet die De Jong liet beantwoorden. Aan de oostzijde van het eiland gingen de schepen die nacht voor anker.

1024px-Edoey_gl_krk_ne, foto Olve Utne, cc by sa 2.5

De oude kerk van Edøya zoals die er tegenwoordig bij staat. (Foto Olve Utne, CC-BY-SA 2.5)

De volgende dag werd de reis voortgezet langs ‘klippig land en oogschijnelijke dorre rotzen’. De Jong verbaasde zich erover dat hier toch graan verbouwd kon worden en liet zich imponeren door de talrijke watervallen. Onderweg moest een afgezant van een koopman uit Trondheim afgewimpeld worden, die zich aan boord had gemeld met het verzoek als commissionair te mogen optreden en een vervalste brief uit Holland bij zich had. Die avond ging De Jong voor anker bij Ørland, gelegen op een schiereiland recht tegenover de ingang van de Trondheimsfjord.

Ørland

Vlakbij de kerk van Ørland woonde de geestelijke die deze uitgebreide parochie bediende. De Jong ontmoette hem na een jachtpartij. Hij bleek een belezen man die Hoogduits sprak. Zijn gemeente bestond uit ruim 2200 lidmaten, die verspreid over de eilanden woonden. Deze eilanden lagen niet ver van elkaar, maar om ’s zondags naar de eredienst te komen moesten de gelovigen per boot toch een flinke afstand afleggen. Omgekeerd was het voor de prediker ook een hele toer om zijn parochianen te bezoeken. Vooral in de winter, wanneer kou en harde wind voor veel ongemak zorgden en sneeuwval het zicht ontnam. Kinderen in deze verspreide gemeente kregen les van een van de vier rondreizende onderwijzers, die vaak door de geestelijke zelf waren onderricht. Zo’n onderwijzer woonde een tijdlang in bij een boer, waar de kinderen uit de buurt zich dan verzamelden om les te krijgen.

1024px-Bruholmen_rusaset_austrattlunden, Ørland, 2005, GA Ørland

Ørland. (Collectie Gemeentearchief Ørland)

De mensen die op deze eilanden woonden, waren boer of dagloner en tevens visser. Haring vond veel aftrek onder arme mensen. Ze maakten er soep van en aten de vis bovendien bij de pap die ze kookten van havermeel. Haver werd in deze omgeving veel verbouwd en van het havermeel werd flatbrød gebakken, grote ronde dunne koeken die werden bestrooid met roggemeel. Rijke mensen bakten het flatbrød dunner en van haverbloem, dus zonder zemelen. Daarnaast werd in deze contreien zwart roggebrood gegeten, waarin komijnzaad was verwerkt om de smaak en geur een oppepper te geven.

Doodskisten op een landgoed

Tijdens zijn verblijf bij Ørland gaf De Jong gehoor aan een uitnodiging van Eiler Hagerup Holtermann, eigenaar van het landgoed Austrått (in de brieven geschreven als Osterraad). De Jong legde een grote belangstelling aan de dag voor de geschiedenis van het huis en zijn bewoners. Rond het midden van de zeventiende eeuw waren de gebouwen in opdracht van de toenmalige eigenaar Ove Bjelke nieuw opgetrokken. Maar de eerste vermeldingen van Austrått dateren reeds uit de tiende eeuw (De Jong meende de twaalfde eeuw). De Jong betrad het gebouw door de gewelfde poort, die versierd is met wapens en familienamen, bekeek de galerijen met aan weerszijden houten beelden en ging de – naar zijn zeggen – twintig trappen op om het huis binnen te gaan. Hij waande zich in de tijd van de oude kastelen: smalle lage deuren, kleine vensters, nauwe gangen en weinig licht.

Austrattborgen entree, foto Karin Størseth, cc by 2.5

De poort van het landgoed Austrått. (Foto Karin Størseth, CC-BY 2.5)

Vervolgens daalde hij af in de kleine kapel, waar hij een aantal schilderijen bewonderde, die er door ouderdom of achterstallig onderhoud overigens niet al te best bij hingen. In een vertrek achter het altaar stonden vijf doodskisten. Daarin rustten bouwheer Ove Bjelke en diens vader Jens Bjelke, evenals Oves drie vrouwen. Van Helena Lindenow, Bjelkes in 1675 gestorven, laatste echtgenote, was de kist geopend en kon De Jong het opmerkelijk gaaf gebleven lijk aanschouwen, alsmede haar eveneens opmerkelijk gaaf gebleven linnen hemden en de bekleding van de kist. De Jong schreef de uitstekende conditie toe aan de zeer droge lucht in de kapel, waar de deuren bijna altijd openstonden.

Na de kapel bezocht De Jong nog een kleine gevangenis in het complex. Hij besteedde voorts aandacht aan de stenen piramide bij het huis, die ter ere van de vader van Ove Bjelke was opgericht. Een woordspeling op de plaquette ontging hem niet. De Jong meende dat de piramide in opdracht van Bjelke zelf was gebouwd, maar inmiddels wordt aangenomen dat alleen de gedenksteen uit diens tijd stamt en dat de piramide kort vóór 1774 moet zijn gebouwd, slechts enkele decennia voor het bezoek van onze zeeman dus. Het bezoek werd afgesloten met een maaltijd, waarbij een overvloed aan vlees en vis werd geserveerd en weinig groente en fruit, al liet De Jong zich de kersen, die in de omgeving waren geplukt, goed smaken.

Austrattborgen in 2005, cc by 2.5

Landgoed Austrått in 2005. (CC-BY 2.5)

Op 6 oktober was er eindelijk een gunstige wind en kon de reis naar Trondheim worden voortgezet. Om tien uur die avond bereikte De Jong de havenstad, waar ook vijf van de Oostindiëvaarders op de rede lagen. Zou De Jong toen al hebben bevroed dat hij nog de hele winter en het voorjaar in Noorwegen zou moeten blijven?

In de volgende blog lezen we hoe het De Jong en zijn mannen in Trondheim verging en welke indrukken hij opdeed van het dagelijks leven in deze stad.

Bronnen:
Carla van Baalen en Dick de Mildt (red.), ‘Weest wel met alle menschen’; de Kaapse brieven van Cornelius de Jong van Rodenburgh, Hilversum 2012.
Jaap R. Bruijn, Naval captain Cornelius de Jong’s unforeseen stay in Norway (1795-1796), in: Louis Sicking, Harry de Bles, Erlend des Bouvrie (eds.), Duth light in the ‘Norwegian night’; maritime relations and migration across the North Sea in early modern times, Hilversum 2004, 93-112.
Reizen naar Kaap de Goede Hoop, Ierland en Noorwegen, in de jaren 1791 tot 1797, door Cornelius de Jong, met het, onder zijn bevel staande, ’s lands fregat van oorlog, Scipio, deel 2, Haarlem 1802 (ook online).

Noors design steelt de harten in Milaan

Toen afgelopen zondag de deuren aan de Via Ventura 6 in Milaan sloten, kon Noorwegen terugkijken op een uitstekende performance tijdens de prestigieuze Salone del Mobile. Hét design evenement waar de hele wereld naar kijkt, vond dit jaar plaats van 12 tot 17 april. Noorwegen was er present met 26 ontwerpers. Omdat de mogelijkheden om hun ontwerpen in productie te krijgen in eigen land beperkt zijn, hoopten zij in Milaan onder meer de aandacht te trekken van producenten uit het buitenland.

Ook vorig jaar presenteerde Noors design zich in Milaan, toen onder de noemer Norwegian Presence. Dit jaar was Structure het overkoepelende thema. Verscheidene organisaties sloegen voor deze expositie de handen ineen: Klubben (Noorse designers), Norwegian Crafts (hedendaagse kunstnijverheid) en de verffabrikant Jotun, die de kleurstelling ontwikkelde. De styling en inrichting van de ruimte was in handen van het duo Kråkvik & D’Orazio en van Hanna Nova Beatrice, chef-redacteur van het Zweedse designmagazine Residence.

De ontwerpen in Milaan waren van meest jonge Noorse designers. Inspiratie haalden zij van over de hele wereld, soms ook heel dichtbij huis. Vera & Kyte, de designstudio van Vera Kleppe and Åshild Kyte uit Bergen, liet zich inspireren door de vormen en kleuren van de steden Los Angeles, Tokyo en Rome. Ze maakten sets van grafische tegels die kunnen dienen als onderzetter, pannenonderzetter of dienblad.

Tiles VITRA.indd

Navigate. Ontwerp Vera & Kyte. (Foto Siren Lauvdal)

In de archieven van de gerenommeerde Noorse zilversmid Theodor Olsen trof Lars Beller Fjetland een oud ontwerp voor een bestek aan. Het dateert uit de jaren 1950, maar het bestek werd nooit in productie genomen. Fjetland bewerkte het design. De hartvormige bladen en de lange stelen van de monstera (gatenplant) inspireerden hem tot het ontwerp van de asymmetrische bestekonderdelen: een weerspiegeling van de gatenplant, die in staat is om twee soorten bladeren te laten groeien: dichte en vingervormige.

salone_norwegian_004-1050x700, foto Siren Lauvdal_1

Monstera. Ontwerp Lars Beller Fjetland. (Foto Siren Lauvdal)

Het is geen sofa en evenmin een armstoel. Sara Polmar ontwierp Between, een zitmeubel dat uitnodigt tot het ontdekken van nieuwe vormen van ‘zitten’, alleen of met anderen. Noorse meubeldesigners gooiden vanaf de jaren zestig al hoge ogen met het zoeken naar nieuw zitcomfort. Sara Polmar ging opnieuw op zoek. De zitting, rug en armleuning van haar meubel zijn uitgevoerd in Noorse wol en hebben verschillende kleuren en structuren.

Structure-produkt-21_1

Between. Ontwerp Sara Polmar. (Foto Siren Lauvdal)

Noorwegen zou Noorwegen niet zijn als op deze designtentoonstelling de experimenten met materialen en technieken niet zouden overheersen. Anja Borgersrud ontwierp Shake: drie strooivaten voor zout, peper en suiker. Ze lijken op kiezelstenen en degene die het vat vasthoudt, zou er een moment van meditatieve kalmte door ervaren.

Structure-produkt-3_1

Shake. Ontwerp Anja Borgersrud. (Foto Siren Lauvdal)

Een boeiende uitdaging ging Anette Krogstad aan. Zij slaagde erin steengoed te creëren met een oppervlakte die lijkt op korstmossen. Ze vormde de borden met de hand en glazuurde ze in drie tot vier lagen om het bedoelde effect te krijgen.

Structure-produkt-2_1

Steinlav. Ontwerp Anette Krogstad. (Foto Siren Lauvdal)

Opvallend veel ontwerpers vonden hun kracht in de combinatie van materialen. Het designduo gunzler.polmar maakte Pour, een klassieke set bestaande uit een waterkan en bijbehorend bekken. De kan is van porselein, het bekken van ruw steengoed. Aanvulling en contrast in een.

salone_norwegian_002-1050x700, foto Siren Lauvdal

Pour. Ontwerp gunzler.polmar. (Foto Siren Lauvdal)

Kristine Bjaadal combineerde in Sfera twee verschillende materialen: essenhout en het unieke Noorse gesteente larvikite, dat bij de zuidelijke kustplaats Larvik gewonnen wordt. Een soortgelijke combinatie liet ze eerder ook zien in de series Hegne (houten potten met deksels van keramiek) en Hold (glazen potten met houten deksels).

Bjaadal_Sfera_3_WEB, foto Lasse Fløde_1

Sfera. Ontwerp Kristine Bjaadal. (Foto Lasse Fløde)

Een onverwachte combinatie van materialen maakte Barmen & Brekke met Kveik. Kveik – het Noorse woord voor ontbranden – is een serie van drie kaarsenstandaards, die vijf soorten klei en vijf in Noorwegen voorkomende houtsoorten verenigt. Elk object is gemaakt met de techniek van het draaien, een van de oudste methoden om materialen in een vorm te dwingen.

kveik-kirsebc3a6r-alm-ask, foto Barmen & Brekke

Kveik. Ontwerp en foto Barmen & Brekke.

De sporen die ambachtelijke technieken nalaten, geven de producten die ermee zijn gemaakt karakter en levendigheid. Ze ontbreken vaak in producten die met moderne industriële of computergestuurde technieken zijn gemaakt. Sverre Uhnger echter liet de groeven en afdrukken van de CNC-freesmachine intact. Ze zeggen iets over het maakproces en hebben tegelijkertijd een decoratieve functie. Trace is een collectie van houten serveerbladen en planken.

Trace_SverreUhnger_3, foto Siren Lauvdal_1

Trace. Ontwerp Sverre Uhnger. (Foto Siren Lauvdal)

En last but not least springt de bronzen vaas Vigeland in het oog, ontworpen door Andreas Engesvik, een van de grootste namen uit de hedendaagse Noorse designwereld. De vaas is zijn antwoord op het Vigeland Park in Oslo, dat gewijd is aan de imponerende sculpturen van de kunstenaar Gustav Vigeland. Met de vaas onderzoekt Engesvik de relatie tussen het fundamentele en het door mensenhanden gemaakte. De zwaarte en het ogenschijnlijk onveranderlijke van het object plaatst hij als het ware naast het veranderlijke karakter van de inhoud.

Structure-produkt-1_1

Vigeland. Ontwerp Andreas Engesvik. (Foto Siren Lauvdal)

De expositie Structure trok veel aandacht in de internationale designwereld. Toonaangevende media besteedden er aandacht aan: Wallpaper, Dezeen, Disegno en AnOther bijvoorbeeld. Noorwegen heeft opnieuw zijn visitekaartje afgegeven.

Kijk voor alle ontwerpen op www.norwegianstructure.com.

Pasen in Noorwegen: over sneeuw, chocoladekoekjes en misdaadromans

Pasen luidt – net als in Nederland – in Noorwegen het begin van het voorjaar in. De Noren koppelen er een relatief lange vakantie aan. De scholen zijn de week voorafgaand aan Pasen dicht en veel bedrijven sluiten de poorten van Witte Donderdag tot en met Tweede Paasdag. Veel Noren brengen Pasen in familiesfeer door, met activiteiten in de buitenlucht en een spannende misdaadroman voor de avonduren.

Voor veel Noren is Pasen in de eerste plaats een christelijke feestdag. De kerken kunnen rekenen op meer kerkgangers dan op gewone zondagen. In veel kerken wordt bovendien op zaterdagavond al een mis gevierd. In Oslo vindt op Goede Vrijdag een processie plaats, georganiseerd door de KirkensBymisjon, een sociaal-maatschappelijke organisatie van gelovigen. Vooraan in deze processie wordt een groot houten kruis meegedragen. Het kruis zelf wordt overigens op wielen voortbewogen. De dragers komen uit de stoet en wisselen elkaar af. Anderen dragen hun eigen kleine houten kruis. De optocht start bij de Dom van Oslo en stopt op verschillende plaatsen, onder meer bij het parlementsgebouw en het gerechtsgebouw. De processie eindigt bij de St. Olavskirke, waar het kruis met rode bloemen wordt versierd.

daffodils, foto Ole Husby, cc by sa 2.0

Narcissen geven Pasen in Noorwegen kleur, zowel binnen als buiten. (Foto Ole Husby, CC-BY-SA-2.0)

Eieren, kuikentjes en narcissen

Net als in andere landen zijn er in Noorwegen volop wereldlijke elementen aan het kerkelijke feest toegevoegd. Die staan veelal in verband met het ontluikende voorjaar. Vele bevatten symbolen van nieuw leven en groei. Dé paaskleur in Noorwegen is geel, maar ook grasgroen doet het goed. Tijdens de paasdagen prijken er voorjaarsbloemen (narcissen, tulpen en hyacinten) en andere vrolijke decoraties in huis. Kuikentjes en eieren ontbreken niet. De Noren gebruiken berkentwijgen als paastakken, die ze met fleurige decoraties behangen. De paashaas ontbreekt evenmin, al wordt deze beschouwd als iets dat vooral vanuit commerciële overwegingen aan het paasfeest is toegevoegd. Maar niettemin brengt de paashaas ook in Noorwegen eieren, die kinderen op eerste paasdag mogen zoeken.

Culinaire genoegens

Op de vrolijk gedekte Noorse ontbijttafels prijkt een overvloedige hoeveelheid eten, waaronder vers brood en gekookte eieren die net als bij ons soms beschilderd zijn. Traditionele gerechten voor de lunch of het diner zijn rakfisk, gemaakt van verse forel, en gebraden of geroosterd lamsvlees, dat wordt gegeten met gekookte aardappelen en groenten. Wie daar zin in heeft, drinkt er speciaal paasbier bij. En dan zijn er nog speciale paasdesserts, paastaarten en paaskoekjes. Een rondgang langs de recepten doet het water in de mond lopen: sinaasappeltaart, worteltaart met ananas en kokos, chocoladetaart met truffelcrème, kleurig bestrooide vanilletaart en cheesecakebrownies met frambozen. Dat is nog maar een kleine greep uit hetgeen heel Noorwegen in de paastijd bakt. Onder de koekjes vielen me de paasmakronen op, met een vulling van roomkaas, suiker en saffraan. Daarnaast eten de Noren in deze tijd veel sinaasappels en zoetigheid als marsepein en chocolade. Kinderen krijgen vaak op zaterdagavond (paasavond) grote, in kleurig folie gewikkelde paaseieren die met lollies en/of andere zoetigheden zijn gevuld.

harer i disp, foto Thomas Angermann, 2006, cc by sa 2.0

Chocolade paashazen in de winkel. (Foto Thomas Angermann, CC-BY-SA-2.0)

Sverigedag

Tot zover is het Noorse Pasen redelijk vergelijkbaar met dat in Nederland. Maar de Noren hebben ook andere, karakteristieke gewoonten. Neem Sverigedag, de Noorse invasie in Zweden op Witte Donderdag. In de grensstreken staan op deze dag lange files richting Zweden. Veel (jonge) Noren stappen op deze dag in de auto om in het veel goedkopere Zweden, waar de winkels wel open zijn, inkopen te doen. Alcoholische dranken bijvoorbeeld kosten in Zweden lang niet zoveel als in Noorwegen. Bovendien zijn de Noorse Vinmonopolets (drankwinkels) al vanaf woensdagmiddag 15 uur gesloten en gaan ze pas na Pasen weer open. Het reisje naar Zweden is een zeer populair tijdverdrijf. Vorig jaar besteedden zo’n 15.000 Noren op die manier hun Witte Donderdag.

Kvikk Lunsj in de buitenlucht

Naar het schijnt is het minder gebruikelijk aan het worden om de paasdagen door te brengen in de hytte (het buitenhuisje dat een flink aantal Noren bezit). Maar dat wil niet zeggen dat alle Noren met Pasen thuis blijven zitten. Een aanzienlijk deel trekt er in deze dagen in de buitenlucht op uit. Skiën en wandelen in de bergen zijn dan veruit het meest populair. Dat mag nauwelijks een wonder heten in een land waar met Pasen nog zoveel sneeuw ligt.

påske Tynset, Hedmark, 2010, foto Aslak Raanes, cc by 2.0

De sneeuw in bij Tynset (Hedmark), Pasen 2010. (Foto Aslak Raanes, CC-BY-2.0)

Bij de outdooractiviteiten zorgt een Kvikk Lunsj (Snelle Lunch) voor de broodnodige energie. Deze chocoladereep gaat mee in elke rugzak, evenals overigens een paar sinaasappels en een blikje Solo frisdrank. De Noorse chocoladefabrikant Freia lanceerde Kvikk Lunsj in 1937, twee jaar nadat in de Verenigde Staten het enigszins vergelijkbare KitKat op de markt was gekomen. Het Noorse koekje is een dikke knapperige vanillewafel omhuld door een laag melkchocolade en kan in vier repen worden gebroken. Delen is dus het devies. De voedingswaarde zou gelijk staan aan twee boterhammen en een ei, zo beloofde Freia bij de introductie. Voor veel Noren heeft Kvikk Lunsj nostalgische waarde. Het is bepaald niet gewaagd om te veronderstellen dat de iconische chocoladewafel deel uitmaakt van de Noorse nationale identiteit.

kvikk lunsj in the snow, foto color line, cc by 2.0

Kvikk Lunsj in de sneeuw. (Foto Color Line, CC-BY-2.0)

Påskekrim

En wie dan moe maar voldaan van de wandeling of skitocht is teruggekeerd, laat zich ’s avonds onder een deken op de bank meevoeren in een bloedstollende misdaadroman of misdaadserie op tv. Påskekrim is een begrip in Noorwegen. Vrijwel alle televisiekanalen zenden met Pasen een misdaadserie uit. In de supermarkten verschijnen Tine-melkkartons met mysterieuze misdaadverhalen op de verpakking. Kindvriendelijk, dat wel, zodat de hele familie zich tijdens het ontbijt over de raadselachtige misdaad kan buigen. Uitgevers brengen juist in de paastijd nieuwe misdaadromans op de markt. Naar het schijnt is de Påskekrim-traditie begonnen in 1923 met een advertentie op de voorpagina van de Noorse krant Aftenposten voor het boek Bergenstoget plyndret i natt (De Bergentrein werd vannacht geplunderd) van Nordahl Grieg en Nils Lie. Velen zagen de advertentie aan voor een echt nieuwsbericht. Het boek werd een groot succes en dit bracht uitgeverijen op het idee om ook in het volgende jaar hun nieuwe misdaadromans en detectives rond Pasen te lanceren. Zo werd de paastijd het hoogseizoen voor de Noorse krimi.

Pasen voor nerds

De meest recente paastraditie in Noorwegen speelt zich af in Hamar, waar enkele duizenden meest jonge mensen (tussen de 15 en 25 jaar) zich in het Vikingskipet verzamelen voor een mega computer party. ‘The Gathering’ is een paastraditie voor nerds, die van over de hele wereld belangstellenden trekt. Er worden nieuwe vriendschappen gesloten, discutabele eet- en slaapgewoonten gedeeld en er wordt vooral heel veel gegamed. Een zeer eigentijdse loot aan de stam van de Noorse paastradities dus, al lijkt het zeer onwaarschijnlijk dat hij de Kvikk Lunsj in de sneeuw ooit zal verslaan.

The Gathering 2011, foto Andreas Rønningen, cc by 2.0

The Gathering in Hamar, 2011. (Foto Andreas Rønningen, CC-BY-2.0)

Als bronnen voor dit verhaal dienden verhalen op de volgende websites: www.tnp.no, www.mylittlenorway.com, www.thornews.com, www.norwegianarts.org.uk, www.thanksforthefood.com, www.visitnorway.com, www.lifeinnorway.net en www.afroginthefjord.com.

‘Mijlen en mijlen verwijderd van beschaving’: de eerste groepsreizen naar Noorwegen

Vanuit de haven van IJmuiden vertrok op 19 juli 1929 het schip Monte Cervantes voor een tocht langs de Noorse kust. Aan boord van dit luxe cruiseschip bevonden zich meer dan zeshonderd Nederlanders. Een van hen deed in een lokale krant verslag van deze reis. Dit en andere reisverslagen uit die tijd geven een onthullend inkijkje in de wijze waarop Nederlandse vakantiegangers, die voor het eerst in grote groepen naar Noorwegen gingen, het land ervoeren.

De eerste cruises

De Nederlandsche Reisvereeniging organiseerde in de jaren twintig haar eerste grote groepsreizen naar Noorwegen en bracht dit land daarmee binnen het bereik van grotere groepen in de samenleving. Een reis kostte tussen 115 en 201 gulden en wie dat betalen kon, kon zich, voorzien van alle gemakken op luxe boten, naar het Noorden laten varen. Noorwegen kon al rekenen op belangstellenden van koninklijke bloede. Het land was al decennia eerder een favoriet reisdoel van de Duitse keizer Wilhelm II. En ook de Nederlandse koningin Wilhelmina koesterde een voorliefde voor het indrukwekkende Noorse landschap. Haar eerste reis naar Noorwegen maakte ze in augustus 1921 en daarna zou ze het land nog vele malen bezoeken. Altijd gewapend met haar tekendoos, want ze vond er veel inspiratie voor haar tekeningen en schilderijen.

keizer wilhelm ii in noors landschap, foto toegeschreven aan Paul Güssfeldt, ca. 1889, Rijksmuseum_1

De Duitse keizer Wilhelm II in een Noors landschap, omstreeks 1889. (Rijksmuseum, foto toegeschreven aan Paul Güssfeldt)

In het voetspoor van de koninklijke reizigers zetten in de jaren twintig ook anderen koers naar het Hoge Noorden. In 1927 kreeg de Noorse stad Bergen drieduizend Nederlandse toeristen te verwerken. De winkels gingen er speciaal op zondagmiddag voor open. De stroom was voorlopig niet te stuiten. Meer dan zeshonderd Nederlanders scheepten samen met ruim duizend Duitsers in juli 1929 in op het luxe schip Monte Cervantes. Onder hen bevond zich reiziger P.J.W., wiens verslagen van deze reis in de Vlissingsche Courant werden afgedrukt.

De reis bracht de opvarenden eerst naar Bergen. Van daaruit ging het via Molde, Ålesund en Harstad (Lofoten) naar de Noordkaap. Zelfs Spitsbergen werd aangedaan en vervolgens keerde het schip via Hammerfest langs de Noorse westkust terug. Onderweg was er af en toe gelegenheid om van boord te gaan en kennis te maken met het Noorse landschap, de steden en de bevolking. P.J.W. beschrijft hoe bij aankomst in Bergen 40 tot 45 auto’s klaar staan om de gasten de bergen in te rijden en hoe op een later moment de toeristen zich in een colonne van bijna 200 boerenwagentjes met paardjes ervoor (stolkjære) naar het hoog in de bergen gelegen hotel Stalheim laten vervoeren. De Noren waren erop ingericht om gasten te ontvangen. Daarvan getuigen ook de vele gelegenheden om souvenirs te kopen. In de winkels in Bergen waren grote aantallen houten en zilveren Vikingscheepjes voorradig. En bij de Noordkaap stonden ‘Lappen’ die de toeristen snuisterijen verkochten.

Monte Cervantes, Bundearchiv, cc by sa 3.0 de

De Monte Cervantes was een voor die tijd modern schip. Klassen ontbraken aan boord, zodat iedereen kon gaan en staan waar hij wilde. Het schip was in 1928 in de vaart genomen en zou in 1930 voor de kust van Zuid-Amerika vergaan nadat het tegen een rots was gevaren.

Vervoering

De reizigers van toen vielen voor dezelfde elementen in het Noorse landschap die ook menige huidige toerist in vervoering brengen: de fjorden, de tienduizenden grote en kleine eilanden voor de kust, de steile rotswanden, de watervallen en de gletsjers en sneeuwvelden in de bergen. P.J.W. geniet van de autotocht in de omgeving van Bergen. Als “moderne Vikingen aan het stuur” weten de Noorse chauffeurs moeiteloos de hoge hellingen en scherpe bochten te nemen om dan weer met vliegende vaart de diepe valleien in te duiken. Eenzelfde bewondering valt overigens ook de kapitein ten deel die de Monte Cervantes behoedzaam langs de rotsige eilanden loodst. Het vervoer in het ruige landschap hield ook andere reizigers in Noorwegen bezig. Koningin Wilhelmina beschrijft hoe zij over een weg “die maar een bescheiden plaats was toegemeten” een autorit maakte naar de staafkerk in Borgund. “Bij de bochten vroegen wij ons soms af of onze auto niet knel zou raken!”

Stavkirke Borgund, 2008, foto Orse, cc-by-sa-2.0

De staafkerk in Borgund in 2008. (Foto Orse, CC-BY-SA-2.0)

Betuwe in de bergen

De akkertjes en weilanden tegenaan de berghellingen, die in Noorwegen overigens maar dun gezaaid zijn, doen P.J.W. aan de Alpen denken. De groene weiden met grazende koeien en boomgaarden langs het Geirangerfjord associeert hij zelfs met de Betuwe, “maar dan met een stoffage van bergen, watervallen en hoge rotsen”. In het Noorse landschap liggen de kleine huisjes vaak ver van elkaar verspreid, “alsof een kind den inhoud van zijn bouwdoos hier en daar had weggesmeten”. Koningin Wilhelmina is eveneens onder de indruk van het landschap. In een brief aan haar moeder schrijft ze: “Er is veel poëzie in het landschap, weinig koroliet, een blauw waas overdekt hemel en bergen. De onnoemelijke stille wateren der fjorden, bewaakt en in toom gehouden door reuzen van graniet zal ik licht niet vergeten.” Wilhelmina raakte tijdens bergwandelingen soms zo overweldigd door het natuurschoon dat ze de rest van het gezelschap vooruit liet gaan en zelf achterbleef om de omgeving in alle eenzaamheid in zich op te nemen.

foto auteur

“… een blauw waas overdekt hemel en bergen…” (Foto auteur, 2014)

Journalist en auteur J.B. Schuil, die in 1927 op het cruiseschip Monte Olivia naar Noorwegen reisde, beschrijft in het Haarlem’s Dagblad hoe hij met een groep wandelaars de Kjenndal gletsjer bereikte. “Het is het meest woeste berglandschap dat men zich denken kan. […] Torenhoog liggen de ijsmassa’s hier opgestapeld, in de meest grilligen vorm, gekarteld, getand, massief, als witte granietblokken met spleten en scheuren van opaal-blauwe kleur. O, die wonder-blauwe kleur van het gletscher ijs! Nooit zag ik ze zoo intens, zoo diep, zoo sprookjesachtig mooi […]”.

Kjenndalsbreen, foto Karalan, cc by 2.0

Kjenndalsbreen in 2008. (Foto Karalan, CC-BY-2.0)

Middernachtzon

Eenzelfde ontzagwekkende ervaring hadden de reizigers op de Monte Cervantes toen zij op 24 juli 1929 bij de Lofoten de middernachtzon aanschouwden. Van nacht kan men hier niet spreken, had P.J.W. al eens genoteerd, want het blijft maar steeds licht en helder. Tegen elf uur die avond was van de ondergaande zon nog steeds een goudrode streep zichtbaar achter een lage bergketen. Drie kwartier later steeg plotseling achter de bergen langzaam en statig de middernachtzon omhoog. De zon zette het lage deel van het uitspansel “in een ontzaggelijken vuurgloed die helle stralen uitzond naar omhoog, alsof duizenden brandende vuurgele fakkels het hemelgewelf wilden verlichten.” De passagiers keken een uur lang met ingehouden adem naar het tafereel. “Niemand sprak een woord, en een ieder was diep getroffen door die oneindige goudroode uitgestrektheid aan de kim, welke steeds maar grooter en grooter werd, en zich als een reusachtige groote waaier verspreidde aan het diepblauwe uitspansel.”

Onbedorven en gelukkig

Het landschap imponeerde, maar wat vonden de Nederlandse toeristen van de inwoners van dit land? Het Noorse volk is kalm en ingetogen, noteert P.J.W. De schaarse bewoners van de eilanden voor de kust zwaaien hen toe met hoeden, petten, vlaggetjes en zakdoeken. Ze ontlokken P.J.W. een mijmering over wie nu het gelukkigst is. Zijzelf op de grote oceaanstomer, die gewend zijn in weelde te leven, of de Noorse vissers en schaapherders die nagenoeg van de bewoonde wereld zijn afgesneden. “Hoe of de menschen daar kunnen blijven bestaan en leven is voor mij een raadsel, mijlen en mijlen verwijderd van beschaving en communicatie-middelen…”.

Brislingfiske_Jelsa_A.B. Wilse, 1912

Vissers bij Jelsa in 1912. (Norsk Folkemuseum, foto Anders Beer Wilse)

P.J.W. is ervan overtuigd dat de gezichten van de Noren nog trekken vertonen van de Vikingen, hun “oeroude voorvaderen, die woeste en moedige trotseerders der zeeën”. Geheel in de geest van zijn tijd, waarin veel belangstelling was voor de ‘volksaard’ van de bewoners van een land, geeft P.J.W. het karakter van de Noren weer. Ze zijn volgens hem ruw, onbeschaafd bijna, maar “met een hart in het lijf”. De Noren hebben een heldere blik en hij ontwaart in de blauwe ogen van met name kinderen een bovennatuurlijke glans. Daarin zou te zien zijn dat ze nog niet bedorven zijn door de moderne samenleving. Alles aan de Noren is waarheid, aldus onze verslaggever. Hun gelaatsuitdrukking, manieren en handbeweging zeggen alles: kortaf, maar recht en ferm.

Subliem landschap

De reizigers ervaren het natuurschoon als overweldigend en de Noren als eenvoudig van geest en oprecht van gemoed. De nieuwe generatie toeristen is daarmee erfgenaam van de onderzoekende Europeanen die vanaf de achttiende eeuw de wereld verkenden en in nieuwe kaders plaatsten. Het beeld van de Alpen was al gekanteld. De bergen waren niet langer afschrikwekkend, maar juist aantrekkelijk. Ook Noorwegen was om die reden een reisdoel op zich geworden. In de citaten uit de reisverslagen herkennen we romantische principes van onpeilbaarheid, onregelmatigheid, verrassing en spanning en de angst die dit alles tegelijkertijd oproept. P.J.W. noemt Noorwegen “zeer zeker” romantisch en vindt het dan ook niet verwonderlijk dat Noorse dichters er hun sagen dichtten, dat Grieg er zijn Noorse composities schreef en dat de mystieke literatuur van Ibsen er het levenslicht zag.

Molde, foto Karsten Köhler 2, 2008, CC-BY-ND-2.0

De kust bij Molde in 2008. (Foto Karsten Köhler, CC-BY-ND-2.0)

Voor sommigen, onder wie koningin Wilhelmina, had het sublieme landschap een religieuze dimensie. Alle elementen in het Noorse landschap vertellen volgens haar “het verhaal van een machtige schepping, waarbij de mens zich zo nietig gaat voelen en stil wordt. […] Hoe dicht nadert de mens zijn Schepper in die omgeving.” P.J.W. en zijn medepassagiers ervaren bij de middernachtzon iets soortgelijks. Hij beschrijft hoe ze na het fenomeen een uur lang te hebben gadegeslagen stil naar hun hutten gaan, alsof ze een kathedraal verlaten waar ze door een hogere macht herinnerd zijn aan de nietigheid van de mens. Juist in een tijd waarin men door techniek en wetenschap de wereld steeds meer leek te begrijpen, ging er van dergelijke ervaringen in de natuur een grote aantrekkingskracht uit. Terwijl het dagelijks leven gelijkvormiger werd, was er ook een verlangen naar een leven dat betekenis kreeg door een diepere ervaring. P.J.W. spiegelt zichzelf en zijn passagiers aan de eenvoudige vissers die vanaf de eilanden naar hen zwaaien. Hij ziet hen als “eenvoudigen van geest, die door hun allersoberste levenswijze zich hebben aangepast en verzoend met het lot dat hun voor jaren en jaren is beschoren” en meent dat zij zich een stuk gelukkiger zullen voelen dan een deel van zijn reisgenoten, die zich verveeld bewegen in hun wereld van weelde.

Met zijn ongerepte natuur en bewoners leek Noorwegen zo’n honderd jaar geleden de ultieme romantische reisbestemming. Was er dan helemaal niets mis met het land? Eén minpuntje noteerde P.J.W. nog wel. In de havensteden stonk het vreselijk. Met een aflandige wind verspreidden de stokvispakhuizen en traankokerijen hier een uiterst onaangename visgeur. Landschap en bewoners mochten dan zo hun aanlokkelijkheden hebben, het parfum was in Noorwegen niet uitgevonden.

Bronnen:
Koninklijke kunstenaars; Wilhelmina, schilderen en tekenen, op website www.hethuisvanoranje.nl.
J.B. Schuil, Met de reisvereeniging naar Noorwegen, in: Haarlem’s Dagblad 17-8-1927 (geraadpleegd via Krantenviewer Noord-Hollands Archief).
Joachim von der Thüsen, Het verlangen naar huivering; over het sublieme, het wrede en het unheimliche, Amsterdam 1997.
P.J.W., Reisbrieven van een oud-Vlissinger I-VIII, in: Vlissingsche Courant 27-7-1929, 29-7-1929, 1-8-1929, 6-8-1929, 7-8-1929, 9-8-1929, 10-8-1929, 12-8-1929 (geraadpleegd via Krantenbank Zeeland, ZB| Planbureau en Bibliotheek van Zeeland).
Wilhelmina prinses der Nederlanden, Eenzaam maar niet alleen, Amsterdam 1959.

Koffie in Noorwegen

Koffie drinken de Noren net zo graag als de Nederlanders. Sloten koffie dus. En net als in Nederland begon koffie in Noorwegen honderden jaren geleden zijn opmars als luxeproduct, om in de negentiende eeuw in alle lagen van de bevolking door te dringen. Hoe smaakte een Noors bakje toen? En wat heeft koffie in dit land te maken met vis en de Lutherse kerk?

Kaffekiele

In de boedel van een rijke hooggeplaatste douanebeambte in Christiania (Oslo) bevindt zich volgens een beschrijving uit 1694 een ‘kaffekiele’ (koffiepot). Het is de oudste aanwijzing dat er in Noorwegen koffie werd gedronken. Mogelijk is dit gebruik meegekomen met Deense beambten die in Noorwegen werden gestationeerd, nadat dit land onder de Deense koning was gekomen. En de Denen zullen het koffie drinken hebben opgepikt toen dit gebruik begin zeventiende eeuw vanuit Turkije Europa bereikte.
Koffie was in Noorwegen in de begintijd voorbehouden aan de kleine gegoede bovenlaag van rijke kooplieden en adel. Het was toen een schaars en duur product. Koffie werd in apotheken verkocht als laxeermiddel, maar belangrijker was de functie als genotsmiddel. Koffie dronk je in gezelschap, bijvoorbeeld tijdens damesvisites. Tijdgenoot en schrijver Ludvig Holberg ontging het effect van het kopje koffie niet. ‘Zodra het duivelse gebrande brouwsel over de lippen van de dames gaat, beginnen hun monden te klapperen als pepermolens’, laat hij een van zijn personages zeggen in het toneelstuk Barselstuen (1722).

KMS506

Motiv fra Ludvig Holberg: Barselstuen, schilderij door Wilhelm Marstrand,1845. (Statens Museum for Kunst, Denemarken)

Goedkope luxe

Eind achttiende eeuw consumeerden de Noren per hoofd van de bevolking zo’n 20 tot 35 koppen koffie per jaar. Tegenwoordig drinkt de gemiddelde Noor zo’n hoeveelheid in één week. Vergeleken met andere landen was het toenmalige verbruik in Noorwegen wel hoog. Dat er zoveel koffie werd gedronken had vooral te maken met de lage prijs ervan. Omdat Noorwegen deel uitmaakte van het Deense koninkrijk kon het land profiteren van de door de Denen gecontroleerde vrijhaven op de Maagdeneilanden. Over goederen die via deze haven naar Denemarken of Noorwegen werden getransporteerd, hoefde geen belasting te worden betaald. Zo beschikten de Denen en Noren over goedkope koffie.

Maar onbekommerd was het leven van de toenmalige koffieliefhebber niet. De Deense koning vond dat de consumptie van luxeartikelen, waartoe ook koffie werd gerekend, uit de hand liep en stelde er een verbod op in. Dat was van 1783 tot 1799 van kracht. Op dat moment vond de koning de Lutherse kerk aan zijn zijde. De kerk veranderde echter van standpunt toen ze inzag dat koffie een goed alternatief was voor alcoholische dranken. Vooral nadat in 1816 in Noorwegen het thuis distilleren was toegestaan, nam het gebruik van sterke drank flink toe. Dat baarde de kerk én de snel groeiende Noorse matigheidsbeweging grote zorgen. Zij propageerden nu het drinken van koffie in een poging het gebruik van sterke drank te beperken. Toen in 1842 het thuis distilleren werd verboden, was koffie in alle lagen van de bevolking doorgedrongen, zowel in de grote steden aan de kust als op het platteland.

koffiepauze bij bouw bedrijf Elvheim in Åsen (1923), foto coll. Åsen Museum og Historielag

Koffiepauze bij de bouw van een bedrijfsgebouw in Åsen, 1923. (Collectie Åsen Museum og Historielag, CC-BY-2.0)

Het gemiddelde verbruik per hoofd van de bevolking lag midden negentiende eeuw op zo’n 250 koppen per jaar, ongeveer het tienvoudige van vijftig jaar eerder. En omdat koffie in de daaropvolgende decennia alleen maar goedkoper werd – een gevolg van lagere invoerrechten en een dalende prijs op de wereldmarkt – groeide het gebruik alleen maar meer. Tot ontzetting van medici overigens, die zich zorgen maakten over de vele kinderen die in plaats van melk al koffie dronken.

Noorse kooplieden hadden zich intussen toegelegd op de handel in koffie. Hun schepen die met gedroogde gezouten vis naar Brazilië voeren, namen op de thuisreis koffiebonen mee. Zo deed koopman Herman Friele (1763-1843) uit Bergen dat bijvoorbeeld. Zijn grossiershandel ontwikkelde zich tot de bekende Noorse koffiebranderij Friele.

Een kwestie van smaak

Om van koffiebonen drinkbare koffie te kunnen maken, worden de bonen na de oogst eerst gedroogd, daarna gebrand en ten slotte gemalen. Zo gaat dat althans tegenwoordig. Maar de meeste Noren dronken tot ver in de negentiende eeuw koffie van ongebrande bonen. Koffie van gebrande bonen verloor, zo vonden de kenners, al snel zijn karakteristieke aroma en vaak waren de voorgebrande koffiebonen die verkocht werden veel te lang gebrand of – erger nog – verkoold, waardoor de koffie helemaal niet meer te drinken was. Ook de duur van het drogen deed er overigens toe. Bonen die te snel op de markt werden gebracht, gaven geen lekkere koffie.

In het kookboek Kogebog for Folkeskole og Hjemmet uit 1891 legt Dorothea Christensen uit hoe een goede huisvrouw koffie maakt. Benodigd zijn één liter water, twee eetlepels hele koffiebonen en een heel klein beetje vissenhuid. De koffiebonen moeten fijn gemalen worden. Als het water kookt kan de gemalen koffie erbij, evenals de vissenhuid om het mengsel te klaren. Het geheel moet aan de kook blijven totdat alle koffiegruis naar de bodem is gezakt. Dat duurt maximaal tien minuten. Dan kan de ketel van het vuur en als de koffie even heeft gestaan, kan ze worden gedronken. Sommigen lieten het brouwsel overigens veel langer koken, soms wel een uur.

kaffebål, foto Ole Husby, cc-by-sa-2.0

Hedendaagse koffie op het vuur. (Foto Ole Husby, CC-BY-SA-2.0)

Net als in Nederland was het ook in Noorwegen enige tijd gebruikelijk om surrogaatkoffie te drinken, veelal gemaakt van (geïmporteerde) cichorei of van andere ingrediënten, variërend van paardenbloemwortels tot aardappelen, kastanjes of bonen. Volgens het recept van Dorothea Christensen diende op het eind een klein beetje paardenbloem (vermoedelijk de wortels van deze plant) aan de koffie te worden toegevoegd.

Industriële koffiebranderij

Koffie van ongebrande bonen raakte uiteindelijk uit de gratie. In de jaren 1880 verkochten de meeste kruideniers in Christiania al gebrande koffiebonen. Het branden deden ze zelf. De bonen werden met een beetje olie in een metalen trommel, die voortdurend gedraaid moest worden, boven het vuur verwarmd. Het kwam aan op de juiste temperatuur en tijd en het vroeg de nodige vaardigheid om dit goed te kunnen. Behalve op de geur – die de hele winkelstraat kon vullen – ging de brander af op zijn intuïtie. Lang bleef dit echter geen ambachtelijk werk. Binnen tien jaar werd in Noorwegen het startschot gegeven voor machinaal koffiebranden. Koffiehandelaar Friele kocht in Duitsland de benodigde machines en opende in Bergen in 1890 de eerste industriële koffiebranderij van Noorwegen.

Friele kaffe, foto Dekcuf, cc by sa 2.0

Koffie van Friele in diverse variëteiten. Van links naar rechts: ontbijtkoffie, noorderlichtkoffie, paaskoffie en kerstkoffie. (Foto Dekcuf, CC-BY-SA-2.0)

Nog eenmaal was het Noorse kopje koffie in gevaar. Dat was tijdens de Tweede Wereldoorlog toen koffie op de bon ging en de aanvoer stokte. Noorse handelaren vonden een oplossing door de retourhandel met klipvis op Brazilië nieuw leven in te blazen. Nog steeds komt de helft van alle in Noorwegen geïmporteerde koffie uit dit Zuid-Amerikaanse land. Na de oorlog bleef koffie nog jarenlang schaars. Forse subsidies van de regering op échte koffie konden niet voorkomen dat surrogaatkoffie opnieuw terrein won. Ook bleven de Noren vooralsnog een voorkeur houden voor slappe koffie die lang op het vuur had staan pruttelen, net zoals in de negentiende eeuw gebruikelijk was.

Toen de welvaart in Noorwegen in de jaren zestig in rap tempo toenam, ging het met de koffie hard. Naast koffiebrander Friele werden nieuwe koffiebranderijen opgericht en in de steden kwamen ‘koffiehuizen’ op die vorm gaven aan een nieuwe koffiecultuur. Maar ook in de gewone keuken veranderde het koffiezetten. Koffiezetapparaten waarvoor snelfiltermaling nodig was, deden hun intrede, alsmede percolators. Koffie werd goedkoper en de talrijke variëteiten die op de markt kwamen hadden elk een uniforme smaak, zodat de consument wist wat hij kon verwachten.

Tim Wendelboe, foto djanimal, cc by 2.0

Tim Wendelboe in Oslo, een van de bekendste koffiebars in Noorwegen. (Foto djanimal, CC-BY-2.0)

Ritme en gezelligheid

Koffie maakte deel uit van de huiselijke gezelligheidscultuur, die zich ook in Noorwegen sterk heeft ontwikkeld. Vrouwen – het werd tot hun taak gerekend – bekwaamden zich al aan het eind van de negentiende eeuw in het zetten van een goede kop koffie en er ontwikkelde zich een etiquette rond het serveren ervan. Een goede huisvrouw schonk de koffie in de keuken in de kopjes om die vervolgens in de salon te serveren. Koffie gaf ritme aan de dag en aan het leven. Net als in Nederland was ook in Noorwegen het leren koffie drinken een stap in de ontwikkeling van kind naar volwassene. Daarnaast wordt de koffiecultuur in Noorwegen sinds de jaren zestig vormgegeven door koffiebars in de grote steden. Bekende koffiebars in Oslo als Fuglen en Tim Wendelboe zijn er de aanjagers van. En voor de jacht op het perfecte kopje koffie is er in Oslo zelfs een Barista School. De Noren behoren nog steeds tot de grootste koffieconsumenten ter wereld en ze hebben hun voorkeur voor licht geroosterde koffie behouden. Een ‘Nordic’ smaak en aroma dus, waarmee ook de Noorse koffiebars zich onderscheiden.

Bron:
A history of coffee in Norway, part 1-5, op www.nordiccoffeeculture.com.

Noorse iconen: vergeten meubeldesign uit het Hoge Noorden

Ook in Nederland verschenen ze in de huiskamers. Noorse meubels stonden in het midden van de twintigste eeuw in binnen- en buitenland hoog aangeschreven. In die jaren rolden er van de tekentafels en werkbanken in Noorwegen designproducten van hoge kwaliteit met een nieuwe vormgeving. Wie zijn de belangrijkste meubelontwerpers uit die tijd, hoe onderscheiden hun meubels zich en waarom hoorden we nauwelijks nog van hen?

Na de Tweede Wereldoorlog lieten Noorse ontwerpers, net als Deense en Zweedse, de rationele, ordelijke ontwerpen uit het functionalisme, dat vóór de oorlog hoogtij had gevierd, achter zich. In plaats daarvan introduceerden zij organische vormen met golvende lijnen. Voorboden ervan waren al in de vroege twintigste eeuw zichtbaar in de art nouveau. Elegantie, schoonheid en ambachtelijkheid keerden als waarden terug, al verdween het belang van praktische functionaliteit niet.

599, kayser, norwegianicons

Schommelstoel model 599, ontwerp Fredrik Kayser. (Foto www.norwegianicons.com)

Fredrik Kayser

De Noorse ontwerper die de organische vormentaal in het meubeldesign tot grote hoogte stuwde, was Fredrik Kayser (1924-1968). De door hem ontworpen stoel Kryss (1955) en schommelstoel 599 (1958) kenmerken zich door hun esthetisch lijnenspel en behoren tot de top van wat Noorwegen midden twintigste eeuw te bieden had.

Van timmermansknecht tot meubeldesigner

Maar het was niet Kayser die het pionierswerk verrichtte. Dat deed de timmermansknecht Alf Sture (1915-2000). Sture kwam in 1940 in dienst bij ontwerpbureau Hiort & Østlyngen en ontwierp nog in datzelfde jaar model 1036. Deze stoel markeert de overgang van het harde functionalisme naar meer organische vormen. Sture liet in het ontwerp alle onnodige details achterwege, zodat alleen de functionele delen het ontwerp uitmaakten. Maar de lijnen zijn niet hard en strak, eerder zacht en organisch. De zitvorm was gebaseerd op studies van de menselijke anatomie. Model 1036 werd een voorbeeld voor veel andere Noorse stoelen.

model 1036, sture, norwegianicons_1

Model 1036, ontwerp Alf Sture. (Foto www.norwegianicons.com)

Comfort

Comfort had in het vooroorlogse functionalisme weinig aandacht gekregen. De ‘organische’ meubelen die nu werden ontworpen, boden mogelijkheden om te worden afgestemd op het menselijk lichaam. Dergelijke meubels werden populair toen televisietoestellen zich een weg baanden naar de huiskamers. Mensen wilden ’s avonds ontspannen televisiekijken en het zitmeubilair werd daarop aangepast. Een goed voorbeeld van zo’n stoel is Siesta (1965) van Ingmar Relling (1920-2002): eenvoudig, harmonieus, klassiek, zonder onnodige details en bovenal… comfortabel. Siesta werd een groot commercieel succes. Meubelfabriek LK Hjelle produceert de stoel nog en Relling verwierf er internationale bekendheid mee.

Siesta_Classic_brown_canvas-1400x678

Siesta, ontwerp Ingmar Relling, productie LK Hjelle. (Foto www.hjelle.no)

Ook in de jaren zeventig en tachtig onderscheidden Noorse meubelontwerpers zich met ergonomische ontwerpen. Jens Ekornes ontwierp Stressless (1971) en Terje Ekstrøm tekende voor Ekstrem (1972), een stoel die pas in de jaren tachtig een succes zou worden. Peter Opsvik werd in Nederland bekend met de populaire Tripp Trapp kinderstoel (1973). Een peuter lekker laten zitten en dat direct aan tafel, dat was het idee achter deze stoel. Later werd Opsviks Balans-serie geïntroduceerd. De eerste zitmeubels uit deze serie kwamen in 1979 op de markt. Ze waren revolutionair, omdat ze de gebruiker tot nieuwe zitposities dwongen.

tripp trapp, opsvik, norwegianicons_1

Tripp Trapp, ontwerp Peter Opsvik. (Foto www.norwegianicons.com)

Ambacht en industrie

Niet alleen de gewoonten van consumenten en de vormentaal van designers waren vanaf de jaren vijftig aan verandering onderhevig. Ook met materialen en technieken werd volop geëxperimenteerd. Eeuwenoude tradities in het meubelambacht hadden een schat aan kennis opgeleverd, maar de veranderde tijden stelden nieuwe eisen. De meubels moesten in serie geproduceerd kunnen worden en er waren nauwkeurige constructietekeningen nodig.

Noorse ontwerpers zochten naar wegen om ambacht en industrie met elkaar te verzoenen. Alf Sture leverde met stoel 1036 als een van de eersten een fraaie combinatie van traditioneel handwerk en industriële productie. Een andere stoel op dit kruispunt is Bambi (1950) van het ontwerpbureau Rastad & Relling. Bambi wordt gerekend tot de mooiste en meest artistieke stoelen die in Noorwegen zijn gemaakt.

bambi, rastad & relling, norwegianicons_1

Bambi, ontwerp Rastad & Relling. (Foto www.norwegianicons.com)

De industrie vroeg rationele productiemethoden en een van de meest begaafde meubeltekenaars die daaraan voldeed, was Sven Ivar Dysthe (1931). Heel bekend werden zijn stoelen 1001 (1960) en Popcorn (1968). Dysthes meubels werden over de hele wereld verkocht.

Popcorn, dysthe, dysthedesign_1

Popcorn, ontwerp Sven Ivar Dysthe. (Foto www.dysthedesign.no)

Nieuwe materialen

Ook werd in deze jaren volop geëxperimenteerd met materialen. Hout had tot die tijd de meubelindustrie gedomineerd, maar nu verschenen ook meubels van kunststof en metaal, materialen die geschikt waren voor industriële serieproductie. Bendt Winge (1907-1983) ontwierp de kunststof stoel R-49. Omdat deze stoel stapelbaar was, werd hij een geliefd item in cafetaria’s. Deze en andere stoelen in de R-serie worden nog steeds gemaakt.
Bjørn Engø (1920-1981) was wat materiaalgebruik betreft een van de meest radicale Noorse ontwerpers. Hij begon al vroeg (in 1947) staal en aluminium te gebruiken. De stijl waarin hij werkte, werd in Noorwegen wel erg experimenteel gevonden.

Door de toename van de welvaart ontstond er ook belangstelling voor exclusieve materialen. De meubels in palissander en leer van Fredrik Kayser gaan door voor het beste in hun soort uit de jaren vijftig en zestig.

dressoir van rozenhout, kayser, norwegianicons_1

Dressoir van rozenhout, ontwerp Fredrik Kayser. (Foto www.norwegianicons.com)

Ten slotte deed in deze periode ook gelamineerd hout zijn intrede. Hans Brattrud (1933) ontwierp in 1957 zijn Scandia stoelen van gelamineerd multiplex. In de toepassing van gelamineerd hout was Brattrud in Noorwegen een voorloper. Deze technieken deden al in de jaren dertig opgeld in Zweden en Finland, maar beleefden in Noorwegen pas in het midden van de jaren zestig hun doorbraak.

scandia, brattrud, norwegianicons_1

Scandia, ontwerp Hans Brattrud. (Foto www.norwegianicons.com)

Kweekkamer

De grote kweekkamer van het Noorse meubeldesign was de Statens Håndverks- og Kunstindustriskole in Oslo, waar nagenoeg alle vooraanstaande Noorse ontwerpers hun opleiding genoten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was men zich hier gaan richten op het ontwerpen van lichte en functionele meubeltypen. Kayser bijvoorbeeld werd zeer beïnvloed door deze lijn. Hij werkte na zijn opleiding enige tijd bij het al eerder genoemde Rastad & Relling, opgericht in Oslo in 1944. Dit bureau nam tot de jaren zeventig evenzeer een centrale plaats in bij de ontwikkeling van het Noorse meubeldesign. Vele getalenteerde designers begonnen hun carrière hier.

Belangrijk waren de uitstekende contacten die Rastad & Relling had met de snel groeiende meubelindustrie in het westen van Noorwegen. Bijvoorbeeld met Gustav Bahus in Os (bij Bergen), die de eerder vermelde stoel Bambi en andere exclusieve meubels van Rastad & Relling in productie nam.

eettafel Rastad & Relling, Gustav Bahus, norwegianicons_1

Eettafel, ontwerp Rastad & Relling, productie Gustav Bahus. (Foto www.norwegianicons.com)

Ook andere fabrikanten speelden een belangrijke rol. Stryn, een plaatsje aan het Nordfjord, werd een centrum van de Noorse meubelindustrie. In 1939 werd hier Stryn Møbelindustrie opgericht en in 1946 Tonning Møbelfabrikk. De laatste produceerde vanaf begin jaren zeventig de meubels van Alf Sture, die al veel langer voor de fabriek tekende. In 2013 gingen de twee meubelfabrieken in Stryn samen als Tonning & Stryn.

Een ander toonaangevend bedrijf is LK Hjelle, opgericht in het begin van de jaren veertig nabij Ålesund aan de westkust. De fabriek werd aan de kust gebouwd vanwege de gunstige transportmogelijkheden. Tot de jaren tachtig werd veel geëxporteerd, ook naar Nederland. De fabriek bestaat nog steeds en verscheidene modellen maken al dertig jaar deel uit van de collectie.

Inspiratie uit Scandinavië en Japan

Voor Noorse ontwerpers was de traditionele meubelmakerij in eigen land een inspiratiebron, evenals het toenmalige moderne design uit Zweden en Denemarken. Torbjørn Afdal (1917-1999) bijvoorbeeld werd sterk beïnvloed door de Deense meubelkunst. Hij had een verfijnd gevoel voor vorm en materialen en ontwikkelde een architecturale stijl. Zo ontwierp hij de multifunctionele bank Krobo (1960) met verrassende gebruiksmogelijkheden. De bank is nog steeds in productie en het hedendaagse designersduo Anderssen & Voll ontwierp er accessoires bij.

FF_Krobo_150_oak_accessories_6_small, fjordfiesta

Krobo, oorspronkelijke ontwerp Torbjørn Afdal, hedendaagse accessoires ontworpen door Anderssen & Voll. (Foto www.fjordfiesta.com)

Behalve de Scandinavische buurlanden deed ook Japan zijn invloed gelden. De warme, natuurlijke en eenvoudige esthetiek uit Japan vormde evenzeer een antwoord op het strakke en koude modernisme van voor de oorlog. De Japanse invloed is bijvoorbeeld terug te zien in de oorspronkelijke inrichting van Kaffefuglen (1963), een café in Oslo dat zich nu onder de naam Fuglen een groot promotor betoont van het Noors design uit het midden van de twintigste eeuw.

Norwegian Icons

Het iconische Noorse design van de jaren vijftig en zestig raakte later in vergetelheid. Net als elders in Europa was een tijd van overvloed aangebroken, zeker voor Noorwegen dat ook nog eens kon profiteren van zijn oliebronnen. De belangstelling voor het eigen design raakte op de achtergrond. Gebruiksvoorwerpen werden uit het buitenland geïmporteerd, waar ze in massaproductie werden gemaakt. Inmiddels zijn er voor het Noors design betere tijden aangebroken. De ‘Norwegian Icons’ uit het midden van de twintigste eeuw maken nu onderdeel uit van een campagne om Noors design op de (wereld)kaart te zetten. Net als de ontwerpers van toen, die beseften dat traditionele technieken betekenis hadden voor nieuw design, verloochent ook de huidige generatie designers zijn wortels dus niet.

Bronnen:
Norsk Biografisk Leksikon
Norsk Kunstnerleksikon
Katie Treggiden, The return of the icons, op www.norwegianarts.org.uk
Katie Treggiden, Probably Danish, op www.norwegianarts.org.uk
www.norwegianicons.com
www.fuglen.com